Protestantisme (Calvinisme) - Welker hart de Heere heeft geopend

 

Inleiding

In de studie “Protestantisme (Calivinisme) – Moet de Heere u trekken om bij Hem te kunnen komen?” is stilgestaan bij een drietal verzen uit Joh. 6, namelijk Joh. 6 : 44, Joh. 6 : 37 en Joh. 6 : 65. Allemaal verzen die, bij oppervlakkig en uit de context lezen, de indruk zouden kunnen wekken dat de Heere God u wel tot Hem zou moeten trekken, omdat u anders niet bij Hem zou kunnen komen. Maar hoe mooi is het dan om te zien dat de Heere Jezus in Joh. 12 : 32 de uitspraak deed dat Hij allen tot Zich zal trekken. Blijkbaar maakt de Heere ook hier geen onderscheid, omdat redding beschikbaar is voor alle mensen. We zagen het vergelijk met een visser. Een visser haalt z’n lijn wel op als de dobber beweegt. Maar dat gebeurt pas als de vis gebeten heeft. En zo is het ook met redding. De Heere redt een ieder die gelooft in de Heere Jezus. Dus zodra iemand met zijn hart gelooft wat de Heere Jezus voor hem of haar gedaan heeft, en het de Heere met de mond belijdt, dan trekt de Heere diegene, dan redt de Heere diegene. Met andere woorden: het is niet zo dat de Heere bij voorbaat willekeurig trekt wie Hij wil, en is dus ook niet zo dat Hij bij voorbaat niet trekt wie Hij niet wil. Hij wil ieder trekken, maar dat doet Hij in Jezus Christus.


De Heere opende het hart van Lydia, een purperverkoopster

Een ander vers dat wel door Calvinisten gebruikt wordt, om te laten zien dat mensen geen eigen wil zouden hebben, is Hand. 16 : 14, waar geschreven staat: “En een zekere vrouw met name Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatíra, die God diende, hoorde ons; welker hart de Heere heeft geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd”. Dit vers staat in een gedeelte (Hand. 16 : 12 – 15), waar u kunt lezen dat Paulus in Filippi was. Ze waren daar op de Sabbat buiten de stad, aan de rivier, waar ze een vrouw ontmoetten: Lydia, een purperverkoopster. En dan staat er geschreven dat zij God diende, en naar Paulus hoorde. Ook staat er geschreven dat de Heere haar het hart geopend had, en dat zij acht nam op wat Paulus sprak. En daarna werd zij gedoopt (Hand. 16 : 15).


Hoe verklaren Protestanten dat Schriftgedeelte?

En dan is natuurlijk de reactie: “Zie je wel, de Heere God moet het hart openen, dan pas kan iemand tot geloof komen. De mens heeft dus geen eigen wil”. Laten we eerst kijken hoe men hier in Protestantse kring mee omgaat. In de “Nederlandse Geloofsbelijdenis”, één van de “Drie formulieren van Enigheid”, wordt Hand. 16 : 14 als bewijstekst gebruikt in artikel 24, ook wel “Van de heiligmaking des mensen en de goede werken” genoemd. Dit vers is dan onderbouwing voor het volgende gedeelte daaruit:

“Wij geloven dat dit waarachtig geloof, in den mens gewrocht zijnde door het gehoor van het Woord Gods en de werking des Heiligen Geestes, hem wederbaart en maakt tot een nieuwe mens,...” [1]. 

Dit lijkt best Bijbels, want het geloof is uit het gehoor zegt de Heere in Rom. 10 : 17. Maar dit stukje spreekt erover dat geloof in de mens “gewrocht zijnde”. “Gewrocht” betekent “gewerkt”. Dus zou het geloof van de Heere God afkomstig zijn. En ja, geloof is ook een gave…, voor de gelovige overigens (Gal. 5 : 22). Maar het punt is dat men dit los koppelt van de eigen wil. We zijn dit in deze serie eerder tegengekomen. Namelijk in de “Dordtse Leerregels”, paragraaf 14 van hoofdstuk 3-4:

“Zo is dan het geloof een gave Gods; niet omdat het aan den vrijen wil des mensen van God wordt aangeboden, maar omdat het den mens metterdaad wordt medegedeeld, ingegeven, en ingestort” [2].

Dat men dit voor het gedeelte over Lydia, met betrekking tot het openen van hart, inderdaad ook zo toepast, blijkt uit wat er in de kanttekeningen bij de StatenBijbel bij Hand 16 : 14, het gedeelte “welker hart de Heere heeft geopend”, geschreven staat als toelichting (dus niet de Bijbeltekst zelf!):

“Namelijk door de kracht Zijns Heiligen Geestes haar verstand verlichtende en haar wil neigende tot gehoorzaamheid des geloofs” [3].

Lydia zou klaarblijkelijk geen eigen wil hebben, want de Heere “neigde haar wil tot gehoorzaamheid des geloofs”, zegt men. Dit is hetgeen in de “Dordtse Leerregels” staat als zijnde dat het de mens “wordt medegedeeld, ingegeven en ingestort”. Bij oppervlakkig lezen van de Bijbeltekst, is dat inderdaad zo te lezen. Maar klopt dit ook? 


Lydia en de vrije wil...

We hebben gezien dat de Heere God in Zijn woord op diverse plaatsen spreekt over “vrijwillig” (zie bijv. Ex. 35 : 6). Verder spreekt de Heere over het aannemen van het Evangelie (zie bijv. 1 Tim. 1 : 15), en ook laat de Heere zien dat u als mens Gods woorden kunt verwerpen (zie bijv. Matth. 23 : 37; Hand. 7 : 51). Dit wijst allemaal op het feit dat de mens wel een vrije wil heeft.

Maar hoe zit het dan met die tekst over Lydia? In Hand. 16 : 14 lezen we nogmaals: “En een zekere vrouw met name Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatíra, die God diende, hoorde ons; welker hart de Heere heeft geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd”. En dan zegt Hand. 16 : 15 dat zij en haar huis gedoopt zijn… Het is duidelijk dat de Heere haar hart op de één of andere manier geopend had. Maar betekent het dat de Heere haar daarmee ook het geloof opgelegd of ingelegd heeft? Nee, dat betekent het niet.


De ogen geopend hebben

De ogen geopend hebben, betekent dat u iets begrijpt, dat u iets of iemand herkent, dat u ergens zicht op hebt. U komt het in de meest letterlijke zin in Gods woord tegen, doordat de Heere Jezus blinden de ogen opende. Zij hadden daardoor weer zicht (zie bijv. Joh. 9 : 10 en 11). Maar het kan dus ook betekenen dat u iets begrijpt of doorhebt. Bij de Emmaüsgangers opende de Heere hen de ogen, en dan leest u dat er geschreven staat in Luk. 24 : 31: “En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem; en Hij kwam weg uit hun gezicht”.

Dat het “ogen openen” niet hetzelfde is als “tot bekering komen” of “tot geloof komen”, blijkt ook uit Hand. 26 : 18, waar geschreven staat dat Paulus tot de Joden en de heidenen gezonden werd: “Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot God; opdat zij vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij”. Hier lezen we dat blijkbaar niet alleen de Heere God de ogen van mensen opent, maar Paulus deed dat ook. Door de verkondiging van het Evangelie, en door het uit te leggen, kunnen ogen van mensen geopend worden. En de volgende stap is dan tot bekering komen “van de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot God”. En dan staat er aan het eind van het vers: “door het geloof in Mij”. Dus door kennis te hebben van het Evangelie, door het te zien, door het te begrijpen, kunt u tot geloof komen, waardoor u gered wordt.


Het hart geopend hebben

Nu zegt u misschien: “Ho, wacht even. We hadden het bij Lydia over het hart dat geopend was, maar in de laatste voorbeelden lezen we over geopende ogen. Is dat niet wat anders?” De Bijbel laat zien dat het met elkaar te maken heeft. Zo lezen we in Hand. 28 : 27: “Want het hart dezes volks is dik geworden, en met de oren hebben zij zwaarlijk gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zij zich bekeren, en Ik hen geneze”. Dus met geopende ogen kunt u zien, waardoor u met een open hart kunt verstaan en tot bekering kunt komen. Dat heeft dus met elkaar te maken. En het mooie is ook hier dat u ziet dat geopende ogen of een geopend hart, nog niet betekent dat u tot geloof gekomen bent.


Geopende ogen of een geopend hart en het tot bekering komen

En daar komt de eigen wil om de hoek kijken. Want op het moment dat u het Evangelie kent, kunt u er twee dingen mee doen:

1) U kunt het geloven en aannemen.
2) U kunt er ook zicht op hebben en het afwijzen.

Een voorbeeld. Een vader en een zoon hebben ruzie. De zoon raakt financieel in de problemen, dusdanig dat hij alles dreigt kwijt te raken. Ondanks de ruzie wil de vader zijn zoon helpen. Hij legt hem uit dat hij met zijn hulp uit de nood kan komen. De zoon begrijpt de situatie. Maar daar kan hij vervolgens tweeërlei op reageren. Hij kan zijn ruzie aan de kant zetten, de hulp aannemen, en dan is hij gered uit de nood. Maar de haat kan ook zo groot zijn, dat hij de aangeboden hulp weigert, en dan is hij dus niet gered uit alle nood.

Terug naar Lydia. Zij was een vrouw die God diende. Maar dat betekent niet dat zij al tot redding gekomen was. Hetzelfde is te zien bij Cornelius in Hand. 10 : 2. Hij vreesde God, hij bad en hij deed goede werken. En toch moest Petrus komen om hem het Evangelie uit te leggen, omdat deze man en zijn huis nog niet gered waren. Hij moest nog zalig worden, hij moest nog behouden worden, zegt Hand. 11 : 14. De situatie bij Lydia is hetzelfde. Zij diende God, maar zij moest nog tot bekering komen. En daarom zorgde de Heere ervoor dat Paulus op haar pad kwam. En omdat zij God diende, zorgde de Heere er zelfs voor dat haar hart geopend was, waardoor zij acht nam op de woorden die door Paulus gesproken werden. Zij luisterde naar die woorden, zij begreep die woorden. En klaarblijkelijk nam zij er dusdanig acht op dat zij met haar hart geloofde en dus tot bekering kwam. Dat heeft zij uit vrije wil gedaan, want de Heere God dwingt niemand. Die stap staat niet beschreven, maar is wel gebeurd, voor haar en haar huis, wat blijkt uit het feit dat zij zich daarna hebben laten dopen. De doop zelf staat ook niet beschreven, want er staat in Hand. 16 : 15: “En als zij gedoopt was en haar huis,…”. Met andere woorden: tussen vers 14 en vers 15 heeft de Heere iets niet geschreven. Maar de conclusie is duidelijk: Lydia en haar huis hebben zich bekeerd, nadat zij zicht hadden op het Evangelie en het aangenomen hadden. Net zoals Paulus aan de Korinthiërs mocht schrijven in 1 Kor. 15 : 1: “VOORTS, broeders, ik maak u bekend het Evangelie, dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk gij ook staat”.


Gods boodschap van redding is voor iedereen

Feit is dus dat er situaties zijn dat de Heere het hart van mensen opent. Denk aan Cornelius en Lydia, die God al zochten. Maar dat neemt niet weg dat zij uit vrije wil alsnog de Heere hebben aangenomen, want zij hadden Hem, met het zicht op hun redding, om wat voor reden dan ook, ook kunnen afwijzen. En dat hebben zij niet gedaan. En doordat de Heere sommigen, omdat zij zoeken, het hart opent, en hun de boodschap helpt begrijpen, betekent het dus niet dat er een beperkte verzoening zou zijn, of dat Hij anderen bewust verloren zou laten gaan. Nee, want Gods boodschap van redding is voor iedereen. Iedereen mag Hem aannemen. Maar Hij kent je hart. Geprezen zij de Heere.


[1]  “Belijdenis des Geloofs”, uit: “Bijbel met Uitleg”, Uitgeverij De Banier, Apeldoorn, 2015, artikel 24, blz. 2160.
[2]  “Dordtse Leerregels.nl”, hoofdstuk 3-4, paragraaf 14, Bron: https://www.dordtse-leerregels.nl/hoofdstuk-3-en-4/paragraaf-14.
[3]  ”BIJBEL, met kanttekeningen , Deel 3: Matthéüs – Openbaring”, Den Hertog B.V., Houten, 1997, kanttekening bij ‘welker hart de Heere heeft geopend’ uit Hand. 16:14.