Blue Flower

Over verleiding: wanneer zondigt men?



Inleiding

In de studie “Wat zegt de Bijbel over zonde?” hebben we gezien dat de mens een zondige natuur heeft, dat de mens van nature in zonde geboren wordt. Ook hebben we gezien dat de Bijbel drie definities voor zonde geeft. We zagen dat Jezus Christus voor die zondige natuur van ons gestorven is aan het kruis van Golgotha. In Hem mogen wij Gods rechtvaardigheid dragen. Ook zagen we dat het niet inhoudt dat daardoor de relatie met de hemelse Vader altijd in orde is. Als kinderen van God kunnen wij nog steeds zondigen, maar wij worden opgeroepen om die zonden te belijden voor God, en vervolgens te proberen om de zonde niet te laten heersen in onze lichamen (Rom. 6 : 12 – 14).

Aan de hand van Psalm 51, welke David schreef naar aanleiding van de gebeurtenissen met Bathséba, hebben we een praktisch voorbeeld gezien. David zondigde tegen zijn medemensen, en daarmee tegen God. Hij zondigde doordat hij de Wet overtrad. Ook hebben we gezien dat David berouw kreeg, zijn zonden beleed door ze met name te benoemen voor God. En tevens hebben we het verschil gezien tussen de periode onder de Wet en de Gemeente-tijd, waar het ging om vergeving. God vergaf in het Oude Testament ook de zonden, maar hield de schuldige geenszins onschuldig tot in het derde en vierde geslacht (Ex. 34 : 7), terwijl we in het Nieuwe Testament lezen dat God in Christus de wederom geboren mens de zonde niet toerekent (2 Kor. 5 : 19)! Wanneer mensen de Heere Jezus hebben aangenomen, wederom geboren zijn, dan vergeeft God niet alleen de zonde wanneer zij om vergeving vragen, maar Hij rekent de zonde ook niet toe. God doet de zonde volledig weg!

In deze studie zullen we onder andere stilstaan bij de vraag hoe en wanneer zonden in het leven van mensen ontstaan. Mensen denken bij zonde vaak aan het begaan van iets verkeerds, maar de zonde is er al voordat de daad begaan is...


De taktiek van satan: Gods Woord in twijfel trekken

In Gen. 3 : 1 – 6 lezen we over de geschiedenis van de zondeval. We lezen in dat gedeelte hoe de zonde de wereld in komt bij een vraag van satan. In Gen. 3 : 1 lezen we dat de satan Eva vraagt: “Is het ook, dat God gezegd heeft: Gij zult niet eten van alle boom van deze hof?”. We lezen hier dat de satan Gods woorden in twijfel trekt: “Is het ook dat God gezegd heeft…” Natuurlijk gebeurt er tussentijds nog het één en ander, maar het uiteindelijke resultaat, wanneer mensen gehoor geven aan satans twijfelzaaien, is zonde, de overtreding van Gods Woord. Hier voor Eva betreft dat het eten van de boom. Dit is een methode waar de vijand van God ook vandaag de dag nog steeds gebruik van maakt. De mens trekt het bestaan van God in twijfel, en men ontwikkelt de evolutie-theorie, een theorie die niet te bewijzen is, en van wetenschappelijke onjuistheden aan elkaar hangt, maar die wel als WETENSCHAPPELIJK onderwerzen wordt. En dat alleen maar vanwege het feit dat deze theorie het bestaan van God loochent! Maar dichter bij huis stelde destijds (2001) Willem Ouweneel in 'Bijbel & Wetenschap' het volgende:

“Elke theologische leer omtrent de onfeilbaarheid van de Schrift is feilbaar mensenwerk” [1].

Ouweneel geeft in zijn artikelen aan dat hij gelooft dat Gods Woord betrouwbaar is, maar dat bepaalde details misschien niet historisch letterlijk zijn [2]! Maar wie bepaalt vervolgens wat de details zijn? Het gaat in de Bijbel niet om een theologische leer! Het gaat erom dat God in Zijn Woord zegt, dat Zijn Woord waarheid is. Joh. 17 : 17 zegt: “Heilig ze in Uw waarheid; Uw Woord is de waarheid”. De Bijbel zegt in 2 Tim. 3 : 16 dat “Al de Schrift is van God ingegeven”, en de Heere spreekt in 2 Petr. 1 : 19 over het “profetische woord, dat zeer vast is”. En juist dat vormt het stevige bewijs dat Gods Woord WAARHEID is. Alle profetiën in het Oude Testament over de komst van de Heere Jezus zijn LETTERLIJK uitgekomen! En juist daarom vinden we de oproep in Gods Woord om niet aan Zijn Woord toe te voegen, en er niet vanaf te doen. In het Oude Testament onder de Wet lezen we reeds in Deut. 4 : 2: “Gij zult tot dit woord, dat ik u gebied, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat gij bewaart de geboden van de Heere, uw God, die ik u gebied”. En in Openbaring 22 : 18 en 19 lezen we: “Want ik betuig aan een ieder, die de woorden van de profetie van dit boek hoort: Indien iemand tot deze dingen toedoet, God zal hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven zijn. En indien iemand afdoet van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is”. Dit toedoen aan en afdoen van is iets wat we vinden in de nieuwe bijbelvertalingen, waar u op de site meer over kunt lezen. Onder het mom van een “voortschreidende wetenschap”, blijft men toevoegen aan en afdoen van Gods Woord!


De methode tot verleiding

In ieder geval zien we in Gen. 3 : 1 dat het toedoen aan, en afdoen van Gods Woord, en het in twijfel trekken van Gods Woord, de eerste, en meteen ook succesvolle methode van de satan is om de mens te verleiden. De satan stelt een vraag, en daarbij doet hij net alsof hij God citeert, alleen hij maakt de vraag net iets anders. De opdracht luidde, in Gen. 2 : 16, 17: “En de Heere God gebood de mens, zeggende: Van alle boom van deze hof zult gij VRIJ eten; maar van de boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven”. Met zijn vraag, “Is het ook, dat God gezegd heeft: Gij zult niet eten van alle boom van deze hof?” probeert de satan God af te beelden als een soort gemene despoot. Eva geeft antwoord in Gen. 3 : 2: “En de vrouw zeide tot de slang: Van de vrucht der bomen van deze hof zullen wij eten”. En daar is Eva’s eerste fout: God had gezegd: “Van alle boom (…) zult gij VRIJ eten; maar” van ééntje niet! Adam en Eva konden VRIJ van alle bomen eten, waaronder de boom des levens (Gen. 2 : 9). Oftewel, zoals wij IN CHRISTUS de genadegift van het eeuwige leven vrij hebben gekregen (Rom. 6 : 23), zo konden Adam en Eva vrij deelnemen aan de boom des levens. Zij hadden VRIJ toegang tot het eeuwige leven (Gen. 3 : 22). En juist dat woordje ‘VRIJ’ laat Eva in haar antwoord aan de slang weg! Maar daar blijft het niet bij. Haar antwoord gaat verder in Gen. 3 : 3: “Maar van de vrucht van de boom, die in het midden van de hof is, heeft God gezegd: Gij zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft”. Hier voegt Eva dus iets toe, namelijk: “noch die aanroeren”. En juist door deze toevoeging heeft ze de essentie uit de tekst weggehaald, namelijk dat de vrucht niet gegeten mocht worden!

Vervolgens lezen we in Gen. 3 : 4 en 5 wat de satan zegt: “Toen zeide de slang tot de vrouw: Gij zult de dood niet sterven; Maar God weet, dat ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad”. De satan citeert bijna letterlijk de woorden van God, alleen voegt hij er het woordje “niet” aan toe, waarmee hij in feite beweert dat God een leugenaar is!


Zo ontstaat zonde…

We zien hier ook een ontwikkeling. Eerst wordt de wil van God weerstaan. Er worden dingen toegevoegd aan en afgedaan van Zijn Woorden. Vervolgens wordt Zijn Woord rechtstreeks ontkend, en vervolgens wordt Gods weg verlaten. Er wordt zondig gehandeld. Satans methode is vanaf het begin als volgt geweest: Ten eerste vraagtekens plaatsen bij Gods Woord (Gen. 3 : 1), ten tweede Zijn Rechtvaardigheid en daarmee Zijn strengheid loochenen (Gen. 3 : 4) en ten derde Gods goedheid belachelijk maken (Gen. 3 : 5). En let op satans taktiek! Want in zijn leugen zitten wel vier waarheden:

  1. “God weet” – helemaal waar.
  2. “zo zullen uw ogen geopend worden” – helemaal waar (zie Gen. 3 : 7).
  3. “en Gij zult als God wezen” – ook dat is waar, zie Gen. 3 : 22.
  4. “kennende het goed en het kwaad” – opnieuw helemaal waar, zie Gen. 3 : 22.


Dit zijn allemaal waarheden, maar de satan vertelt Eva er niet bij dat het niet altijd leuk is om geopende ogen te hebben. Het effect hiervan wordt vanuit Gods oogpunt heel duidelijk zichtbaar in bijvoorbeeld Hab. 1 : 13: “Gij zijt te rein van ogen, dan dat Gij het kwade zoudt zien, en de kwelling kunt Gij niet aanschouwen; waarom zoudt Gij aanschouwen die trouweloos handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen, als de goddeloze hem verslindt, die rechtvaardiger is dan hij?”. En de satan vertelt er Eva niet bij dat het kennen van goed en kwaad de mens juist veroordeelt (Jak. 4 : 17). Juist door al die zogenaamd “goede dingen” te benadrukken, is het de vijand gelukt om Eva te verleiden.


De overleggingen in het hart zijn de basis van zonde

De Heere maakt in Zijn Woord duidelijk dat de mens vanuit zijn binnenste zondig is. In Jer. 17 : 9 staat: “Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen?”. Vervolgens lezen we in Rom. 1 : 21 het volgende: “Omdat zij, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden”. Al zijn dingen nog niet uitgesproken, de overleggingen in het hart zijn het begin van de zonde. En daar begon het bij Eva eigenlijk ook al.
In Gen. 3 : 6 lezen we: “En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijs, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at”. De teksten Gen. 3 : 3 en 6 laten zien dat Eva, voordat zij duidelijk zondigt in haar handelen, reeds, door van Gods Woorden af te doen en er aan toe te doen, komt tot zonde. Dit verklaart overigens waarom de Heere Jezus in Matth. 5 : 28 de volgende uitspraak doet: “Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw aanziet, om haar te begeren, die heeft reeds overspel in zijn hart met haar gedaan”. De zonde is al begaan, voordat de daad zelf uitgevoerd is!


Presentatie – Verlichting – Debat – Besluit – Daad

De zonde is al begaan, voordat de daad zelf uitgevoerd is. Maar wanneer is iets zonde? In feite is het zondigen in vijf stadia in te delen. Presentatie – Verlichting (en dan NIET de New Age term!) – Debat – Besluit – Daad.

Iets gepresenteerd krijgen is geen zonde. De Heere Jezus werd in de woestijn verzocht. In Matth. 4 : 8 kunt u lezen dat de duivel Hem onder andere “al de koninkrijken der wereld, en hun heerlijkheid” toonde. Maar ondanks dat Hij alles zag, was Hij zonder zonde. In Hebr. 4 : 15 lezen we: “Want wij hebben geen Hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, zoals wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde”.

Ook wanneer de mens “verlichting” krijgt over hetgeen hij gepresenteerd krijgt, is het nog geen zonde. Daarvoor heeft de Heere de Wet gegeven, daarvoor heeft de Heere ons Zijn Woord gegeven. Rom. 3 : 20 zegt: “…want door de wet is de kennis der zonde”. Gods Woord geeft licht op onze levenswandel.

Maar dan kan men er op twee manieren mee omgaan. Aan de hand van de kennis van de Wet kan men de juiste keuze maken en niet zondigen. Maar men kan ook “in debat” gaan. Of zoals de Bijbel het noemt: “de overleggingen in het hart”. En in dat debat is er een strijd tussen het geweten van de mens en zijn vlees. En daar ligt dan het begin van de zonde: ergens tussen de fase van verlichting en de fase van het debat.

Uit het debat volgt een besluit, en de daad is de laatste stap. Maar de zonde is dus al eerder ontstaan! Matth. 5 : 19 zegt: “Want uit het hart komen voort boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen”.


De verzoeking in  de woestijn

Hoe ging de Heere Jezus hiermee om? Dat kunnen we lezen in Matth. 4 : 1 – 11. De Heere Jezus werd verzocht in de woestijn. En we zien hier dat de duivel ook de Heere Jezus vragen stelt. “Indien Gij Gods Zoon zijt…” (Matth. 4 : 3, 6). Opnieuw zien we daarin de twijfelende vraag. Maar ook het subtiele zien we hier terug. Hij houdt de Heere Jezus Bijbelpassages voor, alleen uit de context gehaald. In Matth. 4 : 6 zegt nota bene de duivel: “…want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen aangaande u bevelen zal, en dat zij U op de handen zullen nemen, opdat Gij niet te eniger tijd Uw voet aan een steen stoot”. De satan citeert hier Psalm 91 : 11 en 12, waar staat: “Want Hij zal Zijn engelen aangaande u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen. Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot”. Deze Psalm gaat inderdaad profetisch over Jezus Christus, maar de tijd van Matth. 1 – 4 en de verzoeking in de woestijn was niet het juiste moment om in vervulling te gaan. We zien overigens dat de satan ook hier iets weglaat: “dat zij u bewaren in al uw wegen”. De tekst was dus absoluut niet bedoeld voor een sprong van de tempel in opdracht van de satan! De Heere Jezus werd bewaard om Gods wil te doen (Hebr. 10 : 7 – 9).

Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor de verzoeking in Matth. 4 : 8 en 9: “Weer nam de duivel Hem mee op een zeer hoge berg, en toonde Hem al de koninkrijken der wereld, en hun heerlijkheid; En zeide tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij, neervallende, mij zult aanbidden”. Gods Woord laat zien dat de Heere Jezus het Koningschap over deze aarde toekomt. We lezen erover in de profeten (Jes. 9 : 6; Dan. 2 : 34, 44 – 45), het wordt aangekondigd bij de geboorte van de Heere Jezus (Luk. 1 : 31 – 33), en het wordt in Openbaring bevestigd dat dit in de toekomst zal gebeuren (Openb. 11 : 15). Met andere woorden: in de tijd van de verzoeking in de woestijn was de tijd nog niet rijp voor vervulling. We zien hoe de satan subtiel Gods Woord onder de aandacht brengt, maar het verdraait en uit de context haalt! Logisch natuurlijk, maar de Heere Jezus kent Gods Woord, en Zijn verdediging is drie keer: “Er is geschreven…” En de Heere Jezus citeert Gods Woord (Matth. 4 : 4, 7 en 10).


Ons enig wapen ter verdediging: Gods Woord

De Heere Jezus citeert bij de verzoeking in de woestijn Gods Woord. Het is niet voor niets dat wij als kinderen van God in deze tijd als enige wapen in de wapenrusting het zwaard des Geestes, het Woord van God, hebben gekregen (Ef. 6 : 17). Met dat zwaard kunnen wij de aanvallen van de boze, om het met Ef. 6 : 11 te zeggen: “de listige omleidingen van de duivel”, weerstaan. Mits we niet gaan toevoegen aan of afdoen van Gods Woord! Zo belangrijk is Gods Woord voor ons, zo belangrijk is het om alles, wat gezegd wordt, te toetsen aan Gods Woord (Hand. 17 : 11).


Verleidingen in drie categorieën

In plaats dat Eva zegt: “Zo zegt de Heere…”, heeft zij reeds toegevoegd aan Gods Woord, en zij gaat in Gen. 3 : 6 in debat, en zij zondigt. “En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijs, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam…” En zij deed wat God verboden had!

Het mooie is, dat wanneer de Bijbel over de verleiding tot zonde spreekt, er elke keer sprake is van een driedeling. Elke zonde op de wereld past in deze drie categorieën. In 1 Joh. 2 : 16 zien we deze drie categorieën in één vers: “Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld”. En juist in deze drie vinden de mensen hun verleidingen.


De drie verleidingssoorten in Genesis

In Gen. 3 vinden we “de begeerlijkheid des vleses”, namelijk dat Eva zag “dat die boom goed was tot spijs”. We vinden in Gen. 3 “de begeerlijkheid der ogen”, namelijk dat Eva zag “dat hij een lust was voor de ogen”, en we vinden in Gen. 3 “de grootsheid des levens”, namelijk dat Eva een boom zag “die begeerlijk was om verstandig te maken”.


De drie verleidingssoorten bij de Heere Jezus

Maar ook de Heere Jezus werd op deze drie verzocht. De Heere Jezus werd verzocht op “de begeerlijkheid des vleses” doordat Hem gezegd werd “zeg, dat deze stenen broden worden” (Matth. 4 : 3). De Heere Jezus werd verzocht op “de begeerlijkheid der ogen” doordat Hem “al de koninkrijken der wereld, en hun heerlijkheid” getoond werden (Matth. 4 : 8), en Hij werd verzocht op “de grootsheid des levens” doordat Hem gezegd werd: “werp Uzelf nederwaarts” (Matth. 4 : 6).


Verleiding: God wantrouwen, uitsluiten en “misbruiken”

De eerste verleidingssoort “de begeerlijkheid des vleses” betekent zoveel als: wantrouw God, en zorg zelf voor een oplossing. Bij de tweede verleiding “de begeerlijkheid der ogen”, verleidt satan u dus door God uit te sluiten en de duivel iets voor u te laten doen. En bij de derde verleiding “de grootsheid des levens” verleidt satan u door misbruik te maken van God, en God te dwingen iets voor u te doen. In feite is het een laten zien hoe wijs u bent. Hier betreft het dan de wijsheid uit de wereld en niet de kennis of wijsheid van God. Alle verleidingen en zonden, die daaruit voortkomen (of het nu gaat om trotsheid, jaloersheid, overspeligheid, lust, moord, kwaadheid, stelen, opgeblazenheid, liegen, dronkenschap of afgoderij, om er maar een paar te noemen), zijn in feite het resultaat van in ieder geval één van deze drie verleidingen.


Leidt uw gedachten tot de gehoorzaamheid van Christus

Wanneer we in feite met de satan in debat gaan, dan worden we op subtiele manier verleid. En dan zijn er voor ons mensen vaak redenen te bedenken waarom we ons niet aan Gods Woord willen houden. David zag een mooie vrouw, Bathséba, en kwam tot moord en overspel (2 Sam. 11). Lot zag een mooi stuk land (Gen. 13 : 10), en koos niet voor Gods land. Of we lezen de Bijbel en kunnen denken: “Het zal toch niet zo bedoeld zijn?”, “Ach, Gods Woord is vaak in tegenspraak…” (wat niet waar is, maar wat wel een veel gehoorde zin is), “Ik zag een schilderij, het was zo’n mooie weergave van dat Bijbelgedeelte! We moeten tussen de regels door eigenlijk lezen dat (…). Dat kon je gewoon in de afbeelding zien…” En ondertussen is de mens weer aan het toevoegen aan of afdoen van Gods Woord… wat zonde is en leidt tot zondige daden! Het is dus nuttig om te weten dat de zonde er eerder is, dan dat zij uitgevoerd is in daden. Wij kunnen dan proberen om 2 Kor. 10 : 5 in de praktijk te brengen: "Daar wij de overleggingen terneer werpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus".


Onze Hogepriester heeft medelijden met onze zwakheden...

Gelukkig is de Heere Jezus met Zijn Hemelvaart naar de Vader gegaan. Hij is verzocht geweest en zonder zonden gebleken, Hij heeft geleden en heeft Zijn bloed vergoten, Hij is opgestaan uit de dood en is nu als Hogepriester bij de Vader om voor ons te bidden. Laten we afsluiten met Hebr. 4 : 14 – 16: “Daar wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden. Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, zoals wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd”.


[1] “Bijbel en Wetenschap”, tijdschrift van de Evangelische Hogeschool, 26e jaargang, nr. 230, oktober 2001, blz. 6.
[2] “Bijbel en Wetenschap”, tijdschrift van de Evangelische Hogeschool, 26e jaargang, nr. 231, november 2001, blz. 6, 7.