Blue Flower

Geest, ziel en lichaam



Inleiding

In een serie Bijbelstudies over ons behoud, is stilgestaan bij onderwerpen als de wedergeboorte, verlossing, toerekening, rechtvaardigmaking, verzoening, aanneming, uitverkiezing en heiligmaking.

Door de wedergeboorte is de mens verzegeld met Gods Geest. De mens is dan levend geworden voor God. En de mens mag zich behouden weten, omdat hij of zij de Heilige Geest als onderpand ontvangen heeft van de verkregen verlossing (Ef. 1 : 13, 14).

Maar díe mens is ook geestelijk besneden. Hij of zij heeft het “lichaam der zonden des vleses” uitgetrokken. Met andere woorden: de wederom geborene leeft nog wel hier op aarde, en heeft te maken met het vlees, wat tot zonde kan verleiden, maar zijn of haar ziel is behouden. De zonden worden niet meer toegerekend, de Heere Jezus heeft ze weggedragen en hij of zij draagt dan ook Gods rechtvaardigheid (2 Kor. 5 : 21).

Maar doordat dat vlees nog steeds tot zonde verleid, is er een strijd in het leven van de wederom geboren gelovige. De Heere vraagt om het lichaam te bedwingen en tot dienstbaarheid te brengen. Daarmee kan de wederom geborene loon verdienen voor de eeuwigheid. Dat is wat de Bijbel heiligmaking noemt.

In deze studie willen we stilstaan bij de vraag wat nu eigenlijk onze geest, ziel en lichaam zijn. Daarbij zal ook het begrip “hart” ter sprake komen. Ook zullen we zien hoe geest, ziel en lichaam, maar ook ons hart, te maken hebben met bijvoorbeeld wedergeboorte en heiligmaking. Tevens zien we waarom we Schrift met Schrift moeten vergelijken om Gods Woord(en) te mogen begrijpen.


Verschillende visies

Omdat de woorden “ziel” en “geest” nog wel door elkaar gebruikt lijken te worden, zijn er heel wat verschillende visies rondom de ziel ontstaan. Veel van die visies zijn weer gebaseerd op de Griekse en Hebreeuwse grondwoorden. En dan moet men, zoals we op de site in diverse studies hebben gezien, gaan oppassen…, want dan belandt men al snel in een cursus Griekse filosofie, in plaats van een Bijbelstudie.


Zijn ziel en geest hetzelfde?

Er zijn er die zeggen dat ziel en geest eigenlijk hetzelfde zijn. In een artikel van een Volle Evangelie Gemeente is het volgende te lezen:

“De ziel is het geestelijk hart van de mens, het hart van het geestelijk lichaam; de ziel vormt de kern, het middelpunt van het geestelijk lichaam; het is verborgen in het geestelijk lichaam. Anders gezegd: (…) De ziel is de kern van de geest, zoals de pit de kern is van de vrucht. In dit beeld wordt de eenheid van geest en ziel duidelijk; zij zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het is één onstoffelijk geheel; geest en ziel zijn uit hetzelfde ‘materiaal’ geformeerd. De menselijke geest ‘verdicht’ zich als het ware in het centrale deel tot ziel” [1].

Volgens deze beschrijving is de ziel dus eigenlijk gewoon de geest van de mens. Maar de Bijbel is duidelijk. De ziel is wat anders dan de geest. De Bijbel laat namelijk zien dat de mens, net als de Heere God, uit drie bestaat. Een tekst als 1 Thess. 5 : 23 is duidelijk genoeg: “En de God des vredes Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus”. De mens bestaat dus uit een geest, en een ziel, en een lichaam. En dan komt de vraag: Zijn die ziel en die geest “onlosmakelijk met elkaar verbonden”? Zijn zij “één onstoffelijk geheel”? Laten we eens kijken wat de Heere in Zijn Woord, in Hebr. 4 : 12, zegt: “Want het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling der ziel en des geestes, en der samenvoegselen en des mergs, en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten”. Hier staat dus dat Gods Woord ziel en geest van elkaar scheidt. Zij zijn klaarblijkelijk niet onlosmakelijk met elkaar verbonden…


De Griekse Lexicon…

In feite is het niet vreemd dat men tot deze theorieën komt. Als we kijken naar wat er in de (Hebreeuwse en) Griekse Lexicons staat, dan zien we daar het volgende, met hier als voorbeeld de veelgebruikte “Strong’s Concordance” (zie de figuur):

Strong's Concordance over ziel en geest...

Als in de Griekse Lexicon (zie figuur) bij het Griekse woord voor “ziel” (psyche), staat dat het “adem” is, en dat het vervolgens uitgelegd wordt als zijnde “geest”, en dat er dan verwezen wordt naar het Griekse woordje voor “geest” (pneuma), wat “wind” betekent, en dat dat vervolgens de “rationele en onsterfelijke ziel” genoemd wordt… dan is de verwarring dus compleet. Gods Woord maakt duidelijk onderscheid tussen beide, maar de “geest” noemt men in de Griekse Lexicon alvast de “ziel”… Overigens de oneerlijkheid van “Strong’s Concordance” blijkt ook uit het feit dat bij de KJV (zie de figuur) de vertaling “ziel” als laatste gegeven wordt, terwijl deze het meest voorkomt, en de vertaling “hart”, die maar één keer voorkomt in de KJV, staat op de eerste plaats. “Strong’s” wil mensen laten geloven dat de ziel, de ziel niet is. In de rubriek “Gods Woord bewaren” kunt u een aantal voorbeelden lezen over hoe de “Strong’s Concordance” werkt, en hoe deze ontstaan is vanuit de Schriftkritiek en mensen aanzet tot twijfel...


Is de ziel een tussenpersoon?

In een artikel van Watchman Nee, die in ieder geval vasthoudt aan het feit dat de mens echt drieledig is, is het volgende te lezen:

“Zoals reeds vermeld, is de ziel de ontmoetingsplaats van geest en lichaam want zij zijn verweven met elkaar. Door zijn geest heeft de mens omgang met de geestelijke wereld en met de Geest van God. (...). Door zijn lichaam is de mens in contact met de voelbare buitenwereld, (...). De ziel staat tussen deze twee werelden en behoort toch tot beide. Zij is verbonden met de geestelijke wereld door de geest en met de materiële wereld door het lichaam. Zij is ook in het bezit van de macht van een vrije wil en is dientengevolge in staat om uit haar omgeving te kiezen. De geest kan niet direct het lichaam besturen. Hij heeft een tussenpersoon nodig en die tussenpersoon is de ziel die ontstaan is doordat de geest in aanraking kwam met het lichaam. De ziel staat daarom tussen de geest en het lichaam, terwijl zij die beiden samenbindt. De geest kan het lichaam onderwerpen door de ziel als tussenpersoon, zodat het God zal gehoorzamen; gelijkerwijs kan het lichaam door de ziel de geest verleiden de wereld lief te hebben” [2].

Nergens in de Bijbel wordt echter genoemd dat ziel een “tussenpersoon” is. Zo wordt er in het citaat gezegd dat de ziel de geest en het lichaam verbindt. De ziel zou kunnen kiezen voor de Heere, maar ook voor het vlees. Maar wat zegt nu Gods Woord over de wederom geboren gelovige? Gods Woord laat zien dat de wederom geboren gelovige zijn “lichaam der zonden des vleses” door de wedergeboorte heeft uitgetrokken! In Kol. 2 : 10 en 11 lezen we namelijk: “En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht; In Welken gij ook besneden zijt met een besnijdenis die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses, door de besnijdenis van Christus”. En dat betekent dat de werking van Gods Woord niet alleen ziel en geest van elkaar scheidt, volgens Hebr. 4 : 12, maar bij de wedergeboorte is ook het vlees van de ziel gescheiden. Dus hoezo zijn deze beide aan elkaar verbonden? Dat klopt helemaal niet.


Is de ziel de natuurlijke mens?

Een schema wat nog wel veel gebruikt wordt, is het schema zoals dat in een boek van Clarence Larkin staat [3]:

Geest, ziel en lichaam volgens C. Larkin. Bron: ‘Dispensational Truth or God’s Plan and Purpose in the Ages’, Clarence Larkin, Rev. Clarence Larkin Est., Glenside, Pa, USA, blz. 99..

Wat in het schema opvalt, is dat er bij “ziel” het woordje “natuurlijk” met de tekst 1 Kor. 2 : 14 staat. In die tekst staat geschreven: “Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden”. Maar die Bijbeltekst gaat helemaal niet over de ziel. Die tekst gaat of over de natuurlijke mens, het vlees, of over de Geest van God. De natuurlijke mens is namelijk niet geestelijk, maar vleselijk. In Ef. 2 : 3 staat geschreven: “Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende den wil des vleses en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen”. Van nature leeft de mens dus uit het vlees. Het woordje “natuurlijk” met de tekst 1 Kor. 2 : 14 hoort dus niet bij de ziel, maar bij het lichaam (de buitenste ring met “body”). Verder zien we in de figuur dat de poorten van een mens, die de Heilige Geest draagt, doorgaan tot in de ziel. Maar Gods Woord laat nu juist zien dat de wederom geboren mens zijn “lichaam der zonden des vleses uitgetrokken” heeft, door de geestelijke besnijdenis. Het bijzondere is dat zowel het artikel van de Volle Evangelie Gemeente, als Watchman Nee, als Clarence Larkin de tekst Kol. 2 : 10, 11 niet noemen in hun schrijven over “geest, ziel en lichaam”. Waarom noemt men wel Hebr. 4 : 12? En waarom noemt men niet Kol. 2 : 10 en 11, waar gesproken wordt over een geestelijke besnijdenis van Christus? Het lijkt een doelbewuste omissie, omdat anders hun theorieën over de ziel niet meer kloppen. De Bijbel laat echter zien dat het vlees van de wederom geborene los is van de ziel, het vlees heeft dan geen invloed meer op de ziel…


Het lichaam

Maar laten wij eerst eens kijken naar de vraag wat nu precies een ziel is. Daarom is het ook belangrijk om te kijken naar geest en lichaam. Allereerst heeft een mens een lichaam. En het is juist dat lichaam waarvan de Bijbel duidelijk maakt dat daar de zonde in woont. In Rom. 7 : 18 lezen we: “Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet”. En dat dat “vlees” inderdaad betrekking heeft op het lichaam blijkt ook uit de vraag van Rom. 7 : 24: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?”. Nu, we weten dat wij ons lichaam nog zullen moeten afleggen. Daar woont de zonde in. Dat kan niet naar de Heere in de hemel. Dus als wij sterven dan vergaat het lichaam in het graf.


De geest

Dan heeft de mens een geest. Maar wat is nu een geest? Dat het woord in de StatenBijbel terecht met geest vertaald is, en niet met ziel, zoals de Schriftcritici voorstellen, blijkt uit het feit dat de geest staat voor wind of adem. Toen de Heere God de mens schiep, gebeurde het volgende in Gen. 2 : 7: “En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel”. De Heere God heeft dus de adem des levens in de neusgaten van de mens geblazen. Het feit dat de mens ademt, betekent dat hij een geest heeft. De ziel is dus niet “de adem des levens”, zoals Strong wel beweert, want geest, ziel en lichaam zijn aparte “onderdelen” (1 Thess. 5 : 23). Door de zondeval is die menselijke geest gestorven voor God (Gen. 2 : 17). Daardoor is uiteindelijk ook de wedergeboorte nodig, de mens moet uit de Geest geboren worden (Joh. 3 : 6, 7), pas dan is de mens opnieuw levend voor God.

Dat de geest gelijk staat aan adem of wind blijkt ook uit bijvoorbeeld Ezech. 37 : 9 en 14: “En Hij zeide tot mij: Profeteer tot den geest; profeteer, mensenkind, en zeg tot den geest: Zo zegt de Heere HEERE: Gij geest, kom aan van de vier winden en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden. (…) En Ik zal Mijn Geest in u geven, en gij zult leven, en Ik zal u in uw land zetten; en gij zult weten dat Ik, de HEERE, dit gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE”.

In Pred. 3 : 21 vinden we een bijzonder vers, dat laat zien, wat vaak ontkend wordt, dat ook dieren een geest hebben. Er staat geschreven: “Wie merkt dat de adem van de kinderen der mensen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts in de aarde?”. Nu gaan we het niet over de adem der beesten hebben, maar wel over de adem der mensen. En in Pred. 12 : 7 wordt daarvan nogeens herhaald: “En dat het stof weder tot aarde keert, als het geweest is; en de geest weder tot God keert, Die hem gegeven heeft”. Het lichaam gaat naar de aarde en wordt weer stof. Maar de geest… We hebben het hier over de Oudtestamentische situatie, waarvan we weten dat de ziel naar het hart der aarde ging, naar Abrahams schoot of naar de hel (Luk. 16 : 19 – 31). Maar blijkbaar keerde toen al de geest des mensen terug tot God. Blijkbaar is de geest niet bepalend voor ons als persoon. De Bijbel, Gods Woorden, laat door Schrift met Schrift vergelijken duidelijk wat anders zien dan de Griekse Lexicon. Wie vertrouwt u?


De ziel

Dan blijft de ziel over. De ziel moet dan hetgeen zijn dat in de Oudtestamentische situatie naar het hart der aarde ging, en, na het lijden en sterven van de Heere Jezus, naar de hemel gaat. Het feit doet zich voor dat het woordje ziel heel vaak gewoon als synoniem voor de mens gebruikt wordt, zeker in het Oude Testament. In Gen. 19 : 20 staat bijvoorbeeld geschreven: “Zie toch, deze stad is nabij om derwaarts te vluchten, en zij is klein; laat mij toch derwaarts behouden worden (is zij niet klein?), opdat mijn ziel leve”. In deze geschiedenis gaat het erom dat Lot vlucht, en dat hij zelf blijft leven. In Jer. 22 : 25a lezen we: “En Ik zal u geven in de hand dergenen die uw ziel zoeken...”. En dat terwijl de Heere Jezus in Matth. 10 : 28 zegt: “En vreest niet voor degenen die het lichaam doden en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veelmeer Hem Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel”. De ziel is in die Oudtestamentische teksten dus synoniem met “leven”. En dat komt veel vaker voor (zie bijv. Gen. 9 : 15, 16; Num. 23 : 10; Num. 30 : 20; Rom. 11 : 3). Zo wordt het woordje “ziel” ook voor dieren gebruikt, omdat dieren ook leven (Gen. 1 : 20, Num. 31 : 28).

Maar ook in het Oude Testament is de ziel meer dan alleen lichamelijk leven. Ook in het Oude Testament is er weldegelijk onderscheid. In Gen. 35 : 18 lezen we over Rachel: “En het geschiedde als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin”. Dus toen Rachel stierf, ging haar ziel uit haar. Of Job 14 : 22 zegt: “Maar zijn vlees nog aan hem zijnde, heeft smart; en zijn ziel in hem zijnde, heeft rouw” (zie ook Ps. 43 : 5; 1 Kon. 17 : 21, 22). De context van het vers moet dus duidelijk maken of het woordje “ziel” de “mens” of het “leven” betekent, of dat het daadwerkelijk over de ziel in de mens gaat, die niet sterft.


Wat is de ziel?

Maar wat is die ziel dan? Laten we in Openb. 6 : 9 eens lezen over de zielen, weliswaar uit de Grote Verdrukking, die in de hemel zijn: “En toen Het het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen dergenen die gedood waren om het Woord Gods, en om de getuigenis die zij hadden”. Het gaat hier dus over zielen… En dan lezen we in Openb. 6 : 10 dat deze zielen roepen. Zij hebben klaarblijkelijk een mond. En kijk wat er dan in Openb. 6 : 11 geschreven staat: “En aan een iegelijk werden lange witte klederen gegeven, en hun werd gezegd dat zij nog een kleinen tijd rusten zouden, totdat ook hun mededienstknechten en hun broeders zouden vervuld zijn, die gedood zouden worden gelijk als zij”. Deze zielen kunnen blijkbaar kleding dragen. Wat hieruit blijkt, is dat zielen een lichamelijke vorm hebben.

Ook blijkt dit uit het gedeelte over de rijke man en de arme Lazarus in Luk. 16 : 19 – 31. Wanneer de rijke man in de hel zijn ogen opent, dan ziet hij (Luk. 16 : 23). En hij zegt dan, hij heeft blijkbaar ook een mond: “En hij riep en zeide: Vader Abraham, ontferm u mijner en zend Lázarus, dat hij het uiterste zijns vingers in het water dope, en verkoele mijn tong; want ik lijd smarten in deze vlam” (Luk. 16 : 24). Hij heeft blijkbaar ook een tong. Hier wordt opnieuw bevestigd dat een ziel een lichamelijke vorm heeft.

In plaats van het schema van Clarence Larkin, hier een voorstel voor een ander schema: Een mens met daarbinnen zijn ziel, die ook een lichamelijke vorm heeft.

Geest, ziel en lichaam.


De ziel die “vergaat” tot een worm

Eeuwig leven betekent dus dat de ziel behouden is. De wederom geboren gelovige behoudt zijn of haar lichamelijke vorm. Maar de ziel van ongelovigen sterft weliswaar niet in de hel, maar verandert wel. In Mark. 9 : 43 en 44 lezen we: “En indien uw hand u ergert, houw ze af; het is u beter verminkt tot het leven in te gaan, dan de twee handen hebbende, heen te gaan in de hel, in het onuitblusselijk vuur; Waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt”. Van de Heere Jezus, Die voor ons ter helle is afgedaald (Hand. 2 : 27, 31), staat in de lijdenspsalm geschreven: “Maar Ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen en veracht van het volk” (Ps. 22 : 7). Maar de Heere Jezus is opgestaan. Hij is niet verlaten in de hel (Hand. 2 : 31) en heeft de dood overwonnen (zie ook Jes. 53 : 12). Maar de Bijbel is duidelijk in wat het inhoudt als de ongelovige sterft. Het is niet voor niets dat de Heere Jezus in Mark. 8 : 36 zegt: “Want wat zou het den mens baten, zo hij de gehele wereld won, en zijner ziele schade leed?”.


De mens die zondigt, zijn ziel is schuldig

Met name in het Oude Testament zien we, dat als de mens zondigde, dat zijn ziel ook zondigde. In Lev. 18 : 29 staat geschreven: “Want al wie enige van deze gruwelen doen zal, die zielen die ze doen, zullen uit het midden van haar volk uitgeroeid worden”. Hier zou men kunnen zeggen: “Ja, maar die zielen staan hier voor personen”. Maar kijk dan eens in Num. 5 : 6: “Spreek tot de kinderen Israëls: Wanneer een man of vrouw iets van enige menselijke zonden gedaan zullen hebben, overtreden hebbende door overtreding tegen den HEERE, zo is diezelve ziel schuldig”. Of Ezech. 18 : 4, waar geschreven staat: “Zie, alle zielen zijn Mijne; gelijk de ziel des vaders, alzo ook de ziel des zoons zijn Mijne; de ziel die zondigt, die zal sterven”. Hier wordt over “de ziel van de vader”, en de “ziel van de zoon” gesproken, en “de ziel die zondigt, die zal sterven”. Waar het nu om gaat, is dat het synoniem zover doorgaat, dat inderdaad blijkt dat als de mens in het Oude Testament zondigde, dat het tevens voor de ziel gold.


Een geestelijke besnijdenis

En zo zien we in het Oude Testament dat het volk Israël, door niet te luisteren naar de Heere, een onbesneden hart heeft. In Lev. 26 : 41, waar het uiteindelijk over de bekering van Israël gaat, lezen we: “Dat Ik ook met hen in tegenheid gewandeld en hen in het land hunner vijanden gebracht zal hebben. Zo dan hun onbesneden hart gebogen wordt en zij dan aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen hebben”. Zo lezen we op diverse plekken onder de Wet de oproep dat het volk van God zijn hart moet laten besnijden. In Deut. 10 : 16 staat geschreven: “Besnijdt dan de voorhuid uws harten, en verhardt uw nek niet meer”. En in Deut. 30 : 6 lezen we: “En de HEERE uw God zal uw hart besnijden en het hart van uw zaad, om den HEERE uw God lief te hebben met uw ganse hart en met uw ganse ziel, opdat gij leeft.” Dit heeft met Israëls toekomst te maken, dit gaat eens gebeuren. Maar wij, als leden van Zijn Gemeente, zijn besneden door de werking van het Woord van God (Hebr. 4 : 12). Daar hebben we eerder in deze studie al over gelezen, namelijk in Kol. 2 : 10 en 11. Wij zijn besneden met de “besnijdenis van Christus”, waarbij wij ons “lichaam der zonden des vleses” hebben uitgetrokken. In het Oude Testament was dit niet het geval. Daar was het vlees inderdaad verbonden met de ziel. En voor de ongelovige geldt dat dus nog steeds. Vandaar de stippellijn tussen de ziel en het vlees in de figuur van “de natuurlijke mens”. In de brieven aan de Gemeente is dan ook niet te vinden, dat als een Gemeentelid zondigt, dat zijn ziel zondigt. Sterker nog, als al onze werken verbranden voor de Rechterstoel van Christus dan zijn we zelf behouden. In 1 Kor. 3 : 15 staat geschreven: “Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur”. Met andere woorden: onze ziel ondervindt geen gevolgen meer van de zonde. Vandaar de dikke barrière in de figuur van “de wederom geborene” tussen de ziel en het lichaam. Het is dan ook niet voor niets dat wij “Gods rechtvaardigheid” kunnen dragen (2 Kor. 5 : 21). Ja, wij kunnen schade lijden, maar dat is niet aan onze ziel zelf. Dat is dan omdat we geen loon en kroon krijgen, en een deel van de erfenis in het Koninkrijk moeten missen (2 Tim. 2 : 11 – 13). Dat alles staat in schril contrast met de ongelovige, van wie weldegelijk de ziel zelf naar de poel des vuurs gaat (Openb. 20 : 12 – 15).

Geest, ziel en lichaam.


Het hart

Zojuist hebben we enkele verzen over het hart gelezen. Wat is nu weer het hart? In één van de citaten lazen we dat de ziel “het hart van het geestelijk lichaam” zou zijn [4]. Maar de Bijbel laat dus zien dat de ziel zelf het geestelijk lichaam is… Is het hart dan wat anders? Ja. In Luk. 10 : 27 lezen we: “En hij antwoordende zeide: Gij zult den Heere uw God liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw kracht en uit geheel uw verstand; en uw naaste als uzelven” (zie ook Deut. 4 : 29, 11 : 18; 1 Kron. 28 : 9; Matth. 22 : 37). We moeten de Heere liefhebben zowel met ons hart als met onze ziel… Dus beiden zijn klaarblijkelijk wat anders.


Het binnenste van de mens

Een mooi vers, waaruit blijkt wat er in het hart gebeurt, is bijv. Gen. 6 : 5. “En de HEERE zag, dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was”. En in 1 Kron. 28 : 9 zegt David tegen Salomo: “En gij, mijn zoon Sálomo, ken den God uws vaders en dien Hem met een volkomen hart en met een willige ziel; want de HEERE doorzoekt alle harten en Hij verstaat al het gedichtsel der gedachten. Indien gij Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar indien gij Hem verlaat, Hij zal u tot in eeuwigheid verstoten” (zie ook Jer. 11 : 19 – 20; Rom. 1 : 18 – 22, 28). In Ps. 64 : 7 lezen we: “Zij doorzoeken allerlei schalkheid, ten uiterste doorzoeken zij wat te doorzoeken is; zelfs het binnenste eens mans en het diepe hart”. Zo lezen we in Hand. 11 : 23, waar de Gemeente zich uitbreidde naar Antiochië: “Dewelke daar gekomen zijnde, en de genade Gods ziende, werd verblijd, en vermaande hen allen dat zij met een voornemen des harten bij den Heere zouden blijven”.

Het hart heeft te maken met het innerlijk leven van de mens. Zijn gedachten, hoe hij over zichzelf en over de ander denkt. Maar ook zit daar de wil van de mens (1 Kor. 7 : 37; 2 Kor. 9 : 7). Het hart kan een voornemen nemen. Het hart heeft met de geest te maken. In Psalm 51 : 19 lezen we bijvoorbeeld: “De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God, niet verachten”. Hieruit zou je kunnen opmaken dat hart en geest hetzelfde zijn. Maar het hart is niet helemaal gelijk aan de geest. In Ps. 77 : 7 lezen we bijvoorbeeld: “Ik dacht aan mijn snarenspel, in den nacht overlegde ik in mijn hart; en mijn geest onderzocht”. En in Spr. 15 : 13 lezen we: “Een vrolijk hart zal het aangezicht blijde maken, maar door de smart des harten wordt de geest verslagen”. Ik geloof dat onze geest zich in ons hart bevindt. En zo direct zal dat nog wel duidelijker worden.

Het hart is van nature arglistig, het kan blij zijn, trots zijn, schrikken, toegenegen zijn, bedroefd zijn, benauwd zijn, week worden, verhard worden, zich verheffen, verleid worden, geloven, de Heere vrezen, vreugde hebben, vrede Gods hebben en nog veel meer (Jer. 17 : 9; Ex. 4 : 14; Ps. 101 : 5; Gen. 42 : 28; Rom. 10 : 1, 9 : 2; 2 Kor. 2 : 4; Hand. 21 : 13; Ex. 7 : 3; Deut. 8 : 14, 11 : 16, Rom. 10 : 10; Deut. 5 : 29; Ps. 4 : 8; Kol. 3 : 15).


Gods Geest in ons hart

In het Oude Testament laat de Heere reeds zien dat Hij een hart wijs kan maken. Toen men de Tabernakel ging maken, waren er bepaalde mensen die de voorwerpen e.d. maakten. Van hen staat bijvoorbeeld in Ex. 31 : 3 geschreven: “En Ik heb hem vervuld met den Geest Gods, met wijsheid en met verstand en met wetenschap, namelijk in alle handwerk” (zie ook Ex. 28 : 3 en Ex. 36 : 2). Zo vroeg koning Salomo niet om rijkdom of een lang leven, maar om een verstandig hart, om te kunnen onderscheiden “tussen goed en kwaad” (1 Kon. 3 : 9). En zoals de Heere God in het Oude Testament reeds de Heilige Geest gaf in de harten van mensen, zo heeft Hij ons de Heilige Geest als onderpand gegeven in onze harten. En dat onderpand maakt het grote verschil met het Oude Testament. Het onderpand is namelijk de zekerheid van de verkregen verlossing (Ef. 1 : 14). In 2 Kor. 1 : 22 staat geschreven: “Die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand des Geestes in onze harten gegeven” (zie ook Gal. 4 : 6 en Rom. 5 : 5). Gods Geest woont dus in ons hart. En zoals 1 Kor. 6 : 17 aangeeft: “Maar die den Heere aanhangt, is één geest met Hem”. Een mooi gedeelte wat daar ook over gaat is Ef. 3 : 16 – 19: “Opdat Hij u geve, naar den rijkdom Zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door Zijn Geest in den inwendigen mens; Opdat Christus door het geloof in uw harten wone en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt; Opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte is, En bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods”.


Ook ons hart kent strijd

Gods Geest wil ons vervullen (Luk. 11 : 13; Ef. 5 : 18). Maar door de zonde bedroeven wij de Geest (Ef. 4 : 30), en blussen wij de Geest uit (1 Thess. 5 : 19), waardoor wij niet altijd vervuld zijn met de Geest. En dat leidt er toe dat ons hart gevuld kan worden met andere zaken. En daarom is er zelfs in ons hart strijd. Een strijd die heel mooi tot uiting komt in de verzen van 2 Kor. 10 : 2 – 6: “Ik bid dan dat ik tegenwoordig zijnde, niet stout [= brutaal] moge zijn met die vrijmoedigheid, waarmede ik geacht word stoutelijk gehandeld te hebben tegen sommigen die ons achten alsof wij naar het vlees wandelden. Want wandelende in het vlees, voeren wij den krijg niet naar het vlees; Want de wapenen van onzen krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping der sterkten; Dewijl wij de overleggingen ternederwerpen, en alle hoogte die zich verheft tegen de kennis Gods, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus; En gereed hebben hetgeen dient om te wreken alle ongehoorzaamheid, wanneer uw gehoorzaamheid zal vervuld zijn” (2 Kor. 10 : 2 – 6).


Heiligmaking en wilsbeslissing

Zie daar waarom Hebr. 4 : 12 ook spreekt over een besnijdenis door het Woord Gods tussen onze ziel en geest (daar waar Kol. 2 spreekt over een besnijdenis tussen ziel en vlees). En of het hart precies de geest omvangt, of dat het hart zelf nog doorloopt in de ziel, en dat alleen de geest afgesneden is, dat weet ik niet exact. Maar feit is dat heiligmaking inhoudt dat wij in ons hart iedere keer weer de wilsbeslissing nemen om de Heere te dienen, en niet ons vlees. De ziel bemiddelt daar niet in, anders zou onze ziel besmet zijn met de zonde, en zouden wij alsnog verloren kunnen gaan. Ons vlees is wel besmet, onze geest kan ook besmet raken omdat wij verkeerde beslissingen nemen. In 2 Kor. 7 : 1 lezen we dan ook: “Dewijl wij dan deze beloften hebben, geliefden, laat ons onszelven reinigen van alle besmetting des vleses en des geestes, voleindigende de heiligmaking in de vreze Gods”.


De poorten van ons vlees hebben geen invloed op de ziel

Die poorten van ons vlees zijn open voor ons lichaam (oren, ogen, neus, mond, tastzin), maar hebben geen effect op onze ziel. In Matth. 6 : 22 – 23 lezen we: “De kaars des lichaams is het oog; indien dan uw oog eenvoudig is, zo zal uw gehele lichaam verlicht wezen; Maar indien uw oog boos is, zo zal geheel uw lichaam duister zijn”. Hier wordt heel specifiek over de effecten van het oog op het lichaam gesproken (alhoewel dit in feite nog onder de Wet gezegd wordt). Zo is bijvoorbeeld het kijken met bepaalde ogen van mannen naar vrouwen overspel in het hart (Matth. 5 : 28). Wat wij zondigen met onze leden, daarvoor wordt in ons binnenste, in ons hart, een beslissing genomen. Maar de ziel is hier vrij van. Wij dragen de rechtvaardigheid Gods in de Heere Jezus. Maar wij blussen wel Gods Geest uit. En daarom moeten wij dan vergeving vragen (1 Joh. 1 : 9), en vragen of de Heere ons opnieuw wil vervullen met Zijn Geest.


Onze leden stellen tot “wapenen der gerechtigheid”

Wij kunnen er ook voor kiezen om de poorten van ons vlees te gebruiken tot eer van de Heere. Oftewel: ons lichaam bedwingen (1 Kor. 9 : 27) en gebruiken als “wapenen der gerechtigheid” (Rom. 6 : 13). En dat kunnen we bijvoorbeeld doen door onze mond, ogen en oren te gebruiken voor het Woord van God. In Spr. 4 : 20 – 27 lezen we: “Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen. Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten. Want zij zijn het leven dengenen, die ze vinden, en een medicijn voor hun gehele vlees. Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens. Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u. Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden. Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn. Wijk niet ter rechter hand of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade”.


De geestelijke poort

Maar er zijn natuurlijk niet alleen poorten van ons vlees, waarbij invloeden van buitenaf op ons af komen. Er is ook een geestelijke poort. En die is eigenlijk al wel benoemd, omdat we het gehad hebben over het hart. Er is genoemd dat er ook in ons hart een strijd gaande is. Echter, de invloed van buitenaf hebben we daarbij nog niet genoemd.

In Luk. 11 : 24 – 26 lezen we: “Wanneer de onreine geest van den mens uitgevaren is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust; en die niet vindende, zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, waar ik uitgevaren ben. En komende, vindt hij het met bezemen gekeerd, en versierd. Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hij zelf is; en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van dien mens wordt erger dan het eerste”. Allereerst is het goed om te constateren dat het hier in principe niet over een wederom geboren gelovige gaat. Wat we zien is dat een (religieus) mens zijn leven kan beteren. Misschien wel door de geboden van de Wet proberen te houden, of door in aanraking te komen met bepaalde delen uit het Woord van God. Maar als dat niet gepaard gaat met de wedergeboorte, de overtuiging dat de Heere Jezus voor zijn of haar zonden gestorven is, dan komt de onreine geest terug, en neemt hij andere onreine geesten mee. En daarna wordt het erger dan het was.

Maar we lezen dat die onreine geest spreekt over “mijn huis”. Net zoals het lichaam van de gelovige “Gods tempel” of “een tempel des Heiligen Geestes” is geworden (1 Kor. 3 : 16; 1 Kor. 6 : 19). Het lichaam van een ongelovige fungeert dus als woning voor de duivel en zijn duivelen. En op zich is dat niet raar, want de vijand van God is de vader van de ongelovige (Joh. 8 : 44). De ongelovige staat onder zijn macht (Ef. 2 : 3).


“En geeft den duivel geen plaats”

Maar dan de wederom geboren gelovige. Wij zijn weliswaar “Gods tempel”, omdat Gods Geest in ons woont. Maar door onze zonden kunnen wij de Heilige Geest wel bedroeven (Ef. 4 : 30), en zelfs uitblussen. In 1 Thess. 5 : 19 staat geschreven: “Blust den Geest niet uit”. Dat verbreekt de verzegeling niet, want die hebben wij als onderpand gekregen van de verkregen verlossing (Ef. 1 : 13, 14). Maar de gelovige kan dus óók niet vervuld zijn met de Heilige Geest, en dat houdt in principe in dat de gelovige dan “leeg” is.

En dan moeten we oppassen. In Ef. 4 : 27 wordt tegen wederom geboren gelovigen gezegd: “En geeft den duivel geen plaats”. Als gelovigen kunnen we blijkbaar plaats geven aan de duivel. Maar dan kunnen we ons de vraag stellen: “Hoe dan plaats geven?” Een plaatsje aan tafel, om maar een beeld te gebruiken, of gaat dat verder en kan de wederom geboren gelovige de duivel een plaatsje in zichzelf geven? De Bijbel laat zien dat dat laatste waar is. Laten we als voorbeeld de geschiedenis van Ananias en Saffira nemen in Hand. 5 : 1 – 11.


“...waarom heeft de satan uw hart vervuld…?”

Er is geen enkele aanleiding om aan te nemen dat Ananias en Saffira niet wederom geboren waren. Zij waren deel van de Gemeente. In Hand. 4 wordt beschreven hoe de gemeente aan het bidden was. En in Hand. 4 : 31 lezen we dan: “zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest”. En vervolgens lezen we in Hand. 4 : 32 – 37 hoe de apostelen “met grote kracht getuigenis” gaven van “de opstanding” van de Heere Jezus (Hand. 4 : 33) en hoe die gemeente in het begin in principe alles deelde, alhoewel dat duidelijk niet inhield dat mensen helemaal geen eigen bezit hadden. Dat blijkt uit hetgeen Petrus tegen Ananias zegt in Hand. 5 : 4. Zelfs als ze “de have” verkocht hadden, en er geld voor gekregen hadden, was het aan Ananias en Saffira geweest wat ze ermee mochten doen. Maar Ananias en Saffira hadden klaarblijkelijk van te voren een plannetje gemaakt (Hand. 5 : 4, 9). Zij zouden iets verkopen, van de prijs achterhouden, en dan net doen alsof ze alles gaven… Dat staat er zo niet letterlijk, maar dit is wat blijkt uit de context, zonder de Bijbeltekst daarvoor te moeten aanpassen. Zij waren geestelijke huichelaars. “Kijk ons eens goed zijn voor de Heere en voor de gemeente?” “Wij geven alles!” Maar ondertussen hielden ze wat achter voor zichzelf. Waren zij verloren? Dat staat niet in de Bijbel. Wat er wel staat, is dat zij dood neervielen. En gelukkig handelt de Heere God niet altijd zo. Maar zelfs tegenwoordig, zo blijkt uit de brieven van Paulus, kan de Heere mensen thuishalen, als zij naar het vlees leven of zich door de duivel laten leiden. In Rom. 8 : 13 staat geschreven: “Want indien gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven; maar indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zo zult gij leven” (zie ook 1 Kor. 11 : 30).

En dat is wat Ananias en Saffira deden. Zij hadden de vervulling van de Heilige Geest ingeruild voor de vervulling van de duivel. In Hand. 5 : 3 lezen we nogmaals: “En Petrus zeide: Ananías, waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt en onttrekken van den prijs des lands?”. En die vervulling van de duivel begint niet met het uitvoeren van het plan, maar met het beramen van het plan. Daar waar wij in onze gedachten al plannen maken om te zondigen, vaak gedreven door begeerlijkheid, daar is de zonde al ontstaan. In Hand. 5 : 4 lezen we: “...Wat is het dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen?...”. Zoals Jak. 1 : 15 zegt: “Daarna de begeerlijkheid, ontvangen hebbende, baart zonde; en de zonde voleindigd zijnde, baart den dood”.

Maar de ernst van de zaak zit er natuurlijk in dat wij als gelovigen, ondanks dat wij Gods Geest in onze harten hebben ontvangen (Rom. 5 : 5; 2 Kor. 1 : 22), door de Geest uit te blussen, blijkbaar ruimte maken voor de duivel en zijn onreine geesten (Hand. 5 : 3; Ef. 4 : 27). En dan gaan wij mensen verkeerde keuzen maken.


“...wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden”

Als we naar de figuur kijken, dan zien we dat de natuurlijke mens een ononderbroken pijl heeft naar de onreine geest. Hij is er aan onderworpen. Onreine geesten kunnen bij hem wonen. Maar bij de wederom geboren gelovige zien we in principe een ononderbroken pijl naar de Heilige Geest, omdat deze bij de gelovige woont. Maar er is ook een pijl naar de onreine geest, omdat we daar ook vervuld mee kunnen worden. Alleen die pijl is onderbroken. Onreine geesten hoeven namelijk niet meer in ons te wonen. Jak. 4 : 7 zegt: “Zo onderwerpt u dan Gode; wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden [=vluchten]”.

Geest, ziel en lichaam.


“...maar wordt vervuld met den Geest”

Wanneer we dit gaan inzien, dan gaan we ook ten volle de opdracht begrijpen die de Heere ons geeft in Ef. 5 : 18: “En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest”. “Maar wordt vervuld met den Geest”. Ja, als wederom geborenen zijn wij verzegeld met de Heilige Geest (Ef. 1 : 13, 14), dat is eenmalig gebeurd. Dat is een vaststaand feit “tot den dag der verlossing” (Ef. 4 : 30). Maar ons vlees blijft trekken, en onze gedachten gaan soms alle kanten op, dat is een continue strijd voor ons allemaal. En daarin maken we fouten (Rom. 7). En ja, dan mogen we tot de Heere komen om vergeving voor onze zonden te vragen. 1 Joh. 1 : 8 en 9 zeggen zo mooi: “Indien wij zeggen dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij onszelven, en de waarheid is in ons niet. Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid”. Maar… wat mooi dat de Heere laat zien dat wij ook om de Heilige Geest mogen vragen. In Luk. 11 : 13 staat geschreven: “Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen die Hem bidden”. En nee, voor ons als Gemeente niet om opnieuw verzegeld te worden met de Geest of zoiets, maar wel, omdat we Hem bedroefd hebben, een bewuste vraag of de Heere ons opnieuw wil vervullen met Zijn Geest. Dat we vol worden van Hem. Nogmaals, in Ef. 3 : 14 – 16 wordt ook zo mooi duidelijk hoe Paulus de Heere bidt: “Om deze oorzaak buig ik mijn knieën tot den Vader van onzen Heere Jezus Christus, Uit Welken al het geslacht in de hemelen en op de aarde genaamd wordt, Opdat Hij u geve, naar den rijkdom Zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door Zijn Geest in den inwendigen mens; Opdat Christus door het geloof in uw harten wone en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt”. Wij mogen de Vader vragen om ons door Zijn Geest in onze inwendige mens, in ons hart, te versterken, zodat de Heere in ons woont, en wij in Hem geworteld en gegrond zijn. Mooi hè? En van daaruit mogen wij de Heere vragen of Hij ons door Zijn Geest wil helpen om de juiste keuzen te maken, en daardoor te kunnen wandelen naar de Geest, waardoor wij ons vlees kunnen bedwingen. Gal. 5 : 24 en 25 zeggen: “Maar die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden. Indien wij door den Geest leven, zo laat ons ook door den Geest wandelen”.


Een geestelijke strijd

Een tekstgedeelte dat daar ook over gaat, is: 2 Kor. 10 : 2 – 6. We lezen het nogmaals, en gaan er dan iets dieper op in. “Ik bid dan dat ik tegenwoordig zijnde, niet stout [= brutaal] moge zijn met die vrijmoedigheid, waarmede ik geacht word stoutelijk gehandeld te hebben tegen sommigen die ons achten alsof wij naar het vlees wandelden. Want wandelende in het vlees, voeren wij den krijg niet naar het vlees; Want de wapenen van onzen krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping der sterkten; Dewijl wij de overleggingen ternederwerpen, en alle hoogte die zich verheft tegen de kennis Gods, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus; En gereed hebben hetgeen dient om te wreken alle ongehoorzaamheid, wanneer uw gehoorzaamheid zal vervuld zijn”.

Paulus spreekt hier over een “krijg”, over een “strijd”. Er is een geestelijke strijd gaande. Er staat niet voor niets geschreven in Ef. 6 : 10 – 12: “Voorts, mijne broeders, wordt krachtig in den Heere en in de sterkte Zijner macht. Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels. Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht”. Die geestelijke boosheden in de lucht proberen ons als gelovigen blijkbaar te pakken, en wij hebben de gehele wapenrusting nodig om staande te blijven. Ef. 6 : 13 zegt nog: “Daarom, neemt aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den bozen dag, en alles verricht hebbende, staande blijven”. Zo worden er bijvoorbeeld “vurige pijlen” van de boze op ons afgeschoten (Ef. 6 : 16).


De geestelijke wapenrusting

Die strijd is niet naar het vlees. Wij vechten niet met messen, geweren, raketten of andere wapensystemen e.d. Nee, er is sprake van een geestelijke strijd, waarvoor wij “het geloof” als schild hebben gekregen (Ef. 6 : 16), maar ook de “helm der zaligheid” (Ef. 6 : 17), of het “borstwapen der gerechtigheid” (Ef. 6 : 14). Het beschermt ons wanneer wij beseffen dat wij in Jezus Christus Gods gerechtigheid dragen (2 Kor. 5 : 21). Als we daaraan vasthouden, kan niemand ons dat afnemen. Dan zijn we verzekerd. Dat helpt ons om staande te blijven. Wat mensen ook beweren. Maar zo moeten wij ons omgorden met de waarheid (Ef. 6 : 14). Gods Woord is de Waarheid (Joh. 17 : 17). Dus wij moeten onze lendenen versterken met Gods Waarheid, Gods Woord. Maar dat Woord komt ook terug als het aanvalswapen. In Ef. 6 : 17 wordt Gods Woord het zwaard des Geestes genoemd. Wanneer de Heere Jezus in de woestijn is om verzocht te worden, komt de duivel, en hij citeert Bijbelteksten (Matth. 4 : 6 bijvoorbeeld), maar de Heere Jezus antwoord hem met Gods Woord “Er is geschreven...”. Alleen door Gods Woord te hanteren kunnen wij de vijand tegemoet treden. En daarbij niet vergetende het belang van het gebed. In Ef. 6 : 18 staat geschreven: “Met alle bidding en smeking biddende te allen tijde in den geest, en tot hetzelve wakende met alle gedurigheid en smeking voor al de heiligen”.


De overleggingen ternederwerpen

Met deze wapens kunnen we volgens 2 Kor. 10 : 5 sterkten ternederwerpen. Zo spreekt 2 Kor. 10 : 5 over “overleggingen” of “imaginations” (KJV1611). Wij moeten iets in ons hebben dat bevrijdt van onreine overleggingen. In Joh. 15 : 3 zegt de Heere Jezus: “Gijlieden zijt nu rein om het woord dat Ik tot u gesproken heb”. En Ps. 119 : 9 zegt: “Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord”. Wanneer wij bidden om vervulling met Gods Geest, en als we Zijn Woord lezen, dan zal Hij onze gedachten vormen en ons helpen om ons pad zuiver te houden.


Het ternederwerpen van alle hoogte die zich verheft tegen de kennis Gods

Dan is er nog zo’n sterkte die we terneder moeten werpen, namelijk “alle hoogte die zich verheft tegen de kennis Gods”. Alles in deze wereld, wat gemaakt is om ons ervan af te houden de Heere God beter te leren kennen, kunnen we bevechten door het lezen van het Woord en door gebed.


Leidt alle gedachten gevangen tot de gehoorzaamheid van Christus

Dan noemt 2 Kor. 10 : 5 nog dat wij “alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus”. Probeer uw gedachten bij de Heere Jezus te brengen en te laten. En de Bijbel spreekt over gehoorzaamheid. Hoe kunnen wij gehoorzaam zijn? Door Gods Woord tot ons te nemen. In Ezechiël 2 lezen we hoe Ezechiël Gods Woorden moest gaan spreken (Ez. 2 : 7). En let op wat er dan gebeurt in Ez. 2 : 9 en 10: “Toen zag ik, en zie, er was een hand tot mij uitgestoken; en zie, daarin was de rol eens boeks. En Hij spreidde die voor mijn aangezicht uit; en zij was beschreven, voor en achter, en daarin waren geschreven klaagliederen en zuchting en wee”. En dan krijgt Ezechiël de opdracht om die rol op te eten. In Ez. 3 : 3 lezen we: “En Hij zeide tot mij: Mensenkind, geef uw buik te eten en vul uw ingewand met deze rol, die Ik u geef. Toen at ik, en het was in mijn mond als honing, vanwege de zoetigheid”. En vervolgens krijgt hij in Ez. 3 : 4 de opdracht om Gods Woorden te spreken: “En Hij zeide tot mij: Mensenkind, ga heen, kom tot het huis Israëls en spreek tot hen met Mijn woorden”. En in Ez. 3 : 10 lezen we nog: “Verder zeide Hij tot mij: Mensenkind, vat al Mijn woorden die Ik tot u spreken zal, in uw hart, en hoor ze met uw oren”. Dit is zo’n mooi beeld! Nu moeten wij natuurlijk niet letterlijk de Bijbel in onze mond gaan stoppen. Maar de vraag is wel: Nemen wij Gods Woorden tot ons? Luisteren wij ernaar met onze oren? Lezen wij het met onze ogen? Slaan wij het op in ons hart, in ons binnenste? Eten wij als het ware het Woord van God? Want dat vult ons met de dingen van de Heere. Dat helpt ons onze gedachten te leiden tot de gehoorzaamheid van de Heere Jezus.


Tot slot

Als we zien hoe fundamenteel in dit alles de Woorden van God zijn, dan beseffen we waarom de vijand van het begin af aan de aanval op Gods Woorden geopend heeft (Gen. 3 : 1). Door nieuwe vertalingen, door Schriftkritiek, door het gebruik van Griekse Lexicons, probeert hij ons het zicht op Gods Woord te ontnemen. Wij mogen gewaarschuwd zijn. Want zonder Gods Woorden hebben wij geen dichte wapenrusting. Zonder Gods Woorden kunnen wij niet staande blijven. Zonder Gods Woorden kunnen wij onze gedachten niet leiden tot de gehoorzaamheid van de Heere Jezus. Zonder Gods Woorden kunnen we de aanval van de boze niet afslaan. En dat betekent dat onreine geesten vrij spel krijgen in onze “gedachten des harten” en in onze wilsbeslissingen. Maar wat een rijkdom mogen wij in Gods Woorden ontdekken door Schrift met Schrift te vergelijken. En zo mogen wij zien wat geest (en het hart), ziel en lichaam te maken hebben met wedergeboorte, heiligmaking en standhouden. Maar ook hoe wij naar geest en vlees beschermd mogen zijn, maar ook, hoe wij bij foute keuzes, naar geest en vlees gereinigd kunnen worden.


[1]  ‘De innerlijke mens’, Volle Evangelie Gemeente Immanuel, Breda, bron: https://www.veg-immanuel-breda.nl/studieblad7.
[2]  ‘Geest, ziel en lichaam’, Watchman Nee, uit: ‘De geestelijke mens’, bron: http://www.watchmannee.nl/boeken/GeestelijkeMens_hoofdstuk01.html.
[3]  ‘Dispensational Truth or God’s Plan and Purpose in the Ages’, Clarence Larkin, Rev. Clarence Larkin Est., Glenside, Pa, USA, blz. 99.
[4]  ‘De innerlijke mens’, Volle Evangelie Gemeente Immanuel, Breda, bron: https://www.veg-immanuel-breda.nl/studieblad7.