Blue Flower

De Heere zorgt voor u! (De Christen en het lijden – deel 8)



Inleiding

Dit is deel 8 in de serie “De Christen en het lijden”. Met dit deel wordt deze serie afgesloten. In de voorgaande delen van deze serie hebben we stilgestaan bij diverse soorten van lijden. Er is lijden voor de Naam van de Heere Jezus. Er zijn velerlei verzoekingen. Ziekte is een vorm van lijden. Als we volharden in lijden, staan blijven in het geloof, dan geeft de Heere een beloning, een kroon, in de eeuwigheid. Maar wanneer we niet naar de Heere luisteren, en we maken brokken, dan is dat ook lijden, maar wel lijden door onze eigen schuld. En dan zegt de Heere in Zijn Woord: “Wat je zaait, zul je oogsten” (Gal. 6 : 7).

In het voorlaatste deel (deel 7) hebben we gezien dat de Heere Zijn kinderen uit liefde kastijdt, net als een aardse vader in de opvoeding zijn kinderen weleens moet straffen. De Heere laat zien dat Hij al Zijn kinderen kastijdt of geselt (Hebr. 12 : 6). Vreemd is dat niet, want als gelovige heeft u continue de strijd tegen uw vlees. De Heere kastijdt u om u deel te laten krijgen aan Zijn heiligheid, doordat u leert uw vlees te bedwingen en een kroon te verdienen (Hebr. 12 : 10; 1 Kor. 9 : 24 – 27). Het is dus tot uw nut.

Zo hebben we gezien dat er heel wat vormen van lijden zijn die op u, als wederom geborene, kunnen afkomen. En de verkondiging: “Komt tot Jezus, en het gaat u altijd voor de wind, u wordt rijk of zult nooit ziek zijn”, daarvan hebben we gezien, dat deze dan ook vals is. Het vindt geen enkele Bijbelse grond. Sterker nog, we hebben gezien dat de Heere een kind van God helemaal niet altijd, als een soort van vanzelfsprekendheid, uit alle nood verlost, en ook een gerust leven is voor kinderen van God geen vanzelfsprekendheid.

In deze afsluitende studie gaan we in Gods Woord zien dat de Heere weldegelijk voor Zijn kinderen zorgt.


“Waarom God?”

Wanneer u al die vormen van lijden zo ziet, of wanneer u zelf misschien wel in een periode zit, waarin u veel meemaakt, dan zou u kunnen denken: “Is er dan alleen maar lijden?” Soms loopt u als gelovige tegen van alles aan, u maakt van alles mee. En dan kijkt u om zich heen, en dan ziet u al die ongelovigen gezond zijn, een goede baan hebben en meerdere keren per jaar met vakantie gaan…. Het lijkt ze allemaal voor de wind te gaan. En dan komt die vraag weer naar boven: “Waarom God….?” En voor uw gevoel kan die situatie misschien heel reëel zijn. Maar ik denk, als we eerlijk zijn, dat we ook wel weten dat er ook genoeg ongelovigen zijn die hier op aarde lijden, soms zelfs veel lijden. Door de zondeval overkomt een gelovige namelijk hetzelfde als de ongelovige. Er is, wat ons vlees betreft, geen verschil.


De “waarom-vraag” in de Psalmen

In de Psalmen komt u die klacht, dat het de ongelovigen voor de wind lijkt te gaan, ook wel tegen. Psalm 73 is hier een mooi voorbeeld van. De Psalmen gaan leerstellig vaak over de Grote Verdrukking (zie bijv. Ps. 73 : 8 – 11) en over het komende Koninkrijk. Deze Psalm is dan ook in eerste instantie aan Israël geschreven (Ps. 73 : 1). Maar dat wil niet zeggen dat wij er geen geestelijke lessen uit kunnen leren. En hoe mooi beschrijft deze Psalm die klacht. In Ps. 73 : 3 – 5 lezen we: “Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede. Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris. Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd”. En Ps. 73 : 11 – 14 gaat als volgt verder: “Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste? Zie, dezen zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld, zij vermenigvuldigen het vermogen. Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen; Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben; en mijn straffing is er alle morgens”. Dus…: “ik lijdt, maar de goddelozen schitteren…”.


...dan zult Gij hun beeld verachten...

Maar let op hoe de Psalmdichter in Ps. 73 : 16 – 20 een wending maakt: “Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan, maar het was moeite in mijn ogen; Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte. Immers zet Gij hen op gladde plaatsen, Gij doet hen vallen in verwoestingen. Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting; nemen een einde, worden teniet van verschrikkingen! Als een droom na het ontwaken, als Gij opwaakt, o Heere, dan zult Gij hun beeld verachten”. Men kan nog zo rijk zijn op deze aarde, nog zo gezond zijn en in de “kracht van zijn of haar leven” staan, zoals dat dan heet, maar er komt een moment dat de Heere ingrijpt. En natuurlijk gaat dit gedeelte over de plotselinge verwoesting die gaat komen als Gods toorn in de Grote Verdrukking over deze aarde zal gaan (1 Thess. 5 : 2, 3). Maar hoe geldt dit vers voor elke ongelovige die nu sterft. Door een ongeval, door een hartaanval, of op een andere wijze. Als de Heere de ongelovige doet vallen, dan is daar voor deze persoon de hel en het Laatste Oordeel en de poel des vuurs. De Heere veracht deze persoon dan, omdat hij of zij het Volbrachte Werk van de Heere Jezus niet aangenomen heeft (Joh. 3 : 36).


Gij zult mij leiden door Uw raad...

En kijk dan eens welke belofte u als gelovige heeft, wanneer u de Heere Jezus als uw persoonlijke Verlosser aangenomen heeft. In Ps. 73 : 23 en 24 lezen we verder: “Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat. Gij zult mij leiden door Uw raad;…”.  En dat is zeker niet alleen maar Oudtestamentisch. De Heere Jezus heeft beloofd om “al de dagen tot de voleinding der wereld” met de Zijnen te zijn (Matth. 28 : 20). Ook Ef. 2 : 6 en 7 zeggen over de Gemeente: “En heeft ons medeopgewekt, en heeft ons medegezet in den hemel in Christus Jezus; Opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom Zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus”. Als wederom geborene bent u in feite al bij Hem. En als lid van Zijn lichaam heeft u de Heilige Geest ontvangen, Die u in al de waarheid zal leiden (Joh. 16 : 13).


In Zijn glorie

Ps. 73 : 24 gaat als volgt verder: “...en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen”. Leerstellig zien we hier het bewijs dat aan het eind van de Grote Verdrukking opnieuw gelovigen zullen worden opgenomen. Zie hiervoor de studie “Verschillende opstandingen”. Maar uiteindelijk geldt dit vers natuurlijk elke gelovige: de glorie van de Heere in de eeuwigheid, en dat niets meer of minder voor de Gemeente. Wel op een andere manier in sommige opzichten. Maar wij zullen worden opgenomen, we zullen de Heere zien van aangezicht tot aangezicht, onze toekomst is in Zijn glorie. In 1 Kor. 1 : 7 – 9 lezen we: “Alzo dat het u aan geen gave ontbreekt, verwachtende de openbaring van onzen Heere Jezus Christus; Welke God u ook zal bevestigen tot het einde toe, om onstraffelijk te zijn in den dag van onzen Heere Jezus Christus. God is getrouw, door Welken gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onzen Heere”.

Ps. 73 : 25 – 28 zegt vervolgens: “Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde. Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten en mijn Deel in eeuwigheid. Want zie, die verre van U zijn, zullen vergaan; Gij roeit uit al wie van U afhoereert. Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen”.


Vertrouw op de Heere!

Wanneer u Psalm 73 leest, dan ziet u dat jaloezie op de goddeloze, wanneer het hem hier op aarde goed gaat, eigenlijk gelijk is aan nijd (Ps. 73 : 3). Maar nijd is één van de werken van het vlees, waardoor u verleid wordt, verzocht wordt, tot zonde (Gal. 5 : 19 – 21). Vandaar dat Asaf in Psalm 73 : 21 spreekt over een opgezwollen hart, en in vers 22 over het feit dat hij “onvernuftig” (= onverstandig) was, en niets wist. Uiteindelijk heeft hij blijkbaar wel goed gereageerd op de verzoeking, want het heeft hem bij de Heere gebracht. Ps. 73 : 17 spreekt er namelijk over dat hij in Gods heiligdommen ingegaan is. En dat liet hem zien dat hij naast de Heere niemand had, dat hij door Hem geen lust had naar iets op deze aarde. En dat wanneer hij bezweek, dat God zijn Rotssteen was, zijn Deel in eeuwigheid. Maar ook dat de Heere zijn rechterhand wilde vasthouden en hem leidde door Zijn Raad (Ps. 73 : 23, 24). En was het niet de Heere Jezus Die genoemd wordt “Wonderlijk”, “Raad” en “Sterke God” (Jes. 9 : 5)? Geldt dat ook voor u? De Heere rekent af met de vijand, zij vergaan, maar u, als kind van God, mag zien op Zijn glorie, dat u daar deel aan mag hebben. Dat is waar de Heere u hier op aarde toe oproept, om daarop te zien.


Waarom duurt het zo lang?

Maar waarom, zeggen sommigen dan, duurt lijden soms zo lang? De Heere spreekt in Zijn Woord toch over een korte tijd van verzoeking of verdrukking? Zo lezen we in 2 Kor. 4 : 16 – 17 bijvoorbeeld: “Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag. Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid”. Hier wordt toch gesproken over “een lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat”? Soms hebben mensen het idee dat ze niet meer kunnen volhouden. En dan spreekt de Bijbel nota bene over “lichte verdrukking”. En toch is het de apostel Paulus die dit schrijft, en hij heeft heel wat meegemaakt. In deel 1 en deel 3 van deze serie hebben we daar uitgebreid bij stilgestaan (2 Kor. 11 : 23 – 29). Het lijden valt in het niet wanneer het opgewogen wordt tegen de eeuwigheid die velen in de hel moeten doorbrengen, omdat ze de Heere verworpen hebben. Bedenk welke eeuwige heerlijkheid en glorie de kinderen van God te wachten staat, en besef daarbij dat de Heere uitkomst geeft, zodat de verzoeking te verdragen is (1 Kor. 10 : 13). Dan beseft u dat de Heere zelfs in de verzoeking met u is.


Wat is “zeer haast” voorbijgaan?

Toch blijft de vraag: Wat is “zeer haast” in Gods ogen? Hebr. 12, het gedeelte over kastijding, geeft daar zicht op. In Hebr. 12 : 10 lezen we namelijk: “Want genen hebben ons wel voor een korten tijd, naar dat het hun goeddacht, gekastijd; maar Deze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden”. Hier komen we “een korten tijd” tegen. En die wordt omschreven als de tijd dat “genen” ons, “naar dat het hun goeddacht, gekastijd” hebben. Wie zijn die “genen”? Dat zijn onze aardse vaders, “de vaders onzes vleses” (Hebr. 12 : 9). Bij die vergelijking hebben we in deel 7 van deze serie stilgestaan. Maar hoe lang is iemand onder de tucht, de opvoeding, van de aardse vader? Voor de één is dat soms wat langer dan de ander, maar over het algemeen varieert dat in ieder geval toch wel zo tussen de 16 en 25 jaar (in onze tijd). Een korte tijd kan bij de Heere dus best wat jaren duren.


Verdrukking leert vertrouwen

Wanneer het om uw “verdrukking” gaat, kan het dus zijn dat het voor uw gevoel lang duurt. De Heere neemt Zijn tijd. Maar dat is ook de reden waarom Hij nog niet is teruggekomen. Waarom Hij Zijn Gemeente nog niet heeft opgehaald, en de Grote Verdrukking nog niet is begonnen. De Heere zegt in 2 Petr. 3 : 9: “De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen”. De Heere is lankmoedig [= geduldig] om mensen te redden, maar ook om u als gelovige voor te bereiden op de eeuwigheid, zodat u de kans krijgt om loon en kroon te verdienen. U leert door verdrukking heen “lijdzaamheid”, oftewel volharding en overgave aan Gods wil (of berusting/geduld), waaruit bevinding en hoop voortkomen. U komt er namelijk achter dat de Heere Zijn Woord houdt, u ondervindt dat, u bevindt dat. U leert Hem juist door moeilijkheden heen vertrouwen (Rom. 5 : 2 – 5).


Alle dingen werken mede ten goede

Wat u moet doen, is: doorgaan. Dat hebben we in de studie over “Tuchtiging en kastijding tot ons nut” ook gezien. Gaat het niet, en u heeft eventuele zonden beleden, en gebeden over de situatie, dan mag u zich vasthouden aan Rom. 8 : 28, waar geschreven staat: “En wij weten dat dengenen die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen die naar Zijn voornemen geroepen zijn”. U mag zich daaraan vasthouden en doorgaan. U mag de Heere zelfs danken, ondanks de nood. In 1 Thess. 5 : 18 staat namelijk geschreven: “Dankt God in alles; want dit is de wil Gods in Christus Jezus over u”. Maar dat is wel moeilijk! Zeker wanneer u juist een grote tegenslag hebt gekregen. Maar u mag Hem danken dat Hij alles weet. U mag de Heere zeggen dat uzelf absoluut geen uitkomst ziet, maar dat Hij die uitkomst wel beloofd heeft. Vertel Hem wat u op uw hart hebt. De Heere zal het uitwerken. Misschien voor in het hier en nu, maar in ieder geval voor de toekomst bij Hem. Want wanneer u volhardt in de verdrukking, levert u dat “een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid” of “de kroon des levens” (Jak. 1 : 12).


De Heere Jezus gekastijd?

In de studie over “Tuchtiging en kastijding tot ons nut” zijn twee verzen over kastijding niet besproken. Ze gaan over het lijden van de Heere Jezus. Toen de Heere Jezus voor Pilatus stond, lezen we in Luk. 23 : 16 dat Pilatus zei: “Zo zal ik Hem dan kastijden en loslaten”. Pilatus vond geen kwaad in Hem. Hij wilde Hem eigenlijk loslaten. En opnieuw lezen we dan in Luk. 23 : 22: “En hij zeide ten derden male tot hen: Wat heeft Deze dan kwaads gedaan? Ik heb geen schuld des doods in Hem gevonden. Zo zal ik Hem dan kastijden en loslaten”. Uit Joh. 19 weten we dat Pilatus de Heere Jezus heeft laten geselen. De kastijding slaat in deze context dus niet zozeer op de kruisiging, maar wel op de geseling. En kastijding is straf… In ieder geval is het iets wat de Heere Jezus onderging onder het Romeinse recht. Maar de Heere Jezus was toch zonder zonde? Pilatus vond geen kwaad in Hem, maar sterker nog, de Bijbel zegt toch dat Hij zonder zonde was? 1 Petr. 2 : 22 zegt bijvoorbeeld over de Heere Jezus: “Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden”. Het punt is dat de Heere Jezus uw en mijn straf onderging. En dat ging natuurlijk verder dan alleen geseling. Hij is voor onze zonden gestorven. Zoals de tekst 1 Petr. 2 : 24 zegt: “Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout, opdat wij de zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt”. De Heere Jezus heeft ONZE straf, voor uw en mijn zonden, gedragen, daarom kunnen we met recht speken van het feit dat Hij gekastijd is.


Een Man van smarten

In de profetieën werd de Heere Jezus al aangekondigd als “een Man van smarten” (Jes. 53 : 3). Hebr. 4 : 15 spreekt erover dat Hij “in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, doch zonder zonde”. En Gods Woord laat zien dat de Heere Jezus, Die nota bene zonder zonden was, Zelf hierdoor ook geleerd heeft. Hij heeft gehoorzaamheid geleerd. In Hebr. 5 : 8 lezen we namelijk: “Hoewel Hij de Zoon was, nochtans gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen Hij heeft geleden”. Maar hoe moeten wij ons dat voorstellen, dat de Heere Jezus gehoorzaamheid geleerd heeft? Hij was toch God geopenbaard in het vlees (1 Tim. 3 : 16)?


Heeft de Heere Jezus gehoorzaamheid geleerd?

Het antwoord ligt in Hebr. 5 : 1 en 2, waar geschreven staat: “WANT alle hogepriester uit de mensen genomen, wordt gesteld voor de mensen in de zaken die bij God te doen zijn, opdat hij offere gaven en slachtoffers voor de zonden; Die behoorlijk medelijden kan hebben met de onwetenden en dwalenden, overmits hij ook zelf met zwakheid omvangen is”. De aardse hogepriesters konden medelijden hebben met de mensen, omdat ze zelf ook zondig waren, zwak vlees hadden. Maar juist omdat ze zondig waren, en ook voor zichzelf moesten offeren, moesten de offers van het Oude Testament keer op keer gebracht worden. De Heere Jezus hoefde maar één keer Zijn offer te brengen, omdat Hij zonder zonde was (Hebr. 9 : 25, 28). Maar waar het nu even om gaat, is, dat er geschreven staat dat de aardse hogepriester “behoorlijk medelijden” kon hebben. Hoe kan de Heere God medelijden hebben met ons mensen? Want Hij staat boven ons, woont in de hemel, en noem maar op... Hoe kan Hij medelijden hebben met de verzoeking van aardse mensen, als Hij Zelf niet weet wat het is…? Het is de vraag of wij ons dergelijke vragen mogen stellen. Maar gezien wat hier in de Bijbel staat, geloof ik het van wel.


De Heere Jezus kan u te hulp komen...

En hierbij komen we bij het wonder van het feit dat de Heere Jezus op aarde was. Hij was niet alleen “God geopenbaard in het vlees”, maar Hij was ook Mens met een menselijk lichaam. Hij werd niet voor niets ook “Zoon des mensen” genoemd (Matth. 8 : 20). Hij werd moe (Matth. 8 : 24), Hij werd dorstig (Joh. 19 : 28), om maar enkele voorbeelden te noemen. Zoals Adam goed geschapen was, maar wel een eigen wil had, en daardoor bij de zondeval kon vallen in zonde, zo werd ook de Heere Jezus getest. Hij werd niet voor niets door de duivel verzocht in de woestijn (Luk. 4 : 1 – 13). En we hebben bij het deel over de verzoeking gezien hoe in de drie verzoekingen in de woestijn eigenlijk alle soorten verzoekingen besloten liggen. En de Heere Jezus doorstond de test. Hij zondigde niet. Hebr. 2 : 17 en 18 zegt: “Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn in de dingen die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen. Want in hetgeen Hij Zelf verzocht zijnde geleden heeft, kan Hij dengenen die verzocht worden, te hulp komen”. Hij heeft dus weldegelijk in Zijn verzoeking geleden… Hij had kunnen zondigen. De Heere Jezus als de “Zoon des mensen” op aarde had een eigen wil (Hebr. 10 : 5 – 9; Matth. 26 : 39 – 43; Mark. 14 : 35 – 40). Maar Hij zondigde niet, en zo kon Hij sterven voor onze zonden.


De Heere kan medelijden hebben… uit ervaring

Maar tegelijkertijd had Hij meegemaakt wat wij meemaken, wat u meemaakt. En daardoor kan Hij u te hulp komen. Bedenk dat de satan als de grote aanklager bij God verscheen en Job aanklaagde: Dat het geen wonder was dat Job de Heere diende, want hem ging alles voor de wind (Job 1 : 6 – 12). Maar zo is de satan ook de grote aanklager en tegenstander van de Heere Zelf. In Jes. 50 : 8 wordt profetisch over de Heere Jezus gezegd: “Hij is nabij Die Mij rechtvaardigt; wie zal met Mij twisten? Laat ons tezamen staan. Wie heeft een rechtszaak tegen Mij? Hij kome herwaarts tot Mij”. En wanneer u zich dan bedenkt dat de Heere Jezus in Joh. 14 : 30 heeft uitgesproken: “Ik zal niet meer veel met u spreken; want de overste dezer wereld komt, en heeft aan Mij niets”. Dan weet u wie met de Heere Jezus wilde twisten, en welke grote geestelijke strijd er zich afgespeeld heeft. Het staat niet letterlijk in de Bijbel, maar u kunt zich voorstellen hoe de satan de Heere “in die geest” voor de voeten heeft gegooid dat Hij nooit naar Zijn schepping kan omzien, omdat Hij niet weet wat het inhoudt om mens te zijn. Oók daarom is de Heere Jezus gekomen. We hebben het in Hebr. 2 gelezen, maar Hebr. 4 : 15 en 16 spreken er ook over: “Want wij hebben geen Hogepriester Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, doch zonder zonde. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden te bekwamer tijd”.

De Heere wéét wat het is om mens te zijn, wat het is om verzocht te worden. En u mag tot Hem gaan en om hulp vragen. Hij wil voor u zorgen.


Het Koninkrijksevangelie

Een mooi gedeelte waar we dat ook in lezen is Luk. 12 : 6, 7, 22 – 32. Allereerst is het dan goed om te beseffen dat we in Lukas lezen, voor de kruisiging en de opstanding van de Heere Jezus. In die tijd werd het Koninkrijksevangelie verkondigd aan het huis Israëls (zie bijv. Luk. 12 : 30). De Gemeente was er nog niet. Letterlijk en leerstellig vinden we in de Evangeliën vaak een Koninkrijksboodschap die niet altijd overeenkomt met de Boodschap die de Heere de Gemeente heeft gegeven door met name de apostel Paulus. In Luk. 12 kunt u dit ook heel duidelijk zien [1]. In Luk. 12 : 36 staat bijvoorbeeld geschreven: “En zijt gij den mensen gelijk die op hun heer wachten, wanneer hij wederkomen zal van de bruiloft, opdat als hij komt en klopt, zij hem terstond mogen opendoen”. Hier leest u dus over mensen die de Heere verwachten na de Bruiloft. Maar wacht eens, als de Gemeente opgenomen is, zal zij in de hemel met Hem huwen en met Hem terugkomen naar deze aarde (1 Thess. 4 : 13 – 18; Openb. 19 : 1 – 14). Wij, als gelovigen, als lichaam van de Heere Jezus, wachten helemaal niet op onze Heere, wanneer Hij wederkomt van de Bruiloft. Heel duidelijk wordt hier dat het gedeelte letterlijk, leerstellig van toepassing is op Israël en de gelovigen in  de Grote Verdrukking. En in het kader van het komende Koninkrijk, en dus opnieuw de verkondiging van het Koninkrijksevangelie, lezen we dat mensen de opdracht krijgen om alles te verkopen, en goede werken te doen met hun geld (Luk. 16 : 33). Mensen in de beginperiode deelden als uitvloeisel hiervan ook alles samen (Hand. 4 : 34 – 35; Mark. 10 : 29, 30; Matth. 4 : 17). Het leidde ertoe dat men zo arm was dat Paulus een speciale inzameling liet doen voor de arme gelovigen in Jeruzalem (Rom. 15 : 25, 26; 1 Kor. 16 : 1 – 3). En wat blijkt dan, in de brieven aan de Gemeente vinden we geenszins dat we alles moeten verkopen. Maar bijvoorbeeld dat we voor onze huisgenoten moeten zorgen (1 Tim. 5 : 8).


Het Koninkrijk Gods… ook van toepassing op de Gemeente

Maar… Hoe mooi is het dat Luk. 12 : 31 spreekt over het Koninkrijk Gods: “Maar zoekt het Koninkrijk Gods, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden”. Het Koninkrijk Gods is het geestelijke Koninkrijk dat, volgens de brieven van Paulus, óók in de Gemeente aanwezig is (Luk. 17 : 21; Rom. 14 : 17; 1 Kor. 4 : 20). Met andere woorden: naast het letterlijk Koninkrijk dat hier op aarde nog gaat komen (wat vaak weergegeven wordt met “het Koninkrijk der hemelen”), is er ook een geestelijk Koninkrijk, en daaraan heeft u, als lid van Gemeente van Jezus Christus, nu reeds deel. Hierdoor zien we dat er dus weldegelijk ook een geestelijke betekenis in de verzen van Lukas 12 voor de Gemeente te vinden is.


In zegeningen maaien

Zo mag u weten dat wanneer u geld of dingen inlevert ten dienste van het werk voor de Heere, dat de Heere u zal zegenen. Hij zal dan voor u zorgen. Een tekst in de brieven aan de Gemeente, die dat duidelijk maakt, is 2 Kor. 9 : 6 en 7: “En dit zeg ik: Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien. Een iegelijk doe gelijk hij in zijn hart voorneemt; niet uit droefheid of uit nooddwang; want God heeft een blijmoedigen gever lief” (zie ook Luk. 12 : 15 in vgl. met Kol. 3 : 5).


De rijke dwaas

In het begin van deze studie zagen we dat goddelozen, die het allemaal voor de wind lijkt te gaan, niet te benijden zijn door ons. Ook daarvan vinden we hier in Luk. 12 een mooi voorbeeld in de rijke dwaas, die al zijn rijkdom maar oppotte. In Luk. 12 : 20 en 21 lezen we daarover: “Maar God zeide tot hem: Gij dwaas, in dezen nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn? Alzo is het met dien die zichzelven schatten vergadert, en niet rijk is in God”.


Zijt niet bezorgd voor uw leven

En zo staan hier meer dingen geschreven die ook op u, als kind van God, van toepassing zijn. In Luk. 12 : 6 en 7 lezen we: “Worden niet vijf musjes verkocht voor twee penningskens? En niet één van die is voor God vergeten. Ja, ook de haren uws hoofds zijn alle geteld. Vreest dan niet; gij gaat vele musjes te boven”. En Luk. 12 : 22 – 26 gaan dan als volgt verder: “En Hij zeide tot Zijn discipelen: Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten zult, noch voor het lichaam, waarmede gij u kleden zult. Het leven is meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding. Aanmerkt de raven, dat zij niet zaaien noch maaien, welke geen spijskamer noch schuur hebben, en God voedt dezelve; hoeveel gaat gij de vogels te boven! Wie toch van u kan met bezorgd te zijn één el tot zijn lengte toedoen? Indien gij dan ook het minste niet kunt, wat zijt gij voor de andere dingen bezorgd?”. God heeft zelfs elke haar op uw hoofd, en elk vogeltje op het oog. En niet zomaar vogeltjes, zelfs de raven, die in het Oude Testament vielen onder het onreine gevogelte (Lev. 11 : 13 – 15), voedt de Heere God. En u, zeker als Zijn kind, bent veel meer dan die vogeltjes, veel meer dan het onreine gevogelte.

De Heere wil graag voor u zorgen. En dan zien we dat het hier om eten en kleding gaat… En dan zegt Luk. 12 : 29 – 31: “En gijlieden, vraagt niet wat gij eten of wat gij drinken zult, en weest niet wankelmoedig. Want al deze dingen zoeken de volken der wereld; maar uw Vader weet dat gij deze dingen behoeft. Maar zoekt het Koninkrijk Gods, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden”. De Heere wil voor u zorgen, maar Zijn regel daarin is wel dat het gaat om genoeg te eten en genoeg kleding. In 1 Tim. 6 : 7 en 8 vinden we: “Want wij hebben niets in de wereld gebracht; het is openbaar dat wij ook niet kunnen iets daaruit dragen; Maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd zijn”. Daarom roept de Heere u op om u geen zorgen te maken. De tekst die in de voorgaande twee delen al besproken is, Filip. 4 : 6 en 7, wil ik dan ook in dit kader nog een keer aanhalen: “Weest in geen ding bezorgd, maar laat uw begeerten in alles door bidden en smeken, met dankzegging, bekend worden bij God. En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw zinnen bewaren in Christus Jezus”.

Of om het met 1 Petr. 5 : 7 te zeggen: “Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u” [2].


Veilig bij de Heere

En ja, in deel 1 van deze serie is 2 Timótheüs 3 : 11 besproken, waar staat: “Mijn vervolgingen, mijn lijden, zulks als mij overkomen is in Antiochíë, in Ikónium en in Lystre; hoedanige vervolgingen ik geleden heb, en de Heere heeft mij uit alle verlost”. We zagen toen, als tegenhanger voor al diegenen die zeggen dat het u als Christen altijd goed zal gaan, dat uiteindelijk óók Paulus voor zijn geloof ter dood gebracht is onder keizer Nero. De Heere had Paulus door vele verzoekingen en moeilijkheden heen geholpen. Maar Paulus wist dat zijn uiteindelijke verlossing niet hier op aarde was, maar bij de Heere. Daarom schreef diezelfde Paulus in 2 Tim. 4 : 18: “En de Heere zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tot Zijn hemels Koninkrijk. Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen”. Díe bewaring, dat is de mooiste bewaring die u als gelovige overkomt. U bent altijd veilig bij Hem, hoe het hier op aarde ook gaat. Dat neemt niet weg dat de Heere met Paulus was en hem ook op aarde uit vele noden geholpen heeft. Het vers ervoor, 2 Tim. 3 : 17, zegt nota bene: “Maar de Heere heeft mij bijgestaan en heeft mij bekrachtigd; opdat men door mij ten volle zou verzekerd zijn van de prediking, en alle heidenen dezelve zouden horen; en ik ben uit den muil des leeuws verlost”. Paulus heeft zelfs met een leeuw in de arena gevochten, en de Heere heeft hem verlost.


De Heere heeft alle dingen in Zijn handen

En het is die Heere Die alle dingen in Zijn handen heeft. Ik wil afsluiten met een mooi voorbeeld, eigenlijk een negatief voorbeeld, maar het laat zien hoe onze Heere alles in Zijn handen heeft. Koning Saul ging zijn eigen weg en vertrouwde niet op de Heere. En uiteindelijk ging hij zelfs te rade bij de tovenares van Endor, een vrouw met een waarzeggende geest (1 Sam. 28). Uiteindelijk lezen we dan dat Saul de dood vond in de strijd. En hoe? 1 Sam. 31 : 4 laat zien dat hij zichzelf van het leven beroofde doordat hij bang en verwond was door de tegenpartij (1 Sam. 31 : 3, vgl. KJV 1611). En wat staat er dan in 1 Kron. 10 : 14 over Saul geschreven? Dat hij “den HEERE niet gezocht had; daarom doodde Hij hem, en keerde het koninkrijk tot David, den zoon van Isaï”. Hier staat dat de Heere de hele situatie zo geleid heeft.

Een zelfde situatie vinden we bij koning Achab. Achab was een boze koning, want hij “deed wat kwaad was in de ogen des Heeren, meer dan allen die vóór hem geweest waren” (1 Kon. 16 : 30). Achab wilde strijden tegen de Syriërs. En juist in die tijd was hij bevriend geraakt met de koning van Juda, koning Josafat (1 Kon. 22 : 2, 45). Maar ondanks dat koning Josafat vrede zocht met Achab, staat er wel van hem geschreven: “En hij wandelde in al den weg van zijn vader Asa; hij week niet daarvan, doende wat recht was in de ogen des HEEREN” (1 Kon. 22 : 43)! Achab raadpleegde zijn profeten, die allemaal zeiden dat hij de strijd met Syrië moest aangaan. Maar wat bleek, deze profeten werden gevoed door een leugengeest die een opdracht had van de Heere God, zodat Achab zou omkomen (1 Kon. 22 : 20 – 22). Maar Josafat wilde toch nog een andere profeet raadplegen: Micha (1 Kon. 22 : 7), die overigens al aangekondigd werd als een profeet des Heeren. En die gaf een andere boodschap, wel van de Heere (1 Kon. 22 : 14), en die boodschap was niet positief voor Achab. Hij zou omkomen (1 Kon. 22 : 17). Micha werd gevangen gezet, en Achab en Josafat trokken ten strijde. Maar Josafat ging gewoon in zijn koninklijke kleding, terwijl Achab zich verkleedde, zodat hij niet herkenbaar was. De koning van Syrië gaf de opdracht om alleen de koning van Israël te bestrijden (1 Kon. 22 : 31). En ondanks dat er maar 1 koning in koninklijke kledij was: de koning van Juda, die deed wat recht was in de ogen des Heeren, werd hij gespaard (1 Kon. 22 : 33). Maar er was een man die gewoon de boog spande en schoot, dus niet eens gericht op de koning van Israël (want die was niet te herkennen), maar toch werd deze geraakt. In 1 Kon, 22 : 34 lezen we: “Toen spande een man den boog in zijn eenvoudigheid en schoot den koning van Israël tussen de gespen en tussen het pantsier. Toen zeide hij tot zijn voerman: Keer uw hand en voer mij uit het leger, want ik ben zeer verwond”.  En Achab stierf, precies zoals de Heere door Micha had voorzegd (1 Kon. 22 : 37, 38).

Ziet u hoe de Heere zelfs in de strijd de loop der dingen in Zijn handen heeft? Josafat bleef leven, Achab sneuvelde. Het gaat allemaal exact zoals Hij wil. En Die God belooft in Zijn Woord dat Hij voor Zijn kinderen zal zorgen.

Ter afsluiting staat in 2 Kor. 9 : 8 geschreven: “En God is machtig alle genade te doen overvloedig zijn in u, opdat gij in alles allen tijd alle genoegzaamheid hebbende, tot alle goed werk overvloedig moogt zijn”.



[1]  Eigenlijk wordt Israël in Luk. 12 opgeroepen om eerst het geestelijke Koninkrijk te zoeken (niet eten en drinken; Rom. 14 : 17), en Zijn gerechtigheid (= Jezus Christus; Matth. 6 : 33), en krijgt de belofte dat als ze dat doen, dat dan ook de rest zal volgen (eten en drinken = fysiek = het letterlijke Koninkrijk van overvloed (Joël 2)). Zij hebben op dat moment het geestelijke Koninkrijk niet gezocht en daarmee ook het letterlijke Koninkrijk verworpen dat daardoor uitgesteld is (Rom. 10 : 3, 4). De Bijbel belooft wel herstel voor Israël. En omdat Israël Hem verworpen heeft, richt Hij Zich nu op het overblijfsel dat enerzijds door geloof plaats in de Gemeente krijgt, anderzijds tot geloof komt in de Grote Verdrukking en dan als Israël hersteld zal worden in het Duizendjarig Vrederijk (Luk. 12 : 32).
[2]  Overigens ook hier staat in de context het lijden: 1 Petr. 5 : 8 en 9.