Blue Flower

Het teken van Jona, de profeet



Inleiding

Deze studie gaat over een teken, namelijk “het teken van Jona, de profeet”. Leest u de volgende Schriftgedeelten: Jona 1 : 1 – 3a; 3 : 1 – 3a, 10. Vaak vertelt men dat het niet bekend is wie het boek Jona geschreven heeft, of dat het een legendarisch verhaal is. Ook zoekt men naar redenen hoe Jona door een vis bewaard kon worden. Waarom? Omdat de Theologie Jezus een legende noemt [1], en niet gelooft in Zijn Opstanding [2]. En daarvan is Jona volgens Gods Woord nu net het teken… Laten we eens kijken wat mensen over Jona zeggen en dat vergelijken met wat Gods Woord over Jona zegt.


Jona's vlucht

We lezen eerst dat Jona de opdracht krijgt om naar Ninevé te gaan om daar te prediken, maar Jona vlucht. Verderop lezen we dat Jona opnieuw de opdracht krijgt om naar Ninevé te gaan om daar te prediken, en Jona luistert naar het Woord des Heeren. Wat daartussen gebeurd is, dat is waarschijnlijk wel bekend: Jona gaat aan boord van een schip. Maar omdat Jona vlucht, stuurt God een grote storm, en uiteindelijk laat Jona zich overboord gooien. Er komt een grote vis die Jona inslokt, en drie dagen en drie nachten later wordt hij uitgespuugd en gaat alsnog naar Ninevé. En de mensen van Ninevé komen tot bekering.

Dit is de geschiedenis van Jona in grote lijnen verteld. En dat expres. Want wat gebeurt er precies? Daar verschillen de meningen aanzienlijk over, ondanks dat Gods Woord eigenlijk bijzonder duidelijk is. Laten we eens kijken.


Het ontstaan van Jona onbekend?

Er zijn er die de geschiedenis van Jona afdoen als een fabel. Het begint eigenlijk al bij het feit dat men vaak aangeeft dat men de schrijver van het boek niet kent. In de “Jongerenbijbel” lezen we bijvoorbeeld:

“Wie het boek Jona geschreven heeft is niet bekend. Wel wordt zijn naam ook genoemd in 2 Koningen 14:25. Die passage gaat over de tijd dat Jerobeam regeerde in Israël (achtste eeuw v.Chr.). Hoewel er geen zekerheid over bestaat, wordt vaak aangenomen dat het boek Jona geschreven is in een latere periode (vijfde tot derde eeuw v.Chr.)” [3].

De “NBV Studiebijbel” zegt zelfs ronduit:

“Toch lijkt er behalve zijn naam en afkomst geen duidelijke relatie te zijn tussen het boek Jona en de tekst in 2 Koningen. Veelal wordt aangenomen dat het boek pas veel later ontstaan is, tussen de vijfde en derde eeuw v.Chr. Een van de aanwijzingen daarvoor is het boeteritueel waarbij mens en dier vasten, een gebruik in het Perzische rijk. En ook het thema dat God universeel en voor iedereen toegankelijk is, past bij deze periode” [4].


God universeel toegankelijk, een thema voor het Perzische rijk?

Hier zien we opnieuw dat de Theologie, hier bij monde van het NBG, leugens verkondigt, en in feite aan geschiedvervalsing doet. Voor de Joden bleef het moeilijk te begrijpen dat God ook voor de heidenen toegankelijk zou zijn. Het was niet voor niets dat Petrus door de Heere via een droom geopenbaard kreeg dat Hij naar de heidenen moest gaan, omdat zij niet onrein waren. In Hand. 10 : 11 – 14 lezen we: “En hij zag de hemel geopend, en een zeker vat tot hem neerdalen, gelijk een groot linnen laken, aan de vier hoeken gebonden, en neergelaten op de aarde; Waarin waren al de viervoetige dieren der aarde, en de wilde, en de kruipende dieren, en de vogelen des hemels. En er geschiedde een stem tot hem: Sta op, Petrus! slacht en eet. Maar Petrus zeide: Geenszins, Heere! want ik heb nooit gegeten iets, dat onheilig of onrein was”. Dit herhaalt zich tot drie keer toe. De les die Petrus hieruit leert, lezen we in Hand. 10 : 28: “En hij zeide tot hen: Gij weet, hoe het een Joodse man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot een vreemde; doch God heeft mij getoond, dat ik geen mens zou onheilig of onrein noemen”. En dat Petrus niet de enige was die dat in deze tijd nog steeds zo zag, blijkt bijv. uit Hand. 11 : 2 en 3, waar geschreven staat: “En toen Petrus opgegaan was naar Jeruzalem, twistten tegen hem degenen, die uit de besnijdenis waren. Zeggende: Gij zijt ingegaan tot mannen, die de voorhuid hebben, en hebt met hen gegeten”. En dan legt hij vervolgens uit wat de Heere hem duidelijk gemaakt heeft. De Wet heeft gelopen tot op de kruisdood van de Heere Jezus in ca. 33 na Chr., maar de discipelen kregen dit (als overgang van de Wet naar de Gemeente) pas geopenbaard in ca. 41 na Chr. [5]! In de vijfde tot derde eeuw voor Chr. was het voor de Joden dus zeker niet gewoon om naar de heidenen te gaan, zoals het NBG beweert! Met andere woorden, deze reden van het NBG, dat God voor iedereen toegankelijk is, moet gebaseerd zijn op wat andere religies in die tijd leerden, en sluit aan bij het gedachtegoed van het NBG dat zij hun informatie bij de heidenvolken vandaan halen, zoals we in andere studies gezien hebben [6]. Met andere woorden: deze reden is gebaseerd op de afgoderij van de heidenvolken. Het mist in elk geval elk Bijbels fundament.


Het boeteritueel als bewijs voor een laat ontstaan?

En dan het boeteritueel, zie het laatst genoemde citaat van het NBG, dat ook een heenwijs zou zijn naar het ontstaan van Jona in de 5e tot de 3e eeuw v. Chr.… In Jona 3 : 7 lezen we: “En hij [de koning van Ninevé] liet uitroepen, en men sprak te Ninevé, op bevel van de koning en van zijn groten, zeggende: Laat mens noch beest, rund noch schaap, iets eten, laat ze niet weiden, noch water drinken”. Bij dit vers is in de “NBV Studiebijbel” een aparte aantekening gemaakt. Het NBG schrijft:

“In de Perzische cultuur maakten dieren actief deel uit van boete- en vastenrituelen” [7].

Maar de God van de Bijbel had Israël gewaarschuwd dat zij zich niet moesten vermengen met de volken rondom vanwege hun afgoderijen. In Deut. 12 : 30 – 31 lezen we: “Wacht u, dat gij niet verstrikt wordt achter hen, nadat zij voor uw aangezicht zullen verdelgd zijn; en dat gij niet vraagt naar hun goden, zeggende: Zoals deze volken hun goden gediend hebben, alzo zal ik ook doen. Gij zult de HEERE, uw God, alzo niet doen; want al wat de HEERE een gruwel is, dat Hij haat, hebben zij hun goden gedaan; want zij hebben ook hun zonen en hun dochters met vuur verbrand voor hun goden”. Zou deze God het accepteren dat de mensen van Ninevé boete deden volgens Perzische rituelen? Nee! Want wat lezen we nu juist in Jona 3 : 10: “En God zag hun werken, dat zij zich bekeerden van hun boze weg; en het berouwde God over het kwaad, dat Hij gesproken had hun te zullen doen, en Hij deed het niet”. Hier lezen we dus dat de mensen van Ninevé zich bekeerden van hun boze weg. Dat betekent dat zij hetgeen de Heere haatte niet meer deden. En dus vereerden ze Hem niet zoals de andere volken hun goden dienden, en niet zoals zijzelf eerder hun goden dienden! Dan zou er namelijk geen sprake van bekering zijn, en had God hen niet gespaard! In Lev. 10 : 1 en 2 lezen we dat God Nadab en Abihu ook niet spaarde, die met vreemd vuur voor Zijn aangezicht kwamen!


Waarom zouden de dieren in Jona vasten?

Maar waar zou dat vasten van de dieren dan mee te maken kunnen hebben? De heidense volken hadden ook de gewoonte om bestialiteit te bedrijven. Wanneer iemand in Israël hierop betrapt zou worden dan moesten de dader en het beest gedood worden (Lev. 20 : 15, 22 – 24). Beiden! En dat is de enige aanwijsbare Bijbelse reden dat de dieren ook meegenomen werden in het vasten, als hulpmiddel om zich te verootmoedigen, zo dat mens en dier de tijd namen om hun begane zonden voor God te belijden! In Jona 3 : 8 lezen we: “Maar mens en beest zullen met zakken bedekt zijn, en zullen sterk tot God roepen; en zij zullen zich bekeren, een ieder van zijn boze weg, en van het geweld, dat in hun handen is”. Daar zat niets van de Perzische cultus in, wat het NBG dan ook beweert. We zien in elk geval dat men in de theologie toewerkt naar een vermenging van Bijbels geloof met heidense rituelen, in het streven naar de verwerkelijking van de ene wereldreligie!


Het ontstaan van Jona herleid uit Gods Woord

Maar het boeteritueel, als Perzisch ritueel, zou volgens dat NBG ook een bewijs zijn dat Jona in de vijfde tot de derde eeuw v. Chr. ontstaan zou zijn. Maar als boeteritueel van welke mensen en dieren in Ninevé dan? Want Ninevé is in 612 v. Chr. met de grond gelijk gemaakt. Na die tijd hebben er eeuwen lang nagenoeg geen mensen meer gewoond [8]. Met andere woorden: de geschiedenis van Jona moet voor 612 v. Chr. hebben plaatsgevonden, en zeker niet tussen de vijfde en de derde eeuw voor Chr! Wanneer we dan kijken naar dat vers in 2 Kon. 14 : 25, dan lezen we daar: “Hij bracht ook terug het gebied van Israël van de ingang van Hamath, tot aan de zee van het vlakke veld; naar het woord des HEEREN, de God van Israël, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Jona, de zoon van Amitthai, de profeet, die van Gath-hefer was”. En dat terwijl in Jona 1 : 1 geschreven staat: “En het woord des Heeren geschiedde tot Jona, de zoon van Amitthai, zeggende…”. Ook in Jona gaat het om de profeet die een zoon van Amitthai is! En de geschiedenis van 2 Kon. 14 : 25 speelt zich af rond ca. 826 v.Chr. [9]. Een ontstaansdatum van het boek Jona ergens tussen 826 en 760 v. Chr. ligt dus veel meer voor de hand [10].


Ninevé meer dan 100 jaar later alsnog verwoest

Maar dan blijkt dus dat Ninevé later (612 v. Chr.) alsnog verwoest is. Toch heeft daar dan meer als 100 jaar tussen gezeten. De stad, die in de tijd van Jona tot bekering kwam, is dus weer vervallen tot afgoderij, en is uiteindelijk alsnog verwoest. Zo zien we dat Nahum in ca. 713 v. Chr. alnog de verwoesting van Ninevé aankondigde [11]. In Nah. 3 : 1, 4 en 5a lezen we: “Wee de bloedstad, die gans vol leugen, en verscheuring is! de roof houdt niet op. (…) Om de grote hoererijen van de zeer bevallige hoer, de meesteres der toverijen, die met haar hoererijen volken verkocht heeft, en geslachten met haar toverijen. Ziet, Ik wil aan u, spreekt de Heere der heerscharen…”.


Jona is geschreven in de derde persoon, nou en?

Maar waarom wil men een andere schrijver dan Jona zelf? Is het omdat Jona in de derde persoon geschreven is? Jona, schrijft niet: “Het woord des Heeren geschiedde tot mij…”, maar: “Het woord des Heeren geschiedde tot Jona…”. De geschiedenis wordt over Jona geschreven. Maar dat hoeft geenszins een belemmering te zijn voor het feit dat Jona dit zelf geschreven heeft. Het is Mozes, die de eerste vijf Bijbelboeken door Gods inspiratie geschreven heeft, die in Num. 12 : 3 uitspreekt: “Doch de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen, die op de aardbodem waren”. Overigens diezelfde Mozes schreef, door de Heere geïnspireerd, dat zijn vrouw in Ex. 4 : 25 tegen hem zegt: “…Voorwaar, gij zijt mij een bloedbruidegom”. Zo lezen we dat de Heere over Zichzelf in Joh. 17 : 3 zegt: “En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt”. En dit komt veel vaker in de Bijbel voor, en kan geen reden zijn om te ontkennen dat Jona het boek zelf, onder leiding van Gods Geest, geschreven heeft.


Wil men onnauwkeurigheid suggereren?

Maar ja, wanneer een geschiedenis tweehonderd tot driehonderd jaar later is opgeschreven, en niet door de profeet zelf, dan zijn wij mensen al gauw geneigd te denken dat de grote lijnen van de geschiedenis wel zullen kloppen, maar dat er ook onjuistheden in kunnen zitten! En dan laten we nu bewust de inspiratie van Gods Woord door Hemzelf even achterwege. We kijken nu puur naar het menselijke aspect. En dan zie je bijvoorbeeld dat het NBG ook de grootte van de stad Ninevé, zoals Jona dat in Gods Woord beschrijft, in twijfel trekt. Jona geeft in Jona 3 : 3 aan dat de stad in grootte drie dagreizen is. Of dit in doorsnee is of in omtrek, staat er niet bij. Maar het NBG doet hier de volgende uitspraak over:

“De datering maakt de aandacht voor de stad Nineve bijzonder. Nineve was de hoofdstad van het Assyrische Rijk (elfde tot zevende eeuw v.Chr.), maar toen de Babyloniërs opkwamen verwoestten zij in 612 v.Chr. de stad. Het historische Nineve had een redelijke grootte, maar de reusachtige omvang waar het boek Jona over spreekt (‘ter grootte van drie dagreizen’, Jona 3:3) lijkt vooral een echo uit een legendarisch verleden” [12].

Allereerst valt op dat men zelf de aandacht voor Ninevé bijzonder vindt, daar de stad sinds 612 v.Chr. verwoest is, en de ontstaansdatum van het boek Jona de vijfde tot derde eeuw v.Chr. zou zijn. Dit zou voor hen een reden moeten zijn om terug te keren tot wat Gods Woord zegt, en te accepteren dat de Jona van 2 Koningen 14 dezelfde Jona is, als die van het boek Jona! En ook dat hij het boek zelf geschreven heeft! Maar nee, men blijft bij de leugen, dan maar een tegenstrijdigheid in Gods Woord, want ja, dat Woord bestaat toch uit tegenstrijdigheden! Dat is wat men tegenwoordig aanneemt tenminste… We zien hier echter hoe men doelbewust Gods Woord als waarheid ter zijde heeft geschoven, en zo van de ene leugen in de andere leugen vervalt. Zoals men de Heere Jezus een legende noemt [13], zo noemt men hier de grootte van de stad ook legendarisch. En dat terwijl zelfs wereldse bronnen aangeven dat de Bijbelse grootte van Ninevé overeenkomt met het oude Ninevé [14]. Met andere woorden: men bedenkt allerlei redenen om Gods Woord tegen te spreken, en om Gods Woord te vermengen met heidense filosofie en religies. Redenen die, aangetoond, leugens zijn! En wij zien opnieuw dat, door te laten staan wat er staat, de Bijbel Zichzelf geenszins tegenspreekt. Gods Woord is waar!


Werd Jona in de vis bewaard?

Maar laten we dan eens naar bronnen kijken die door velen Bijbelgetrouw genoemd worden, of die zichzelf Bijbelgetrouw noemen. En dan kijken we meteen naar een ander onderdeel uit de geschiedenis van Jona.

Toen Jona overboord gegooid werd, beschikte de Heere een grote vis, die Jona opslokte. Doorsnee neemt men dan aan dat Jona in de grote vis leefde, en zo door God bewaard werd. In de “Scofield Study Bible” lezen we bijvoorbeeld:

“Het historische karakter van de man Jona wordt gewaarborgd door Jezus Christus (Matth. 12 : 39 – 41), net zoals zijn bewaring in de grote vis, dat een teken of type was van de begrafenis en opstanding van onze Heere” [15].

Volgens Scofield bewaarde de Heere Jona in de vis. En dat is eigenlijk de meest gehoorde uitleg bij dit Schriftgedeelte. In Matth. 12 : 40 zien we dan dat de Heere Jezus aangeeft dat het om een walvis gaat: “Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten was in de buik van de walvis,…”. En daar begint dan weer de discussie, want, is het redeneren: een walvis kan geen mens levend opslokken en weer levend uitspugen. Gods Woord zal wel verkeerd zijn. En verschillende varianten van gewoon “een grote vis” (in ieder geval geen walvis!), tot een “oermonster” tot een soort “haai” doen de ronde, om dan het Bijbelverhaal voor het menselijk brein weer “kloppend” te maken. Zo was in “Bijbel en Wetenschap”, nog voordat de redactie van deze uitgave de onfeilbaarheid van de Schrift bewust losliet (ergens rond 2000), een artikel te lezen waarin men een pleidooi hield voor de historiciteit van Jona (uitgave mei 1998). Men wilde aantonen dat Jona weldegelijk echt gebeurd was. Daar is op zich niets mis mee. Maar… was het uitgangspunt wel goed? Want men schreef:

“Een walvis, een potvis, komt als menseneter niet in aanmerking, omdat hij ademt met behulp van een luchtpijp en longen, terwijl z’n keelgat en slokdarm ongeschikt zijn om een mens levend in te slikken. Eenmaal is dat ook waargenomen. Een walvisvaarder sloeg overboord en werd opgeslokt door een potvis. Toen hij later uit de zo snel mogelijk gevangen potvis gesneden werd, was hij al gestikt” [16].

En verderop:

“De grote witte haai of mensenhaai (Carcharodon carcharias) komt naast andere haaiensoorten het meest in aanmerking vanwege z’n grootte en gedrag. Een mensenhaai van 6 meter kan een mens in z’n geheel inslikken. Er zijn waarnemingen van exemplaren van 9 en zelfs 12 meter lengte. (…) In de jaren vijftig werd er bij Atjeh een visser opgeslokt door een haai. Toen ze de haai later vingen en opensneden, kwam de man er levend en wel uit” [17].

Allerlei eigenschappen, van koudbloedig dier, langzame spijsvertering tot het inslikken van luchtbellen, worden aangehaald om te laten zien dat deze haai Jona levend ingeslikt kan hebben, en levend uitgespuugd kan hebben [18]. En de conclusie luidt:

“Het wonder van Jona is niet ‘ontwonderd’, maar wel veel realistischer geworden” [19].

Maar nu is de Bijbelse geschiedenis acceptabel gemaakt, door Gods Woord te veranderen! En de vraag is: is het uitgangspunt wel goed? Want was Jona wel levend in de buik van de grote vis?


De Bijbel zegt: Jona stierf in de vis, maar leefde weer!

Laten we eens lezen in Jona. Inderdaad lezen we in Jona 2 : 1: “En Jona bad tot de Heere, zijn God, uit het ingewand van de vis”. Maar is dat toen hij net ingeslikt was, is dat gedurende de drie dagen en drie nachten, of is dat vlak voordat hij weer uitgespuugd wordt? Als we Jona 2 verder lezen, dan blijkt namelijk dat Jona overleden is. In vers 2 lezen we reeds over het graf: “En hij zeide: Ik riep uit mijn benauwdheid tot de Heere, en Hij antwoordde mij; uit de buik van het graf schreide ik, en Gij hoordet mijn stem”. En vervolgens lezen we in vers 6: “Ik was neergedaald tot de gronden der bergen; de grendels der aarde waren om mij heen in eeuwigheid; maar gij hebt mijn leven uit het verderf opgevoerd, o Heere, mijn God!”. We zien hier dat Jona afdaalt tot de “gronden der bergen”, de Bijbel laat ook wel zien dat de hel zich in de aarde bevindt (zie bijv. Amos 9 : 2), ook spreekt Gods Woord wel van de “put van de afgrond” (Openb. 9 : 1). Wanneer we daar de geschiedenis van de rijke man en de arme Lazarus bij betrekken (Luk. 16 : 19 – 31), dan weten we dat er niet alleen een hel is in de aarde, maar ook een Paradijs of Abrahams schoot, waar zielen van mensen bij volle bewustzijn zijn. Voor deze laatste geldt dat dat in ieder geval ten tijde van de Wet en het Oude Testament zo was. De Bijbel laat zelfs zien dat de hel poorten heeft. Tegen Petrus zegt Jezus: “de poorten der hel zullen haar niet overweldigen” (Matth. 16 : 18). En de Heere Jezus heeft “de sleutels van de hel en van de dood” zegt Openb. 1 : 18. Wanneer we dan lezen dat Jona bidt dat “de grendels der aarde waren om mij heen in eeuwigheid” (Jona 2 : 6), dan weten we dat hij lichamelijk gestorven was, en dat hij afgedaald was in het hart van de aarde, en daar bij volle bewustzijn dingen heeft meegemaakt, en daarover nu tot God bidt, drie dagen en drie nachten nadat de vis hem opgeslokt heeft, en de Heere hem weer opgewekt heeft. Want Jona was in het hart der aarde, maar hij leeft weer! Waarom bidt hij dit bij zijn opstanding? Omdat we lezen in vers 9 en 10: “Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is des Heeren. De Heere nu sprak tot de vis; en hij spuwde Jona uit”. En Jona kreeg van de Heere de opdracht om opnieuw naar Ninevé te gaan, en dat deed hij “naar het Woord des Heeren” (Jona 3 : 3).


Wat er met Jona gebeurde was profetisch!

Maar dan zijn we bij de essentie van de zaak gekomen: Want gaat het erom dat het een wonder was, dat niet ontwonderd moet worden? Of gaat het hier om nog iets anders? De “Jongerenbijbel” schrijft over het boek Jona:

“Het is geen profetie, maar een kort verhaal over een profeet” [20].

Deze bewering is wel heel triest als we de woorden van de Heere Jezus bekijken! Jona is inderdaad een geschiedenis van en over een profeet. Maar het boek is weldegelijk profetisch! De Heere Jezus zegt in Matth. 12 : 39 – 41 het volgende: “Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, de profeet. Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten was in de buik van de walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde. De mannen van Ninevé zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen het veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona; en ziet, meer dan Jona is hier!”. Wat er met Jona gebeurd is, wijst profetisch heen naar wat de Heere Jezus zou gaan doen! Ja, wat er met Jona gebeurd is, was een teken voor de mensen in de dagen van Jezus. Want de Heere Jezus zou weliswaar sterven, maar Hij zou opstaan uit de dood! Ook zien we een verschil met Jona. Jona stierf als zondig mens. En wat lezen we in Jona 2 : 6: “maar gij hebt mijn leven uit het verderf opgevoerd, o Heere, mijn God!”. Jona’s lichaam was aan het vergaan! Maar God deed hem opstaan uit de dood, deed hem opstaan uit het verderf. Bij de Heere Jezus, Die Zelf zonder zonde was (2 Kor. 5 : 21), lezen we wat anders in Hand. 2 : 27 en 31: “Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch zult Uw Heilige overgeven, om verderving te zien. (…) Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien”. De Heere Jezus is gestorven, maar omdat Hij zonder zonde was, heeft Zijn lichaam geen verderf gezien! En dat is een groot contrast met de geschiedenis van Jona. Jona kon dan ook niet sterven voor de zonde van alle mensen. Dat kon alleen de Heere Jezus. De Heere Jezus is echter, net als Jona, drie dagen en drie nachten in het hart van de aarde geweest. Hij is in die plaats met poorten geweest, die met grendels afgesloten is (Jona 2 : 6; Matth. 16 : 18). Maar Hij heeft de sleutels van de hel en van de dood, Hij heeft de dood overwonnen. In Openb. 1 : 17b en 18 lezen we: “…Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste; En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels van de hel en van de dood”. En Jona is de enige Oudtestamentische profeet die daar een voorafschaduwing van heeft mogen geven. Hoezo niet profetisch…?!


De Theologie ontkracht de Opstanding van de Heere Jezus!

Wanneer men nu beweert dat Jona een vis nodig had, waarin hij heeft kunnen overleven, dan ontwondert men alsnog het wonder van Jona, want hij is niet door een vis gered, maar hij is uit de dood teruggekeerd(!), maar ook “ont-tekent” men het “teken van Jona”. Want Jezus Christus heeft het kruis niet overleefd, maar Hij is voor onze zonden gestorven aan het kruis van Golgotha. Hij heeft de straf op de zonde, de dood, voor ons weggedragen. En wonder boven wonder: Hij is na drie dagen en drie nachten opgestaan uit de dood!



[1]  ‘NBV Studiebijbel’, NBG, KBS, Uitgeverij Jongbloed, Heerenveen, 2010 (2e druk), blz. 1857.
[2]  ‘NBV Studiebijbel’, NBG, KBS, Uitgeverij Jongbloed, Heerenveen, 2010 (2e druk), blz. 2043.
[3]   ‘Jongerenbijbel, met de tekst van de Nieuwe Bijbelvertaling’, Nederlands Bijbelgenootschap en Evangelische Omroep, Uitgeverij NBG, Heerenveen, 2006, blz. (OT)1153.
[4]  ‘NBV Studiebijbel’, NBG, KBS, Uitgeverij Jongbloed, Heerenveen, 2010 (2e druk), blz. 1403.
[5]  ‘Ruckman Reference Bible’, Dr. Peter. S. Ruckman, BB Bookstore, Pensacola, Florida, USA, 2009, blz. 1451.
[6]  Zie bijv.: ‘Jehovah of Jahweh?’, Arjan Huurnink, bron: www.bijbelengeloof.com, of de Bijbelstudie: ‘Geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende’.
[7]  ‘NBV Studiebijbel’, NBG, KBS, Uitgeverij Jongbloed, Heerenveen, 2010 (2e druk), blz. 1406.
[8]  ‘Nineveh’, The Free Encyclopedia, bron: http://en.wikipedia.org/wiki/Nineveh.
[9]  ‘Ruckman Reference Bible’, Dr. Peter. S. Ruckman, BB Bookstore, Pensacola, Florida, USA, 2009, blz. 572.
[10] ‘Ruckman Reference Bible’, Dr. Peter. S. Ruckman, BB Bookstore, Pensacola, Florida, USA, 2009, blz. 1187.
[11] ‘Ruckman Reference Bible’, Dr. Peter. S. Ruckman, BB Bookstore, Pensacola, Florida, USA, 2009, blz. 1198.
[12] ‘NBV Studiebijbel’, NBG, KBS, Uitgeverij Jongbloed, Heerenveen, 2010 (2e druk), blz. 1403.
[13] Zie de studie: ‘Legende of werkelijkheid?, Arjan Huurnink, bron: www.bijbelengeloof.com.
[14] ‘Nineveh’, The Free Encyclopedia, bron: http://en.wikipedia.org/wiki/Nineveh.
[15] ‘Scofield Study Bible’, Rev. C. I. Scofield, D.D., Oxford University Press, New York, 1909, blz. 943.
[16] ‘Jona en de grote vis: fabel of realiteit’, Drs. H.R. Murris, Bijbel en Wetenschap, Amersfoort, mei 1998, blz. 89, 90.
[17] ‘Jona en de grote vis: fabel of realiteit’, Drs. H.R. Murris, Bijbel en Wetenschap, Amersfoort, mei 1998, blz. 90.
[18] ‘Jona en de grote vis: fabel of realiteit’, Drs. H.R. Murris, Bijbel en Wetenschap, Amersfoort, mei 1998, blz. 90.
[19] ‘Jona en de grote vis: fabel of realiteit’, Drs. H.R. Murris, Bijbel en Wetenschap, Amersfoort, mei 1998, blz. 90.
[20] ‘Jongerenbijbel, met de tekst van de Nieuwe Bijbelvertaling’, Nederlands Bijbelgenootschap en Evangelische Omroep, Uitgeverij NBG, Heerenveen, 2006, blz. (OT)1152.