Blue Flower

De gelijkenis van de Zaaier



Inleiding

In de inleidende studie over de gelijkenissen van Matthéüs 13 hebben we stilgestaan bij het verschil tussen het Koninkrijk der hemelen en het Koninkrijk Gods. In deze inleiding zagen we dat, alhoewel men meestal beweert dat beide Koninkrijken hetzelfde zijn, deze Koninkrijken wel degelijk verschillend zijn. We zagen aan de hand van het voorbeeld van de Jongerenbijbel waar men uitkomt als men beide Koninkrijken gelijk maakt. Men verliest de visie op de profetieën. Men gaat het Koninkrijk verwachten, al dan niet beweren dat het Koninkrijk reeds aangebroken is, terwijl we als Gemeente wachten op de komst van de Heere Jezus in de lucht om Zijn Gemeente Thuis te halen. Pas daarna zal de Grote Verdrukking in volle hevigheid over de aarde gaan, pas daarna zullen wij met Jezus terugkeren naar de aarde, en zal de Heere Jezus Zijn Koninkrijk oprichten. Dat zal een letterlijk Koninkrijk op aarde zijn. Dat letterlijke Koninkrijk is het Koninkrijk der hemelen. In dat letterlijke Koninkrijk zal tevens Gods vrede en rechtvaardigheid heersen. Dat geestelijke aspect is het Koninkrijk Gods. Van dat Koninkrijk Gods hebben we duidelijke definities in Gods Woord gezien (Rom. 14 : 17; Luk. 17 : 21, Joh. 3 : 3). De Gemeente is door het werk van de Heilige Geest in de gelovige nu reeds een onderdeel van het Koninkrijk Gods. Maar dat is geen tastbaar Koninkrijk op aarde! Aangezien de Heere Jezus niet alleen een geestelijk Koninkrijk beloofd is, maar ook een letterlijk Koninkrijk op aarde (2 Sam. 7 : 16; Luk. 1 : 31 – 33), moet het Koninkrijk der hemelen dat Koninkrijk zijn! Het is op een heel eenvoudige manier te verklaren. God is Geest. Het Koninkrijk Gods is een geestelijk koninkrijk. De hemelen zijn de schepping van Gods hand. De schepping is fysiek en tastbaar. Het Koninkrijk der hemelen is een fysiek, letterlijk en tastbaar Koninkrijk! Een Koninkrijk dat volgens Gods Woord op aarde gevestigd gaat worden.

Zo zagen we tevens dat sommigen, alhoewel ze wel onderscheid maken tussen beide Koninkrijken, toch bij de uitleg van de gelijkenissen in Matthéüs 13, weer uitkomen bij de Gemeente. Ondanks dat de Heere Jezus gezonden was aan het huis Israëls (Matth. 15 : 24), en ondanks het feit dat het letterlijke Koninkrijk op aarde het Koninkrijk Israël zal zijn. Maar ondanks dat de Gemeente in die dagen nog een verborgenheid was (Ef. 3 : 1 – 3), die God later aan de apostel der heidenen, de apostel Paulus openbaarde, is de Gemeente NIET “het Verborgen Koninkrijk”, zoals sommigen beweren. Ondanks dat het Koninkrijk op zich voor de profeten GEEN verborgenheid was, had ook het Koninkrijk nog steeds verborgenheden! Gewoon letterlijk zoals in de Bijbel vermeld staat in Matth. 13 : 11: “En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, maar hun is het niet gegeven”.

De verborgenheden van het Koninkrijk betreffen het uitstel van het Koninkrijk. De profeten zagen de geboorte van de Messias aaneengeschakeld met Zijn Koningschap. Het Nieuwe Testament openbaart dat er tijd zit tussen Jezus’ eerste komst en Zijn tweede komst (Jes. 9 : 5 en 6; Jes. 61; Luk. 4 : 18 en 19). De Gemeente wordt als periode ingevoegd. De redenen van dat uitstel van het Koninkrijk worden in de gelijkenissen van Matthéüs 13 behandeld. Weliswaar zien we dat de uitstel van het Koninkrijk het ontstaan van de periode van de Gemeente oplevert, maar in Matth. 13 staan het Koninkrijk en de redenen van de uitstel van dat Koninkrijk centraal en niet de Gemeente! In deze studie zal de eerste gelijkenis, de gelijkenis van de zaaier, uit Matthéüs 13 besproken worden, zoals deze te vinden is in Matth. 13 : 1 – 8 en Matth. 13 : 18 – 23.


Niet van eigen uitlegging

Deze eerste gelijkenis wordt door de Heere Jezus Zelf uitgelegd. We zien hoe de Heere Jezus alles nauwkeurig uitlegt. Elk element in de gelijkenis heeft zijn eigen vaste uitleg. Dit is opnieuw een bewijs van wat geschreven staat in 2 Petr. 1 : 20: “Dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging”. Wanneer het om de gelijkenissen gaat, maar ook om het boek Openbaring, dan zegt men over het algemeen dat het moeilijk is om de juiste bedoeling van de tekst te achterhalen, omdat er zoveel symboliek gebruikt wordt. Maar daar waar de Heere vergelijkingen gebruikt, legt Hij dat in Zijn Woord uit. In Openbaring 1 is bijvoorbeeld sprake van sterren en kandelaren. De Heere legt Zelf uit dat het daarbij gaat om engelen en gemeenten (Openb. 1 : 20). De Heere legt Zijn Woord Zelf uit! Wanneer er dus geen aanleiding is om een tekst figuurlijk te lezen, dan moeten we de tekst dus ook gewoon letterlijk lezen. Wanneer er geschreven staat dat er “verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen” zijn (Matth. 13 : 11), dan gaat het niet ineens over de Gemeente, maar dan heeft het Koninkrijk der hemelen, het Koninkrijk op aarde, verborgenheden! Zo legt de Heere dus ook de gelijkenis van de Zaaier uit. Wanneer wij bij Zijn uitleg blijven, zullen we niet beschaamd uitkomen.


Het zaad is het woord van het Koninkrijk

Een zaaier zaaide zaad (Matth. 13 : 3 en 4). Dat zaad blijkt het “Woord van het Koninkrijk” te zijn. Het Woord wordt in Matth. 13 : 19 weggerukt door de boze, zoals het zaad door de vogels opgegeten wordt (Matth 13 : 4). Het zaad is dus het Woord van het Koninkrijk. Hier zien we weer het belang van de juiste vertaling. Want daar waar in Matth. 13 : 20 Gods Woord zegt: “Maar die in steenachtige plaatsen bezaaid is, deze is degene, die het Woord... etc.” Daar staat in de NBV het volgende: “Het zaad dat op rotsachtige grond is gezaaid, dat zijn zij die het woord horen... etc.”  In de NBV is het zaad de mens geworden! Dat deze vertaling een dusdanig effect heeft op de uitleg, blijkt uit het kader wat er in de Jongerenbijbel bij is geplaatst, even afgezien van het feit dat deze gelijkenis in Matth. 13 niet direct op ons van toepassing is. In het kader staat:

“Aan de slag – Welk zaad ben jij? ...”[1].

Deze tekst, Matth. 13 : 19, is een bewijs dat de Heere Jezus het hier niet over de Gemeente heeft, en ook niet over individuele gelovigen uit de Gemeente. De Heere Jezus verkondigde het Evangelie van het Koninkrijk aan het huis Israëls (Matth 4 : 17, 23; Matth. 15 : 24)! De Gemeente wordt het Evangelie der genade Gods verkondigd. Het Woord van God, het Woord van de Heere Jezus, staat in de Bijbel ook wel bekend als "onvergankelijk zaad". In 1 Petr. 1 : 23 zien we staan: “Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God”. Nu gaat het hier niet zo zeer om het Evangelie van het Koninkrijk, maar ook de Woorden van de Heere Jezus worden in de Evangeliën “geest en leven” genoemd. En het is geen wonder, want de Heere Jezus was God geopenbaard in het vlees. In Joh. 6 : 63 zegt de Heere Jezus: “De Geest is het, Die levend maakt; het vlees is niet nut. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en leven”. Onvergankelijk zaad! Vervolgens zijn de vogels van Matth. 13 : 4 de boze volgens Matth. 13 : 19. Vervolgens zien we dat de nadruk in deze gelijkenis ligt op het soort grond dat het zaad ontvangt. We komen vier soorten grond tegen: bij de weg (Matth. 13 : 4), de steenachtige plaatsen (Matth. 13 : 5), tussen de doornen (Matth. 13 : 7) en de goede aarde (Matth. 13 : 8).


De grond bij de weg

In de eerste plaats zijn deze soorten grond de mensen die de Heere Jezus toesprak: het volk Israël! Sommigen waren als de grond bij de weg. Het zaad, het Woord, werd gestrooid, maar men verstond het niet, de boze kwam en nam het weg (Matth. 3 : 19). Een voorbeeld vinden we in de meeste Joodse leiders van Jezus’ dagen. Reeds bij Zijn geboorte waren het al de Joodse overpriesters en Schriftgeleerden die koning Heródus vertelden waar de Messias geboren zou worden, waarop koning Heródus het Kind dacht te doden door soldaten te sturen (Matth. 2 : 4 – 6, 16). Wat we in de Evangeliën lezen, maakt duidelijk dat de Schriftgeleerden als groep verworpen wat Jezus zei, een enkele uitzondering daargelaten. In Matth. 9 : 3 staat bijvoorbeeld: “En ziet, sommigen der Schriftgeleerden zeiden in zichzelf: Deze lastert God”.


De grond op steenachtige plaatsen

Anderen waren als de grond op steenachtige plaatsen. Men nam het woord graag aan, maar wanneer het moeilijk werd, werd men geërgerd (Matth. 13 : 21). De Heere Jezus had in eerste instantie vele volgelingen. Velen luisterden naar Hem, maar toen Hij vertelde over het levende Brood uit de hemel, en dat mensen Zijn vlees moesten eten en Zijn bloed moesten drinken (Joh. 6 : 51 – 54), toen werd het moeilijk voor de mensen. In Joh. 6 : 60 staat geschreven: “Velen dan van Zijn discipelen, dit horende, zeiden: Deze rede is hard; wie kan haar horen?”. En in vers 66 staat vervolgens: “Van toen af gingen velen van Zijn discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem”. Uit de vervolgteksten blijkt dat alleen de twaalf discipelen bij Hem bleven. Petrus antwoordde namens hen: “...Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. En wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God” (Joh. 6 : 68 – 69). Juist daarom sprak de Heere ook in gelijkenissen. De tekst waar we nu al vele malen bij stilgestaan hebben, vinden we hierin terug, Matth. 13 : 11: “En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Omdat het u [= de discipelen, Matth. 13 : 10] gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, maar hun [= vele scharen, Matth. 13 : 2] is het niet gegeven”. De mensen hadden hun gehoor voor de waarheid afgesloten (Matth. 13 : 15). Iets wat de Heere Jezus van te voren wist! Zij volgden Hem niet omdat zij Hem als de Messias ontdekt hadden, maar om een andere reden. In Joh. 6 : 26 en 27 lezen we: “Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u: Gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt, en verzadigd zijt. Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen u geven zal; want Deze heeft God de Vader verzegeld”. Het resultaat hebben we in de vervolgverzen van Johannes 6 gezien.



De grond met de doornen

Daarnaast waren sommigen als de grond met de doornen. De doornen verstikten het zaad. Door de bekommernis van de wereld en de verleiding van de rijkdom werd het Woord van het Koninkrijk verstikt. Een voorbeeld vinden we in de rijke jongeling (Matth. 19 : 16 – 24). Hij was nieuwsgierig naar Jezus, en kwam bij Hem. Hij wilde het eeuwige leven hebben. Hij gaf aan de geboden van de Wet te onderhouden (Matth. 19 : 18 – 20). Jezus vroeg Hem alles te verkopen en Hem te volgen [Let op: dit is het Koninkrijksevangelie!], maar dat was te veel. Matth. 13 : 22 zegt: “Toen nu de jongeling dit woord hoorde, ging hij bedroefd weg; want hij had vele goederen”. De rijkdom hield hem tegen om te doen wat Jezus van hem vroeg. Hij staat model voor de mensen die het Koninkrijksevangelie niet aannamen vanwege de bekommernis van de wereld en de verleiding van de rijkdom.


De grond met de goede aarde

Wanneer we vaak horen preken over Jezus, dan is het alsof Hij massa’s volgelingen had. Weliswaar was Zijn publiek af en toe groot, maar uiteindelijk bleef Hij met Zijn discipelen vrijwel alleen over! Zijn discipelen zijn een voorbeeld van de gelovigen waarbij het zaad in goede aarde viel. Zij droegen, uiteindelijk pas na Pinksteren, vrucht, “de één honderd-, de ander zestig-, en de ander dertigvoud” (Matth. 13 : 23). Maar het getuigenis van de discipelen hebben we daarnet reeds in Joh. 6 : 69 gelezen: “...wij hebben geloofd en bekend...”. Hun was het dan ook gegeven “de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten” (Matth. 13 : 11).

Het feit dat slechts een klein groepje Jezus’ woorden aannam, en dat het Joodse volk de Heere Jezus als Messias verwierp, heeft er toe geleid dat het Koninkrijk, wat aangekondigd is in de Oudtestamentische profeten, is uitgesteld! Het Koninkrijk komt, maar eerst leven we hier en nu in de Gemeente-tijd, in de verwachting dat de Heere Jezus de Zijnen komt halen om voor altijd met Hem te zijn. Dan zullen we in de toekomst inderdaad met Hem heersen in Zijn Koninkrijk!


Een profetische gelijkenis

Deze gelijkenis gaat over het Koninkrijk der hemelen, over het Duizendjarig Vrederijk, zoals we in de inleidende studie gezien hebben. Het Koninkrijk der hemelen is profetisch gezien nog steeds toekomst, en we kunnen deze gelijkenis dan ook profetisch uitleggen, zonder de tekst van Gods Woord geweld aan te doen, zonder de tekst van Gods Woord te gaan vergeestelijken. We laten staan wat er staat.


Vier zaai-momenten

In de gelijkenis komen we vier zaai-momenten tegen. Er wordt gezaaid bij de weg, op steenachtige plaatsen, tussen de doornen en in goede aarde. Er zijn vier momenten dat het Joodse volk geconfronteerd wordt met het Evangelie van het Koninkrijk. Drie van de vier keer draait de verkondiging uit op een afwijzing van de Messias, de vierde keer neemt het volk haar Messias aan.


Het eerste zaai-moment: Johannes de Doper

De eerste keer, dat het Joodse volk in aanraking komt met de verkondiging van het Evangelie van het Koninkrijk, is onder de verkondiging van Johannes de Doper. In Matth. 3 : 1 en 2 lezen we: “In die dagen kwam Johannes de Doper, predikende in de woestijn van Judéa, En zeggende: Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen”. Johannes bracht de boodschap van datzelfde Koninkrijk! Dat Koninkrijk dat op aarde zou baanbreken. Ook Johannes bracht deze boodschap aan het Joodse volk. In Joh. 1 : 31 lezen we dat Johannes zegt: “En ik kende Hem niet; maar opdat Hij aan Israël zou geopenbaard worden, daarom ben ik gekomen, dopende met water”. Johannes predikte tot bekering van het Joodse volk, en doopte met water, zodat het Joodse volk de Messias zou aannemen. We weten dat het volk de Messias verwierp en liet doden. Natuurlijk waren er onder zijn gehoor ook Schriftgeleerden die over het Koninkrijk der hemelen hoorden, maar slechts weinigen van hen kwamen werkelijk tot bekering. In Matth. 3 : 7 en 8 lezen we: “Hij dan, ziende velen van de Farizeeën en Sadduceeën tot zijn doop komen, sprak tot hen: Gij adderengebroedsels! Wie heeft u aangewezen te vluchten van de toekomende toorn? Brengt dan vruchten voort, de bekering waardig”. De boze was altijd aanwezig om het gezaaide woord uit hun verharde harten weg te halen, nog voordat het Woord wortel kon krijgen (Matth. 13 : 19). Johannes de Doper werd onthoofd (Matth. 14 : 10).


Het tweede zaai-moment: de Heere Jezus en Zijn discipelen

De tweede keer dat het Joodse volk met de verkondiging van het Evangelie van het Koninkrijk in aanraking komt, is door de boodschap van de Heere Jezus Zelf en van Zijn discipelen. De Heere Jezus verkondigde het Koninkrijk der hemelen, zoals we kunnen lezen in Matth. 4 : 23: “En Jezus ging geheel Galiléa rond, lerende in hun synagogen en predikende het Evangelie van het Koninkrijk, en genezende alle ziekte en alle kwaal onder het volk”. De verkondiging van het Koninkrijk ging gepaard met wonderen en tekenen. De Heere Jezus bewees daarmee dat Hij de beloofde Messias was. In Matth. 8 : 16 en 17 lezen we daarover: “En toen het laat geworden was, hebben zij velen, door de duivel bezeten, tot Hem gebracht, en Hij wierp de boze geesten uit met het woord, en Hij genas allen, die kwalijk gesteld waren; opdat vervuld zou worden, wat gesproken was door Jesaja, de profeet, zeggende: Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze ziekten gedragen”. En ondanks dat verwierp het volk de boodschap van het Evangelie van het Koninkrijk, zoals we eerder reeds zagen. De Heere Jezus bleef met een klein groepje volgelingen over. Het leek erop dat de mensen Hem met vreugde aannamen (Matth. 13 : 20), maar al gauw riepen zij: “Laat Hem gekruisigd worden!” (Matth. 27 : 22). De Heere Jezus stierf aan het kruis, verworpen door Zijn volk Israël.


Het derde zaai-moment: de verkondiging na Pinksteren

Na de Opstanding en de Hemelvaart ontvingen de discipelen met Pinksteren “de kracht des Heiligen Geestes”, de kracht om te getuigen van de Heere Jezus “tot aan het uiterste der aarde” (Hand. 1 : 8). Met Pinksteren, of eigenlijk bij het kruis al, ontstond de Gemeente van Jezus Christus, echter de boodschap van het Evangelie der genade Gods werd niet aan de heidenen verteld, voordat eerst het volk Israël alsnog de kans had hun Messias aan te nemen. In Hand. 13 : 46 staat geschreven: “Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig dat eerst tot u [= de Joden, Hand. 13 : 45] het Woord Gods gesproken zou worden, doch aangezien gij het verstoot, en uzelf het eeuwige leven niet waardig oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen”. In Hand. 2 zien we dan ook dat de beroemde Pinstertoespraak van Petrus gehouden wordt tegen het volk Israël. Hand. 2 : 5 zegt: “En er waren Joden, te Jeruzalem wonende,...”. Hand. 2 : 14 zegt: “Maar Petrus, staande met de elven, verhief zijn stem, en sprak tot hen: Gij Joodse mannen, en gij allen, die te Jeruzalem woont,...”. Hand. 2 : 22 zegt: “Gij Israëlietische mannen,...”. Petrus sluit zijn toespraak af met Hand. 2 : 36: “Zo wete dan zeker het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die gij gekruisigd hebt”. De boodschap wordt eerst aan het Joodse volk verteld! Petrus laat de mensen dopen tot vergeving van zonden (Hand. 2 : 38), geheel overeenkomstig de Joodse doop van Johannes de Doper (Luk. 3 : 3). Later zegt ook Petrus zelf in zijn brief dat de doop niet is tot vergeving van zonden (1 Petr. 3 : 21). Dat is de ontwikkeling in de Bijbel, dat is de ontwikkeling in het boek Handelingen: de overgangsfase van Israël naar de Gemeente. Had het Joodse volk Hem op dat moment alsnog aangenomen, dan had het Koninkrijk alsnog kunnen aanbreken! Dan was Gods Woord toen al in vervulling gegaan. In Hand. 3 : 19 – 21 lezen we: “Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden, wanneer de tijden der verkwikking zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren, en Hij gezonden zal hebben [de KJV1611 zegt hier: “and He shall send” = “en Hij zal zenden”] Jezus Christus, Die u te voren gepredikt is; Die de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door de mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw,...”. Ondanks dat er best een respectabel aantal mensen tot geloof kwam (Hand. 2 : 41), verwierp de natie Israël de Messias nog steeds. Dit kwam tot uiting in de steniging van Stéfanus (Hand. 7 : 54 – 60), nadat hij nog eenmaal had gewezen op het sterven van de Messias, zoals de profeten dat hadden voorzegd (Hand. 7 : 51 en 52). Ook bij deze derde confrontatie met het Evangelie van het Koninkrijk verwierpen de Joden als natie hun Messias. Hier gaat het keerpunt ontstaan dat ook de heidenen het Evangelie te horen krijgen, en zich bekeren. Waardoor nu het Evangelie der genade Gods, wat weliswaar voor Jood en heiden is, met name door de heidenen aangenomen wordt.


Het vierde zaai-moment: de 144.000 in de Grote Verdrukking

Er zal een vierde keer gezaaid worden. Wanneer de Gemeente opgenomen is, staat Israël weer centraal in Gods handelen. We zien in Openbaring dat God de 144.000 Joodse getuigen geeft uit de twaalf stammen Israëls (Openb. 7 : 4, 9). Zij zijn in de Grote Verdrukking Gods dienstknechten (Openb. 7 : 3). Door hun getuigenis komt een grote schare tot geloof, die hun leven in de Grote Verdrukking zullen verliezen (Openb. 7 : 9). In de Gemeente-tijd leven we onder de verkondiging van het Evangelie der genade Gods. Maar deze 144.000 Joodse getuigen zullen in de Grote Verdrukking opnieuw het Evangelie van het Koninkrijk verkondigen. In Matth. 24 : 14 staat geschreven: “En dit Evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde komen”. En dan zal het moment aanbreken dat geheel Israël tot bekering zal komen. In Rom. 11 : 25 en 26 staat: “Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend is (opdat gij niet wijs zijt bij uzelf), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. En alzo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob”. Het mooie is, dat we in deze tekst het woord “verborgenheid” tegenkomen. Er waren verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen (Matth. 13 : 11). Israëls verharding door het verwerpen van het Woord van het Koninkrijk, en van de Verlosser, is één zo’n verborgenheid. Voordat het Duizendjarig Vrederijk aanbreekt, zal heel Israël tot bekering komen. God richt dan met hen het Nieuwe Verbond op (Jer. 31 : 31 – 34). We vinden dit uitgebreid in de profeten beschreven. In Joël staat geschreven over de Dag des Heeren, over de dag van duisternis en donkerheid (Joël 2 : 1, 2), over de Grote Verdrukking. Maar ook staat in Joël 2 over de wederkomst van de Messias geschreven (Joël 2 : 11; Openb. 19 : 14), dan wordt beschreven hoe de vroege en de spade regen voor voldoende oogsten zullen zorgen (Joël 2 : 23 – 26). In het Duizendjarig Vrederijk zal er overvloed zijn. En dan zal heel Israël tot bekering komen, want Joël 2 : 28 gaat dan verder met: “En daarna zal het geschieden, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien”. Dit alles is nog onvervulde profetie, en zal in vervulling gaan met Israëls bekering en herstel aan het begin van het Duizendjarig Vrederijk. De vierde confrontatie van Israël met het Evangelie van het Koninkrijk zal plaatsvinden, om met de woorden van Jezus in Matth. 13 : 23 te spreken, “in de goede aarde”: “deze is degene, die het Woord hoort en verstaat, die ook vrucht draagt en voortbrengt, de één honderd- de ander zestig-, en de ander dertigvoud”.


Verkondiging voor Israël

Zo zien we dat de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen geen directe betrekking hebben op de Gemeente van Jezus Christus. In de eerste plaats is dit een verkondiging aan de Koninkrijksnatie Israël. Zij worden verhard omdat zij om verschillende redenen het Woord van het Koninkrijk verworpen hebben. Maar er komt bekering en dan zal er veel vrucht gedragen worden! Heel Israël zal tot bekering komen, en leven in het Koninkrijk van Jezus Christus.


Lessen voor onszelf?

Kunnen wijzelf dan niets van deze gelijkenis leren? Deze gelijkenis is één van de drie, die ook betrokken wordt, door Gods Woord Zelf, op het Koninkrijk Gods, het geestelijke Koninkrijk waar de Gemeente deel vanuit maakt (Luk. 8 : 10). Gods Woord laat ons zien dat we deze gelijkenis dus ook heel direct op onszelf mogen betrekken, alleen dan vanuit de context van Lukas 8. Ook in de Gemeentebedeling zijn er mensen die Gods Woord niet verstaan, of die Gods Woord met vreugde ontvangen, maar bij verdrukking of vervolging worden zij geërgerd, of die door de bekommernis van de wereld en de verleiding van de rijkdom verstikken. Maar ook in de Gemeentebedeling zijn er mensen bij wie Gods Woord in goede aarde valt. Zij dragen vrucht tot veel vrucht. Hier willen we nu niet verder op ingaan, omdat de context van Matth. 13 het Koninkrijk der hemelen, het Duizendjarig Vrederijk, is.




[1] ‘Jongerenbijbel, Met de tekst van De Nieuwe Bijbelvertaling’, NBG, EO, 2004, 2006, Het Nieuwe Testament, blz. 20.