Blue Flower

Het eeuwige leven als beloning voor goeddoen?



Inleiding

Zoals u bijvoorbeeld in de studies onder "Wat zegt de Bijbel over ons behoud?" hebt kunnen lezen, spelen werken en eigen rechtvaardigheid geen rol in het behoud voor de Gemeente van Jezus Christus. In Rom. 2 : 7 – 9 leest u echter: “Hun wel, die met volharding in goeddoen, heerlijkheid, en eer, en onverderfelijkheid zoeken, het eeuwige leven; Maar hun, die twistgierig zijn, en die de waarheid ongehoorzaam, doch de ongerechtigheid gehoorzaam zijn, zal verbolgenheid en toorn vergolden worden; Verdrukking en benauwdheid over alle ziel des mensen, die het kwade werkt, eerst van de Jood, en ook van de Griek”. D
eze verzen spreken over mensen die ”met volharding in goeddoen” onverderfelijkheid zoeken, dat zij “het eeuwige leven” vergolden zullen worden door de Heere! Wordt hier niet het tegendeel gezegd? En dan nog wel in een brief aan de Gemeente? De boodschap aan de Gemeente is toch dat wij behouden zijn “niet uit de werken”, maar “uit genade” “door het geloof” (Ef. 2 : 8 en 9)? Opnieuw mogen we weten dat de Heere niet kan liegen (Titus 1 : 2), en dat Zijn Woord 100 % waarheid is. Maar hoe zit dat dan met die verzen in Romeinen 2?


Het Evangelie der genade Gods een verborgenheid

De Heere is altijd Dezelfde, maar Zijn handelen door de tijd heen met mensen wijzigt wel. Daardoor zullen we Zijn Woord ook recht moeten snijden of verdelen (2 Tim. 2 : 15)! Eén van de moeilijkste dingen voor diverse Christelijke groeperingen is dat het behoud door de tijd heen niet op dezelfde manier is. Tegenwoordig wordt in Christelijke kringen veelal geleerd dat alle mensen in alle tijden op dezelfde wijze behouden worden. In een commentaar van John Gill op Hebr. 11 : 13 staat bijvoorbeeld naar aanleiding van de Oudtestamentische geloofsgetuigen, die in deze passage genoemd worden:

“zij hadden een volle verzekering van geloof, dat, hetgeen beloofd was, vervuld zou worden, … allen omarmden door het geloof de Messias, en hadden deel aan Zijn bloed, rechtvaardiging, offer en genade, waardoor zij behouden werden, net zoals de Nieuwtestamentische gelovigen” [1]. 

In Evangelische kringen leert men dan ook vaak dat de mensen in het Oude Testament vooruit keken naar het kruis, en wij, de Gemeente, zouden dan terug kijken naar het kruis. En dan te bedenken dat in het Oude Testament helemaal niet bekend was dat de Messias aan een kruis zou sterven! Het kruis is pas in Matth. 20 : 19 bekend geworden. Dan te bedenken dat de discipelen de dood, de begrafenis en de opstanding niet eens begrepen. Zelfs na Jezus’ opstanding nog niet. In Luk. 24 : 6 en 7 lezen we: “Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan. Gedenkt, hoe Hij tot u gesproken heeft toen Hij nog in Galilea was. Zeggende: De Zoon des mensen moet overgeleverd worden in de handen der zondige mensen, en gekruisigd worden, en ten derde dage weer opstaan”. Dit wordt de discipelen verteld, en we lezen hun reactie in Luk. 24 : 11 als volgt: “En hun woorden schenen voor hen als ijdel geklap, en zij geloofden hen niet”. Zelfs toen geloofden zij het nog niet! Dus laat staan dat zij reeds vooruit zagen naar een kruis! Maar als de discipelen, in aanwezigheid van de Heere Jezus Zelf, het al niet begrepen, denkt u dan dat andere Oudtestamentische gelovigen het wel begrepen? De Bijbel Zelf zegt dat het Evangelie der genade Gods – de dood, de begrafenis en de Opstanding van de Heere Jezus – een verborgenheid was (Ef. 3 : 3)!


Persoonlijke rechtvaardigheid in het Oude Testament

We zagen zojuist al even dat werken voor de Gemeente geen rol spelen in het behoud (Ef. 2 : 8, 9)! Dat is wat Gods Woord leert. Maar… Zo blijkt dat in het Oude Testament werken wel een hele belangrijke rol speelden wanneer het het behoud van de Oudtestamentische gelovigen betrof. In de studie “Het behoud in verschillende bedelingen” hebben we daar uitgebreid bij stilgestaan. We zullen in deze studie naar een nieuw voorbeeld kijken, dat de wet betreft.

In Ezech. 18 : 24 lezen we bijvoorbeeld: “Maar als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en onrecht doet, doende naar al de gruwelen, die de goddeloze doet, zou die leven? Al zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; in zijn overtreding, waardoor hij overtreden heeft, en in zijn zonde, die hij gezondigd heeft, in die zal hij sterven”. Hier zien we opnieuw heel duidelijk dat het onder de Wet ging om de rechtvaardigheid van de persoon zelf. De brieven aan de Gemeente leren dat de Heere Zijn rechtvaardigheid door Zijn Zoon op ons legt (2 Kor. 5 : 21), en “...dat niemand door de Wet gerechtvaardigd wordt voor God...” (Gal. 3 : 11). Maar... in het Oude Testament ging het weldegelijk om een persoonlijke rechtvaardigheid door het doen van gerechtigheden, oftewel: het houden van de Wet! Deed iemand dat niet, dan stierf hij in zijn zonden. Met andere woorden: dit is opnieuw een bewijs dat WERKEN in het Oude Testament weldegelijk een rol speelden wanneer het ging om het behoud van mensen.


Zacharias en Elizabet

Nog een voorbeeld dat dit onder de Wet zo werkte, lezen we in het Nieuwe Testament, voordat de Heere Jezus gestorven was, ja nog voordat Hij op aarde geboren was. In Luk. 1 : 5 en 6 lezen we over Zacharias: “In de dagen van Heródes, de koning van Judéa, was een zeker priester, met name Zacharias, van de dagorde van Abia; en zijn vrouw was uit de dochters van Aäron, en haar naam was Elizabet. En zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in al de geboden en rechten des Heeren, onberispelijk”.


Gerechtvaardigd door de Wet

En zo geeft de Heere in Rom. 2 aan dat mensen gerechtvaardigd werden door het doen van de Wet: “Want zovelen, als er zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en zovelen, als er onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden; (Want de hoorders der wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden” (vers 12 – 13). Er werden dus mensen gerechtvaardigd door het doen van de Wet! Dat is wat Gods Woord Zelf zegt! Deze verzen gaan dus over de Oudtestamentische periode, en betreffen zowel ongelovige Joden als ongelovige heidenen, want, zegt Rom. 2 : 11: “Want er is geen aanneming des persoons bij God” (dat het hier om de ongelovigen gaat, wordt onder andere uitgewerkt in de studie "...oordelen en veroordelen...?" n.a.v. Rom. 2 : 1). De Joden waren onder de Wet, en als zij onder de Wet zondigden, zullen zij door de Wet geoordeeld worden. Want zegt Gods Woord, het gaat er niet om dat de mens de Wet hoorde, maar dat hij een dader van de Wet was (Rom. 2 : 13)!


De heidenen en hun geweten...

Voor de heidenen geldt dat zij de Wet niet hadden, maar de Heere zag wel de hartsgesteldheid van de heidenen! Want wanneer zij “van nature de dingen doen, die der wet zijn, dezen, de wet niet hebbende, zijn zichzelf een wet; die betonen het werk der wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkander hen beschuldigende, of ook verontschuldigende) in de dag wanneer God de verborgen dingen der mensen zal oordelen door Jezus Christus, naar mijn Evangelie” (Rom. 2 : 14, 15, 16). En zo zien we hoe de Heere ook in het Oude Testament rekening hield met de heidenen! Wanneer de heidenen in het Oude Testament, of de heidenen vandaag de dag die Gods Woord nooit gehoord hebben(!), leefden of leven vanuit hun geweten, en van daaruit Gods Wet hielden of houden, zal God hen dat rekenen tot rechtvaardigheid. En ondanks dat er door de zonde niemand echt (uit zichzelf) rechtvaardig kan zijn (Rom. 3 : 10), ben ik ervan overtuigd dat dit laat zien dat er ook bij het Laatste Oordeel, waar wij als Gemeente NIET voor de Grote Witte Troon zullen staan(!), er toch mensen behouden zullen zijn! Dat het Laatste Oordeel meer is als het oordeel over de doden, die het eeuwige vuur in zullen gaan (Openb. 20 : 11 – 15), blijkt ook uit bijvoorbeeld Openb. 11 : 18: “En de volken waren toornig geworden, en Uw toorn is gekomen, en de tijd der doden, om geoordeeld te worden, en om het loon te geven aan Uw dienstknechten, de profeten, en de heiligen, en hun, die Uw Naam vrezen, de kleinen en de groten; en om te verderven degenen, die de aarde verdierven”. Alhoewel we hier ook nuchter in moeten zijn, want de mens onder zijn geweten heeft net zo hard gefaald als de Jood onder de Wet! Het is niet voor niets dat de Heere in Rom. 2 met name de heidenen aanspreekt, en zegt: “Daarom zijt gij niet te verontschuldigen...” (Rom. 2 : 1), en “Want zovelen, als er zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan...” (Rom. 2 : 12). En zo lezen we dat op een bepaald moment in de geschiedenis alleen Noach rechtvaardig was, en dat de Heere daarom de zondvloed moest sturen… (Gen. 6 : 8 en 9). En dat gaat zich in de Grote Verdrukking weer herhalen, niet met water, maar wel op een andere manier, wanneer Gods toorn over de aarde gaat komen (Rom. 2 : 5).

Maar dan kan wel de volgende vraag rijzen: hoe kan het dan dat er bij het Laatste Oordeel ook mensen behouden zijn door goeddoen in de ogen van God? Want het Nieuwe Testament laat toch zien dat als we in één van de geboden struikelen, dat we schuldig zijn aan alle (Jak. 2 : 10)? En Ezech. 28 : 14 laat zien, zo zagen we zojuist, dat de rechtvaardige, die zondigt, in zijn zonde sterft!?


Vergeving voor Israël in het Oude Testament

De zojuist genoemde verzen laten zien hoe de zonde in onze natuur verweven is, en dat wij eigenlijk niet in staat zijn om uit onszelf de Wet te houden. Maar daarom kon men in het Oude Testament door de offers ook vergeving vragen (bijv. Lev. 5 : 13). De persoon werd weliswaar vergeven, en toch nam dat de zonde niet weg! In Hebr. 10 : 4 lezen we namelijk: “Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneemt”. Zo lezen we in Ex. 34 : 7 het volgende: “Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die de schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, en aan de kindskinderen, in het derde en vierde geslacht”. Dus tijdelijk vergaf de Heere op basis van offers de zonden van het Joodse volk, en verleende Hij hen op basis daarvan genade, maar voor het daadwerkelijke wegnemen van de zonden was een volmaakt offer nodig. En daarvoor moest de Heere Jezus komen en Zijn bloed vergieten. Daarom lezen we in Rom. 3 : 25: “Die God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving der zonden, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods”. Heeft u zich ooit afgevraagd waarom gelovigen in het Oude Testament niet direct naar de hemel gingen, maar eerst verbleven in Abrahams schoot (Luk. 16 : 22)? Dit heeft er mee te maken dat de Heere de zonden nog niet had weggedaan! Dit heeft geduurd tot op het Volbrachte Werk van de Heere Jezus aan het kruis, vanaf dat moment gaan de zielen van overleden gelovigen rechtreeks naar de hemel (2 Kor. 5 : 8; 2 Kor. 12 : 4; Filip. 1 : 23), omdat zij Gods rechtvaardigheid dragen (2 Kor. 5 : 21). Maar betekent dit dan dat de Oudtestamentische gelovigen toch op dezelfde manier behouden zijn? Nee! Want om in dat “tussenstation”, Abrahams schoot, te komen, moesten zij de Wet houden en offers offeren om vergeving te vragen voor hun zonden!


Sommige heidenen geoordeeld op basis van hun hartsgesteldheid

De Joden hadden de Wet en de offers. En de heidenen dan? Die heeft de Heere gewoon laten lopen! Dat staat letterlijk in de Bijbel! In Hand. 14 : 16 lezen we: “Die in de verleden tijden al de heidenen heeft laten wandelen in hun wegen”. En zoals we gelezen hebben, zag de Heere ook hun hart aan! Bij de zondeval at de mens van “de boom der kennis des goeds en des kwaads” (Gen. 2 : 17), en daarmee had de mens daadwerkelijk de kennis van het goed en het kwaad gekregen. In Gen. 3 : 22 lezen we: “Toen zeide de Heere God: Ziet, de mens is geworden als Onzer een, kennende het goed en het kwaad!...”. En zo zagen we eerder in deze studie dat de Heere ziet wanneer de heidenen van nature de dingen van de Wet doen, dat zij zichzelf een wet zijn, omdat zij “...betonen het werk der wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende...” (Rom. 2 : 15). En mocht het zo zijn dat er ook nu mensen sterven, zonder dat zij ooit de Wet en het Evangelie gehoord hebben, dan zal dat ook nu gelden. Want in Rom. 5 : 13 lezen we: “Want tot de Wet was de zonde in de wereld; maar de zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is”. En zo kan het dat de Heere een heleboel heidenen oordelen zal op basis van hun hartsgesteldheid, op basis van hoe zij geleefd hebben vanuit hun geweten, en dat er ook onder de heidenen mensen behouden worden. Maar in de meeste delen van de wereld is het Evangelie al lang verkondigd, en hebben de mensen de beschikking over Gods Woord! Daarom is de waarschuwing van Gal. 5 : 3 en 4 op zijn plaats: “En ik betuig weer aan een ieder mens, die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de gehele wet te doen. Christus is u ijdel geworden, die door de wet gerechtvaardigd wilt worden; gij zijt van de genade vervallen”.


Een voorbeeld: Abimélech

In het Oude Testament vinden we een heel mooi voorbeeld hoe de heidenen Gods Wet in hun hart kunnen hebben, en wel in de geschiedenis van Abraham en Abimélech. In Genesis 20 lezen we dat Abraham naar het land Gerar is gegaan. Al eerder had hij gelogen over zijn vrouw, om de indruk te wekken dat ze niet getrouwd zouden zijn. En dat omdat hij anders bang was dat ze hem zouden doden om zijn vrouw (Gen. 20 : 11). En Abimélech geloofde Abraham en nam zijn vrouw. Toen dit gebeurde was er nog geen Bijbel, ook geen Oude Testament. En wat lezen we dan in Gen. 20 : 3: “Maar God kwam tot Abimélech in een droom des nachts, en Hij zeide tot hem: Zie, gij zijt dood om de vrouw die gij weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd”. En dan zien we hoe Abimélech de Wet in zijn hart geschreven had. In de Wet staat dat een mens geen overspel hoort te plegen (zie bijv. Lev. 20 : 10). En Abimélech antwoordt de Heere: “Doch Abimélech was tot haar niet genaderd; daarom zeide hij:  Heere! Zult gij dan ook een rechtvaardig volk doden? Heeft hij zelf mij niet gezegd: Zij is mijn zuster? en zij, ook zij heeft gezegd: Hij is mijn broeder. In oprechtheid van mijn hart en in reinheid van mijn handen, heb ik dit gedaan” (Gen. 20 : 4 en 5). Abimélech noemt het zelfs een “grote zonde” wat hij gedaan heeft (Gen. 20 : 9)! En wat zien we? De Heere is het met hem eens! Ja, de Heere heeft voorkomen dat deze man en zijn volk zouden zondigen. Want in Gen. 20 : 6 lezen we: “En God zeide tot hem in de droom: Ik heb ook geweten, dat gij dit in oprechtheid van uw hart gedaan hebt, en Ik heb u ook belet van tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten, haar aan te roeren”.


Andere voorbeelden

Zo lezen we over Abel, die nog voor de Wet leefde(!) het volgende: “Door het geloof heeft Abel een meerdere offerande Gode geofferd dan Kaïn, waardoor hij getuigenis bekomen heeft, dat hij rechtvaardig was, alzo God over zijn gave getuigenis gaf; en door het geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is” (Hebr. 11 : 4). En zo staat er ook geschreven van Rachab, die uit de heidenvolken was: “Door het geloof is Rachab, de hoer, niet omgekomen met de ongehoorzamen, toen zij de verspieders met vrede had ontvangen” (Hebr. 11 : 31). En zo zien we hoe de Heere ook in het Oude Testament met de heidenen was! 


Overgang van Wet en geweten naar geloof alleen

Maar daarmee is ook de verklaring gegeven waarom in Rom. 2 : 7 – 10 gesproken wordt over de vergelding van het eeuwige leven door “volharding in goeddoen” en over de vergelding van “verbolgenheid en toorn” door gehoorzaamheid aan de ongerechtigheid. Romeinen en Galaten laten de Joden een overgang zien van de werken der Wet, en laten de heidenen een overgang zien van het volgen van hun geweten, naar geloof in Jezus Christus alleen. De Heere Jezus verkondigde nota bene nog dat het houden van de Wet het eeuwige leven gaf! In Matth. 19 : 17 lezen we: “En Hij zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan Eén, namelijk God. Doch wilt gij in het leven ingaan, onderhoud de geboden”. Is dan de uitspraak van de Heere Jezus tegenstrijdig? Nee! Absoluut niet. Maar de Heere Jezus verkondigde het huis Israëls het Koninkrijksevangelie (Matth. 10 : 5 – 7), terwijl de Wet nog gold! En zo zien we hoe Paulus in Romeinen begint met de situatie zoals de Heere voorheen handelde met Joden en heidenen, met en zonder Wet, en hoe hij toewerkt naar de uitleg van de Gemeente-bedeling, dat door het Volbrachte Werk van de Heere Jezus mensen Gods rechtvaardigheid kunnen dragen, en dat door de werken der wet niemand (meer) rechtvaardig wordt (Gal. 3 : 11)! Precies zoals de Heere ook reeds in Rom. 3 : 19 – 24 aangeeft: “Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot hen, die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij. Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde. Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten: Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid. Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods; En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is”.


Een geestelijke les: God kent het hart!

Maar… er is ook een Nieuwtestamentische toepassing van Rom. 2 : 7, dat de heidenen  als vergelding het eeuwige leven krijgen: “Hun wel, die met volharding in goeddoen, heerlijkheid, en eer, en onverderfelijkheid zoeken, het eeuwige leven”. Het gaat dan in feite om een geestelijke les uit dit vers! Het is niet zo dat wij uit de goede werken behouden zijn. Zoveel mag duidelijk zijn uit de boodschap uit de brieven aan de Gemeente. Maar… Wanneer de heidenen in hun hart “het werk der wet” geschreven hebben (Rom. 2 : 15), dan leidt de Heere het zo, dat zij met het Evangelie in aanraking komen en behouden worden. Daarvan vinden we in het Nieuwe Testament verschillende voorbeelden. In Hand. 13 : 42, 45 lezen we dat de Joden het Evangelie verwierpen. Paulus en Barnabas gaven aan dat zij zich“zelf het eeuwige leven niet waardig oordeel”den (Hand. 13 : 46). De heidenen daarentegen vroegen Paulus en Barnabas om hen het Woord van God te verkondigen. Zij verlangden ernaar. In Hand. 13 : 42 lezen we: “En toen de Joden uitgegaan waren uit de synagoge, baden de heidenen, dat tegen de aanstaande sabbat hun dezelfde woorden zouden gesproken worden”. Deze heidenen verlangden naar het Woord, en zij kregen het Woord, en zij geloofden! De Heere kende hun hart, en stuurde het Evangelie. In Hand. 13 : 48 lezen we: “Toen nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich, en prezen het Woord des Heeren; en er geloofden zovelen, als er verordineerd waren tot het eeuwige leven”.


“Tot gedachtenis opgekomen voor God”

Hetzelfde zien we gebeuren bij Cornelius in Hand. 10. Cornelius was een religieus mens en voor zover hij wist, deed hij goed. In Hand. 10 : 1 en 2 lezen we: “En er was een zeker man te Cesaréa, met name Cornelius, een hoofdman over honderd, uit de bende, genaamd de Italiaanse; Godzalig en vrezende God, met geheel zijn huis, en doende vele aalmoezen aan het volk, en God gedurig biddende”. Maar Hij had het klaarblijkelijk nodig dat hem het Evangelie uitgelegd zou worden, en behouden was hij dus nog niet. Maar God zag zijn hart en stuurde Petrus. Tegen Cornelius zei de Heere: “...Uw gebeden en uw aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God” (Hand. 13 : 4). En tegen Petrus zei de Heere: “En toen (…) zeide de Geest tot hem: Zie, drie mannen zoeken u; Daarom sta op, ga af, en reis met hen, niet twijfelende; want Ik heb hen gezonden” (Hand. 10 : 19, 20). Petrus ging mee en verkondigde Cornelius en zijn huishouden het Evangelie, op grond waarvan zij tot bekering kwamen (Hand. 10 : 44 – 48). Toen Petrus zich later verantwoordde voor de apostelen en de broeders, kwam men tot de volgende conclusie: “En toen zij dit hoorden, waren zij tevreden, en verheerlijkten God, zeggende: Zo heeft dan God ook de heidenen de bekering gegeven ten leven!” (Hand. 11 : 18).

Het is de taak van de Heilige Geest om de wereld te “overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel” (Joh. 16 : 8). En zo zien we hoe de Heere ook vandaag de dag de harten van mensen aanziet, en hen Gods Woord brengt, zodat zij tot bekering kunnen komen en door het Woord het eeuwige leven krijgen!



[1] ‘John Gill’s Expositor’, bijgeleverd als commentaar op de ‘Online Bijbel Deluxe 2001’ CD-ROM, Importantia Publishing, 2000.