Blue Flower

Staat de “Kerk”geschiedenis in de Bijbel?
Een inleiding




De bedelingen

Op deze site wordt uitgebreid stilgestaan bij de Bijbelse studiemethoden. Gods Woord moet op een rechte manier verdeeld worden, om niet beschaamd uit te komen (2 Tim. 2 : 15). Het verdelen van Gods Woord vindt zijn oorsprong in het feit dat God in de geschiedenis op verschillende manieren met de mens handelt. Wanneer we de Bijbel op een rechte manier verdelen, dan zien we dat Gods Woord niet vol met tegenstrijdigheden staat, zoals men vaak beweert. De Bijbel is één geheel, in de Bijbelse geschiedenis zien we ontwikkeling.

De Bijbel is een geschiedenisboek. De Bijbel geeft veel feiten over de geschiedenis van de wereld, van de volken en van het volk Israël. De Bijbel geeft veel feiten over de Heere Jezus Christus. Alle profetieën over Hem gedaan, over Zijn eerste komst naar de aarde, zijn 100 % in vervulling gegaan. De Bijbel is WAAR! Zo laat de Bijbel ook veel zien over de tijd waar wij momenteel in leven: de Gemeente-tijd; maar ook over de toekomst. De Bijbel spreekt over de Opname, over de Grote Verdrukking, het Duizendjarig Vrederijk en de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Het profetische Woord is ZEER VAST (2 Petr. 1 : 19) en zal ook met betrekking tot deze onderwerpen voor 100 % in vervulling gaan.

Wat bij velen niet bekend is, is dat de Bijbel ook een profetische beschrijving geeft van de “kerk”geschiedenis in de Gemeente-bedeling. De Bijbel bewijst Zichzelf. Gods Woorden komen 100 % uit. Aangezien wij in het jaar 2011 aan het eind van de Gemeente-bedeling leven, kunnen we heel duidelijk zien hoe die profetische beschrijving in Gods Woord daadwerkelijk is gekomen. En dat is wat we in de serie studies over de kerkgeschiedenis willen uitwerken: De “kerk”geschiedenis in het licht van de Bijbel.


Kerkelijke instituten en het Lichaam van de Heere Jezus

Het woord “kerk” is tussen aanhalingstekens geplaatst. Dat heeft een reden. De ware kerk (de King James 1611 spreekt over “church”, oftewel: kerk), de Gemeente (zoals we het in onze Nederlandse taal zeggen), bestaat uit wederom geboren gelovigen. Deze ware gelovigen bevinden zich niet in één ware kerk. Zij gaan naar verschillende kerken, groepen of gemeentes, of: soms gaan zij zelfs helemaal niet naar een kerk, groep of gemeente. De wederom geboren gelovigen vormen het Lichaam van de Heere Jezus (1 Kor. 12 : 13), de Gemeente. De “kerk”geschiedenis is een geschiedenis van kerken die ontstaan zijn uit allerlei bewegingen en stromingen. Deze officiële instituten hebben niets van doen met het Lichaam van de Heere Jezus. Het zijn maar instituten of gebouwen! En als we naar de leerstellingen van deze instellingen of instituten kijken dan is anti-kerkgeschiedenis eigenlijk een betere naam voor de “kerk”geschiedenis. Want, wat door theologen in boeken geaccepteerd wordt als kerkgeschiedenis, gaat vaak lijnrecht in tegen Gods Woord, en tegen de Bijbelse Gemeente/Kerk. Eigenlijk is de beschrijving van de officiële “kerk”geschiedenis de beschrijving van de geschiedenis die de Gemeente van Christus probeert te vernietigen! Zo wordt de Rooms-katholieke Kerk altijd als fase in de “kerk”geschiedenis beschreven. In de Middeleeuwen was zij de kerk, zegt men! Zij was echter wel de officiële kerk in die tijd, maar had niets van doen met de Gemeente van Jezus Christus, de ware kerk zo gezegd. Het was de Rooms-Katholieke Kerk die Bijbelgelovige Christenen in de Middeleeuwen (en daarma) vervolgde en ter dood bracht. In deze serie studies zullen we meer van deze voorbeelden zien.

De Bijbel geeft dus een profetische beschrijving van de anti-kerkgeschiedenis, in deze bundel aangegeven als “kerk”geschiedenis. Deze beschrijving vinden we in Openbaring 2 en 3.


Lokale gemeenten in de Grote Verdrukking

De indeling van de Bijbel wordt besproken in de studie "De indeling van de Bijbel". Daaruit blijkt dat de boeken Hebreeën tot en met Openbaring niet voor niets aan het eind van de Bijbel staan. Deze boeken zijn leerstellig geschreven aan mensen in de Grote Verdrukking. Dit is in eerste instantie heel moeilijk te begrijpen, met name omdat Openbaring in de eerste drie hoofdstukken spreekt over de gemeente. Het betreft echter wel lokale gemeenten, die besproken worden. Dit plaatst deze lokale gemeenten (Openb. 1 : 11, 20; 2 : 1, 8, etc.) echter wel in de Grote Verdrukking. Terwijl de Bijbel toch zegt dat de Gemeente opgenomen wordt! Inderdaad de Gemeente, het Lichaam van de Heere Jezus Christus (en dat is geen lokale gemeente!) zal voor de Grote Verdrukking opgenomen worden (1 Thess. 1 : 10; 4 : 13 – 18). Echter velen zullen na de Opname nog tot geloof komen (Openb. 7 : 9 – 17). Openb. 7 : 9 spreekt over “een grote schare, die niemand tellen kon”, en vers 14 zegt wie dat zijn: “…Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed van het Lam”. Deze mensen zullen ook in de Grote Verdrukking samenkomen om Gods Woord te bestuderen, net als wij dat nu, in de Gemeente-bedeling, doen. Met andere woorden, ook al zullen zij geen onderdeel zijn van het Lichaam van Christus, zij zullen in de Grote Verdrukking deel uitmaken van de lokale gemeente waar zij wonen. Wanneer we in deze studie verschillende passages uit Gods Woord langsgaan, zullen we overtuigd raken van het feit dat de lokale gemeenten van Openbaring 2 en 3, leerstellig gezien, betrekking hebben op lokale gemeenten tijdens de Grote Verdrukking!


Drie toepassingen van de teksten

Dat wil niet zeggen dat Openbaring 1 – 3 ons niets te vertellen heeft! Voordat we deze passages zullen gaan bekijken, de voorbeelden van het feit dat Openbaring 1 – 3 betrekking heeft op de Grote Verdrukking, moeten we eerst nog bij iets belangrijks stilstaan. Wanneer we de Bijbel lezen, moeten we ons namelijk bewust zijn dat alle teksten in de Bijbel drie toepassingen hebben:

  1. Ten eerste hebben we de historische toepassing. Wat geschreven staat is in het verleden gebeurd, precies zoals het er staat.
  2. Ten tweede heeft elk vers in de Bijbel een leerstellige betekenis! Elk vers in de Bijbel is gericht aan een specifiek persoon (Jood, heiden, Gemeente), met een specifieke reden, om een specifieke waarheid te leren.
  3. Ten derde heeft elk vers een geestelijke toepassing. Omdat “al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot weerlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is” (2 Tim. 3 : 16), heeft elk vers van de Bijbel een geestelijke toepassing, waarmee mensen onderwezen en gecorrigeerd kunnen worden.


Alhoewel een vers in de eerste plaats hoofdzakelijk een leerstellige betekenis heeft, heeft het ook een geestelijke betekenis. Vaak haalt men dit door elkaar, en neemt men een passage, die wel degelijk een geestelijke betekenis heeft, en leert dat dan als ‘Christelijke leer’. Dit is echter fout, want niet alles in de Bijbel is leerstellig van toepassing op de Gemeente. De Heere Jezus gaf de discipelen opdracht doden op te wekken, wederom geboren Christenen doen dat niet (merktekenen van een apostel, 2 Kor. 12 : 12). Jezus gaf de discipelen opdracht alleen Israël te evangeliseren, Christenen hebben die opdracht niet. Mozes vertelde het volk zich te onthouden van varkensvlees, Christenen eten echter wel varkensvlees. Niet alles is op iedereen van toepassing! Daarom moeten we Gods Woord, zoals gezegd, recht snijden/verdelen (2 Tim. 2 : 15). Dat Openbaring 1 – 3 leerstellig op gelovigen van de Grote Verdrukking betrekking heeft, wil dus niet zeggen dat wij er geen geestelijke les uit kunnen leren.

Nu kunnen we dit ook op Openbaring 1 – 3, en de lokale gemeenten die daarin voorkomen, toepassen:

  1. Historisch gezien is Openbaring 1 – 3 gericht aan zeven lokale gemeenten in Klein Azië in 90 na Chr., de tijd dat Johannes gevangene was op het eiland Patmos.
  2. Geestelijk gezien kunnen de passages toegepast worden op lokale gemeenten van bijvoorbeeld deze tijd (we kunnen er lessen uithalen), en tevens geeft de beschrijving van de gemeenten in Openb. 2 en 3 PROFETISCH een beeld van de geschiedenis van de Gemeente-bedeling vanaf de eerste komst van Jezus Christus tot aan Zijn tweede komst.
  3. Leerstellig gezien, wanneer we duiken in de exacte, specifieke, absolute leerstellige betekenis van deze hoofdstukken, hebben zij bijna zeker een toepassing op lokale gemeenten in de Grote Verdrukking. En daarvan volgen hieronder de bewijzen.



Openbaring 1 : 9, het Koninkrijk breekt aan

In Openbaring 1 : 9 vinden we een verwijzing naar het Koninkrijk, wat in de context een letterlijk Koninkrijk op aarde is. Openb. 1 : 7 spreekt over de komst van Jezus en ‘alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven’. Johannes spreekt hier niet over de Gemeente-bedeling, maar over een periode waarin mensen de Messias op aarde zien komen om een letterlijk Koninkrijk te stichten. Dat is het einde van de Grote Verdrukking, dat is Jezus’ Tweede Komst, en niet het tegemoetkomen in de lucht om Zijn Gemeente Thuis te halen met de Opname.


Openbaring 2 : 7, de boom des levens

Een ander voorbeeld. Openbaring 2 : 7 zegt: “Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van de boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is.” Hier lezen we over de belofte voor de overwinnaar, dat hij mag eten van de boom des levens. Weet u waarom mensen van deze boom eten? Om eeuwig leven te krijgen. Dat lezen we in Genesis 3 : 22: “Toen zeide de Heere God: Ziet de mens is geworden als Onzer een, kennende het goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke, en neme ook van de boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid”. Niemand van ons heeft het nodig om van de boom des levens te eten, wij hebben ons eeuwig leven ontvangen van Jezus Christus (Joh. 3 : 15, 16; 2 Kor. 5 : 21; 1 Joh. 4 : 9). Wij hebben het eeuwige leven nu reeds in ons bezit. En als Gemeente zullen we straks opgenomen worden en gelijk worden aan het heerlijk Lichaam van Jezus Christus. Met andere woorden, in de Grote Verdrukking is de Gemeente weg, is dan reeds verenigd met Jezus Christus. De mensen die dan tot geloof komen, zullen moeten volharden in het geloof, zullen moeten overwinnen (element van werken centraal!), en wanneer zij dan behouden worden, zijn zij geen deel van het Lichaam van Christus, maar krijgen op de nieuwe aarde deel aan de boom des levens (zie ook de studies "Het behoud in verschillende bedelingen"). De mens werd na de zondeval door God van deze boom gescheiden, zodat de zondige mens niet voor eeuwig zou leven. Op de nieuwe aarde is deze boom echter terug. Openbaring 22 : 2: “In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde der rivier was de boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijn vrucht; en de bladeren van de boom waren tot genezing der heidenen.” En wat lezen we dan verderop in vers 14: “Zalig zijn zij, die Zijn geboden doen [werken!!!], opdat hun macht zij aan de boom des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad.” Dit is totaal anders dan wat van de Gemeente(-bedeling) geschreven is. Hier staan werken centraal. Mensen hebben niet door het geloof in Christus het eeuwige leven, maar moeten ervoor werken (de Gemeente niet(!): Gal. 3 : 10), en krijgen dan deel aan de boom des levens. Zij wonen niet in het hemelse Jeruzalem (de gelovige in het Lichaam van Christus wel! Joh. 14 : 2 en 2 Kor. 5 : 1), maar mogen ingaan. Zo ziet u allerlei verschillen voor de mens op de nieuwe aarde. Zo zal dus de gelovige uit de Grote Verdrukking, na overwinning, ook deel krijgen aan de boom des levens. Hier zullen we nog op terugkomen.


Openbaring 2 : 26, tot het einde toe

In Openbaring 2 : 26 vinden we het volgende: “En die overwint, en die Mijn werken tot het einde toe bewaart, Ik zal hem macht geven over de heidenen.” Deze passage lijkt heel veel op Matthéüs 24 : 13. “Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.” Waar in de Bijbel ‘het einde’ wordt genoemd, wordt altijd verwezen naar de tweede komst van Jezus Christus aan het einde van de Grote Verdrukking, het gaat nooit om het einde van iemands individuele leven. Zie de context van dit gedeelte maar: Matth. 24 : 14, 21. (Hetzelfde geldt voor Hebr. 3 : 14: “Want wij zijn Christus deelachtig geworden, zo wij tenminste het beginsel van deze vaste grond tot het einde toe vasthouden.”) Hier zien we dus letterlijk, in de Bijbelse context van Matth. 24, dat werken in de Grote Verdrukking weer belangrijk gaan worden. Hetzelfde aspect komen we hier in Openbaring 1 – 3 tegen, terwijl we van de Gemeente in de Gemeente-bedeling weten dat werken onder geen enkel beding belangrijk zijn voor het behoud! Maar de tekst Openb. 2 : 26 ging toch over beloning en niet over behoud? Maar zoals we reeds gezien hebben ging Openb. 2 : 7 wel over behoud! Evenzo 2 : 11, 3 : 5 en 3 : 16.


Openbaring 3 : 5, het boek des levens

Laten we Openb. 3 : 5 er eens bij nemen: “Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het boek des levens, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en Zijn engelen.” Hier staat dus een belofte voor iemand die overwint (werken!!!), dat Hij zijn naam niet uit het boek des levens zal uitdoen! Maar hier wordt dus tevens aangegeven dat de Heere wel degelijk namen wist uit het boek des levens. Wij weten dat de gelovigen uit de Gemeente-bedeling het eeuwige leven hebben in Jezus Christus, en nooit verloren zullen gaan. Wederom geboren gelovigen zullen dan ook deel hebben aan de eerste opstanding en voor de Rechterstoel van Christus verschijnen (1 Kor. 3 : 15, 2 Kor. 5 : 10), en niet voor de Grote Witte Troon. Echter het is “de mensen gezet, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel” (Hebr. 9 : 27). Voor welk oordeel komen de mensen die in de Grote Verdrukking tot geloof komen? Juist voor de Grote Witte Troon. Vandaar, dat Openb. 11 : 18 het volgende zegt: “En de volken waren toornig geworden, en Uw toorn is gekomen, en de tijd der doden, om geoordeeld te worden, en om het loon te geven aan Uw dienstknechten, de profeten, en de heiligen, en hun, die Uw Naam vrezen, de kleinen en de groten; en om te verderven degenen, die de aarde verdierven.” Vandaar dat bij de Grote Witte Troon (Openb. 20 : 15) ook het boek des levens geopend wordt. Degene, die in de Grote Verdrukking overwint, zal dus niet gewist worden uit het Boek des Levens!


Praktische of geestelijke lessen voor ons

Zo wordt duidelijk hoe Openb. 1 – 3 leerstellig betrekking heeft op mensen in de Grote Verdrukking! Dat houdt niet in, dat wij geen lessen uit deze passages mogen leren in geestelijk of praktisch opzicht. Die lessen zijn er wel degelijk. Als het bijvoorbeeld gaat om het houden van de eerste liefde, of als het gaat om het bewaren van Gods Woord en het niet verloochenen van de Naam van Jezus, het zijn allemaal onderwerpen die ook voor ons van belang zijn! Alleen wij moeten ons op grond van bovenstaande voorbeeldteksten geen onzekerheid in het geloof laten aan praten, want leerstellig gezien hebben we hier te maken met de Grote Verdrukking en niet met de Gemeente-bedeling!


De ontwikkeling van de “kerk”geschiedenis in Openbaring 2 en 3?

Op twee plaatsen in het boek Openbaring gaat de hemel open. Openbaring 4 : 1 – 2: “Na dezen zag ik, en ziet, een deur was geopend in de hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, als van een bazuin, met mij sprekende, zeide: Kom hier op, en Ik zal u tonen, hetgeen na dezen geschieden moet. En terstond werd ik in de geest; en ziet, er was een troon gezet in de hemel, en er zat Een op de troon.” De hemel gaat open en iemand, Johannes, wordt opgenomen. In Openb. 4 kunnen we dan lezen over de Verheerlijkte Gemeente (de Opgenomen Gemeente), die in de hemel aanwezig is. We lezen dat aan de hand van de vierentwintig ouderlingen (Openb. 4 : 4), die zingen dat zij door het Lam gekocht zijn, door Zijn bloed, “uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie” (Openb. 5 : 9). Vervolgens gaat de hemel weer open in Openb. 19 : 11 en Jezus Christus komt naar de aarde: “En ik zag de hemel geopend; en ziet, een wit paard, en Die erop zat, was genaamd Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert krijg in gerechtigheid.” Dit verdeelt het boek vrij duidelijk in drie delen. Indien er nog enige twijfel over die drie delen bestaat, kijkt u dan eens naar Openb. 1 : 19, waar staat: “Schrijf, hetgeen gij gezien hebt [verleden tijd], en hetgeen is [tegenwoordige tijd], en hetgeen geschieden zal na dezen [toekomende tijd]”. Verleden – heden – toekomst. De tegenwoordige tijd is voor Johannes hoofdstuk 5 – 18. Deze hoofdstukken gaan over de Grote Verdrukking. Johannes was opgenomen tot op de Dag des Heeren (de Grote Verdrukking, zie Jesaja 13 en Joël 2) [1]. In Openb. 1 : 10 staat: “En ik was in de geest op de dag des Heeren; en ik hoorde achter mij een grote stem, als van een bazuin”. Johannes is door de Heilige Geest opgenomen in een toekomstige tijd. “Zijn tegenwoordige tijd” is nu nog toekomst! En in “zijn tegenwoordige tijd”, krijgt hij de opdracht om te schrijven: “Schrijf, hetgeen gij gezien hebt [verleden tijd], en hetgeen is [tegenwoordige tijd, voor Johannes op dat moment de Grote Verdrukking], en hetgeen geschieden zal na dezen [toekomende tijd]” (Openb. 1 : 19). Johannes schrijft met de periode van de Gemeente achter zich, het verleden (de geestelijke toepassing, het POFETISCH BEELD van Openb. 1 – 3), terwijl hijzelf zich in de Grote Verdrukking bevindt, het heden (Openb. 5 – 18), en terwijl het Duizendjarig Vrederijk en de nieuwe hemel en de nieuwe aarde nog toekomst zijn (Openb. 19 – 22)! Het boek verdeelt zich dus in drie logische verdelingen:

  1. De Gemeente-bedeling, hoofdstuk 1 – 3/4. Gaat over de gemeente in de Gemeente- bedeling. Denk echter aan de eerder gemaakte opmerkingen.
  2. De Grote Verdrukking, hoofdstuk 5 – 18. Gaat over de Jood in de Grote Verdrukking.
  3. Het Duizendjarig Vrederijk en het eeuwige Koninkrijk, hoofdstuk 19 – 22. Gaat met name over de positie van de heidenen (de volkeren) in de eeuwigheid.


Openbaring 2 en 3 geven dus een profetische kijk in de ontwikkeling van de Gemeente-tijd. Eigenlijk moeten we zeggen: de ontwikkeling van de gemeenten, met kleine letter en meervoud! Want het gaat om de kerkelijke geschiedenis, en niet om de Gemeente, het lichaam van de Heere Jezus. Het Lichaam van de Heere Jezus leeft (Ef. 2 : 1, 5) en is niet dood, zoals bijvoorbeeld van Sardis geschreven staat in Openb. 3 : 1. De Heere zal Zijn Gemeente, Zijn Lichaam niet uitspuwen, zoals van Laodicéa geschreven staat (Openb. 3 : 16). Maar Hij zal de Zijnen tot zich nemen (de Opname), en de gemeente met kleine letter, de kerk, uitspuwen! De Gemeente van Jezus Christus bestaat vandaag de dag uit alle wedergeborenen door alle lokale gemeenten heen. Zij vormen het Lichaam van de Heere, maar zij bevinden zich ook vandaag de dag in lokale gemeenten, lokale kerken, en de ontwikkeling van deze gemeenten of kerken vinden we in Openb. 2 en 3.


Zeven kerkelijke perioden

We zien dat er in Openbaring 2 en 3 zeven brieven aan zeven gemeenten geschreven worden. Er zijn dus zeven kerkelijke perioden beschreven door de Heere. We zullen in een aantal studies deze perioden bespreken. Stromingen als Rooms-katholicisme, Protestantisme, maar ook de Pinkstergemeenten en de Gemeente-groeibeweging komen aan de orde. Ook wordt stilgestaan bij de ontwikkeling van de vertalingenkwestie, die niet los te koppelen is van de ontwikkeling van de “kerk”geschiedenis. Tevens komen andere onderwerpen aan de orde, zoals symboliek, Avondmaal, doop, en diverse “christelijke” tradities.


[1] De dag des Heeren is dus niet de zondag, zoals men vaak beweert. Nergens in de Schrift wordt de zondag de dag des Heeren genoemd! Dit is door de Rooms-katholieke Kerk ingevoerd, en sindsdien probeert men daar “bewijzen” voor te vinden. Dit doet men dan vervolgens door de Schrift uit het verband te halen. Men gaat dan bijvoorbeeld naar “de” zogenaamde grondtekst, waar in het Grieks in Openb. 1 : 10 “Kuriakos” staat, wat verwijst naar de Heere Jezus, zoals bij het laatste Avondmaal (1 Kor. 11 : 20). In het Oude Testament, Jesaja bijvoorbeeld, is “van de Heere” het Hebreeuwse JHWH, en dat, stelt men, is wat anders dan “Kuriakos”. Dat dit de Schrift uit het verband is, is te bewijzen vanuit diezelfde zogenaamde grondtekst, waarmee men probeert aan te tonen dat het om de zondag gaat. Het feit dat het bijvoegelijk naamwoord “kuriakos” verder alleen bij het Avondmaal gebruikt wordt, en dat daarom de “dag van de Heere” op Jezus moet slaan, en vervolgens meteen tot de zondag benoemd wordt, is misleiding. “Kuriakos” is het bijvoegelijk naamwoord van het zelfstandig naamwoord “kurios”, wat op verschillende plaatsen in de Schrift toch echt verwijst naar God de Vader! Zie bijv. 2 Kor. 6 : 18 en Openb. 22 : 5. Ook Matth. 4 : 7 is een mooi voorbeeld. Daar wordt “kurios” gebruikt voor God de Vader, en het betreft een citaat uit het Oude Testament van Deut. 6 : 16 waar JHWH staat! Jezus Christus was waarlijk Mens, maar ook waarlijk God! Hij was God geopenbaard in het vlees: 1 Tim. 3 : 16. Inderdaad wordt “Kurios” dan ook gebruikt voor de Heere Jezus Zelf. Zie bijv. Joh. 21 : 16, Hand. 1 : 6 en Rom. 10 : 9. In Hand. 2 : 34 wordt “kurios” gebruikt voor zowel de Vader als de Zoon. Dat betekent dat het bijvoeglijk naamwoord “kuriakos” ook betrekking heeft op zowel de Vader als de Zoon! (Over het Avondmaal des Heeren gesproken: In 1 Kor. 10 : 21 wordt gesproken over de tafel des Heeren; de vorm die daar gebruikt wordt is “kurios”!). Met andere woorden: in Openb. 1 : 10 MOETEN wij “Dag des Heeren” laten staan, het betreft de Grote Verdrukking, die overgaat in het Duizendjarig Vrederijk, zoals beschreven in Openb. 4 – 20! Johannes heeft dit gezien en opgeschreven, volgens de opdracht van de Heere (Openb. 1 : 11, 19). In het Oude Testament is veel hiervan reeds geprofeteerd, vandaar dat Openbaring hier zo mooi op aan sluit. Jesaja en Joël bewijzen dit. De Bijbelse studiemethode is niet de grondbetekenissen van woorden opzoeken, maar Schrift met Schrift vergelijken. Daar komt bij dat de Heere Jezus ook een dag heeft in de Bijbel. Dat wordt de dag van Christus genoemd, en niet zondag! Zie 2 Thess. 2 : 2. Deze dag begint niet met de Grote Verdrukking, maar met “onze toevergadering tot Hem” (2 Thess. 2 : 1), dat is de Opname van de Gemeente (1 Thess. 4 : 13 – 18). Wanneer wij bij Hem zijn, zal over de aarde de Grote Verdrukking gaan (Openb. 4 – 18), daarna zullen wij met Hem terugkomen naar de aarde (Openb. 19), en zal de Heere Jezus Zijn Koninkrijk, het Duizendjarig Vrederijk, op aarde oprichten; wij zullen met Hem heersen (Openb. 20).  Dat is de dag van Christus! En niet de zondag!