Blue Flower

De gelijkenis van het mosterdzaad



Inleiding

Gods Woord spreekt over twee soorten Koninkrijken: het Koninkrijk der hemelen, en het Koninkrijk Gods. Het Koninkrijk Gods is een geestelijk Koninkrijk, dat nu reeds in de Gemeente aanwezig is. Het Koninkrijk der hemelen is het fysieke, letterlijke Koninkrijk op aarde. Dat Koninkrijk komt pas in het Duizendjarig Vrederijk, om zich daarna voor eeuwig uit te breiden. Een Koninkrijk wat volledig zal zijn, in die zin, dat dan natuurlijk tevens het Koninkrijk Gods in de Messias op aarde aanwezig zal zijn. Het letterlijke Koninkrijk is niet gekomen bij Jezus’ eerste komst op aarde. Het letterlijke Koninkrijk komt pas bij Jezus’ tweede komst op aarde! Er is dus een soort vertraging in de Profetieën, die de Heere Jezus op aarde overigens Zelf aankondigde. Voordat de Heere Jezus Koning wordt, verzamelt de Heere nu uit de volken, uit Jood en heiden, Zijn Gemeente. Een Gemeente, die in Gods Heilsplan een hele bijzondere plaats inneemt. De gelijkenissen van Matthéüs 13 gaan over het Koninkrijk der hemelen. Zij gaan over het Duizendjarig Vrederijk, en dan met name over de redenen van de uitstel van het Koninkrijk en de belofte dat het Koninkrijk in de toekomst daadwerkelijk gaat komen.

In de gelijkenis van de Zaaier wordt gezegd dat er eigenlijk vier zaaimomenten waren voor Israël. We hebben gezien dat Israël de boodschap van het Koninkrijk en de Heere Jezus drie maal verworpen heeft. De redenen om Gods Woord te verwerpen liepen uiteen van de invloed van de boze, tot moeilijkheden, tot de bekommernis en de rijkdom van de wereld. Maar de vierde keer, wanneer de 144.000 Getuigen in de Grote Verdrukking zullen prediken, zal geheel Israël tot bekering komen. In de gelijkenis van het onkruid gaat het over de leiders van Israël, en hoe zij door de Heere Jezus slangen en adderengebroedsel werden genoemd. Deze verkeerde leiders waren een oorzaak dat velen de waarheid afwezen, waardoor het Koninkrijk is uitgesteld.

En zo willen we in deze studie stilstaan bij de gelijkenis van het mosterdzaad, zoals deze te vinden is in Matth. 13 : 31 – 32.


Wie zijn de “vogelen des hemels”?

Nu wordt deze gelijkenis over het algemeen als volgt uitgelegd: het mosterdzaad dat uitgroeit tot een boom is het koninkrijk of de kerk. De kerk groeit zo groot, dat alle volgelingen van de Heere Jezus daar een plekje in vinden. Zo vinden we in ‘Leidraad’, een leesrooster van de IBB, het volgende commentaar bij deze verzen:

“Een mosterdzaadje is heel klein. Maar moet je eens zien als het gewas volgroeid is! Dan is het zo groot geworden als een boom 1). Zo is Gods Koninkrijk. Het begon heel klein in de persoon van de Here Jezus. Wanneer het volgroeid is, zal dit Rijk zijn als een grote boom waarin alle volken als vogels tussen de takken een schuilplaats kunnen vinden (v. 31,32) 2)” [1].

Een ander commentaar op deze verzen vinden we in bijvoorbeeld ‘Matthew Henry’s Commentaar op de Bijbel’:

“Dat het ten laatste tot ene grote mate van kracht en van nuttigheid zal worden: wanneer het opgewassen is, dan wordt het een boom, veel groter en omvangrijker in die landen, dan in het onze. (...) De kerk is als een grote boom, waarin de vogelen des hemels verblijven; Gods volk vinden er voedsel en rust, schaduw en beschutting” [2].

Deze commentaren, zoals gebruikelijk gehoord wordt in kerkelijke en in evangelische kring, stellen dat de “vogelen des hemels” de volken op aarde, dan wel Gods volk, zoals de Gemeente door de meeste kerken genoemd wordt, zijn. Maar dit is een eigen interpretatie, een eigen uitleg. En in de Bijbel waarschuwt de Heere ons, dat Zijn Woord “niet van eigen uitlegging” is. In 2 Petr. 1 : 20 lezen we: “Dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging”. Maar wat zijn deze “vogelen des hemels” dan wel? De Heere Jezus Zelf heeft het reeds uitgelegd in nota bene hetzelfde hoofdstuk van deze gelijkenissen. In Matth. 13 : 19, waar de Heere Jezus uitlegt wie nu de vogelen des hemels zijn, die het zaad van het Woord wegpikken (Matth. 13 : 4), lezen we: “Als iemand dat Woord van het Koninkrijk hoort, en niet verstaat, zo komt de boze, en rukt weg, wat in zijn hart gezaaid was; deze is degene, die bij de weg bezaaid is”. De “vogelen des hemels” worden in Gods Woord, in hetzelfde hoofdstuk nota bene, omschreven als “de boze”! Het gaat niet om de volken op aarde, het gaat niet om de gelovigen of het kerkvolk, maar de “vogelen des hemels” dat zijn de satan en zijn onderdanen! Even los van wat die boom nu is, het zijn geen mensen die een “warm plekje” vinden, maar het gaat om de boze die zich ergens nestelt! Dat geeft de gelijkenis een hele andere wending, dan de meeste naslagwerken en kerken ons willen doen geloven. Maar deze uitleg is geen interpretatie of eigen uitleg, het is de uitleg van Gods Woord Zelf! Mensen die de uitleg van Gods Woord Zelf loslaten, zijn bezig met misleiding in plaats van Bijbelstudie.


Het mosterdzaad

Maar wat is dan die boom, die groeit uit het mosterdzaadje? Het mosterzaad komt vijf maal in de Bijbel voor: Matth. 13 : 31, 17 : 20, Mark. 4 : 31, Luk. 13 : 19, 17 : 6. In twee van deze passages geeft het mosterdzaad de kracht van het geloof, ja van een klein beetje geloof, weer (Matth. 17 : 20 en Luk. 17 : 6). In Luk. 17 : 6 staat bijvoorbeeld: “En de Heere zeide: Zo gij een geloof hadt als een mosterdzaad, gij zoudt tegen deze moerbeiboom zeggen: Word ontworteld, en in de zee geplant, en hij zou u gehoorzaam zijn”. In de drie andere passages worden het Koninkrijk der hemelen, respectievelijk het Koninkrijk Gods vergeleken met het mosterdzaad. Dat betekent dat het mosterdzaad in Gods Woord als beeld gebruikt wordt voor het aanbreken van het Koninkrijk Israël, dat vertraagd werd, en later alsnog zal aanbreken in het Duizendjarig Vrederijk (Koninkrijk der hemelen), maar ook dat het als beeld gebruikt wordt voor het geestelijke Koninkrijk Gods, dat nu reeds in de Gemeente op aarde aanwezig is.

In Matth. 13 lezen we gelijkenissen die het Koninkrijk der hemelen aangaan. Zo zegt   Matth. 13 : 31 het volgende: “...Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan het mosterdzaad”. De context van Matth. 13 betreft dus het Koninkrijk Israël! Het Koninkrijk dat aan onder andere David beloofd is, maar dat om verschillende redenen vertraagd is, zoals we ook in andere gelijkenissen al reeds zagen.


Het kleinste van alle volken

Het mosterdzaadje wordt in Matth. 13 : 32 als volgt genoemd: “Dat wel het minste is onder al de zaden”. Het mosterdzaad is het minste, de kleinste onder de zaden! Zo was het ook met Israël. God beloofde Abraham een groot volk. In Gen. 15 : 5  zei God tegen hem: “...Zie nu op naar de hemel, en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn!”  God beloofde Abraham een groot volk, maar het begon allemaal heel klein: Israël als klein volkje apart gezet onder de volken. In Deut. 7 : 7 lezen we: “De Heere heeft geen lust tot u gehad, noch u verkoren, om uw veelheid boven alle andere volken; want gij waart het kleinste van alle volken”.


Over een grote boom en vogelen des hemels in het Oude Testament

Wanneer Israël het mosterdzaadje is, dan groeit Israël dus uit tot een grote boom. Toen de Heere Jezus deze gelijkenis vertelde, had bij het Joodse volk een lichtje moeten gaan branden. Deze gelijkenis lijkt namelijk heel veel op een gelijkenis uit het Oude Testament, de TeNaCH voor de Joden, die in Jezus’ dagen reeds compleet was en gelezen werd. In Dan. 4 : 10 – 17 lezen we dat koning Nebukadnezar het volgende zegt: “De gezichten nu van mijn hoofd op mijn bed waren deze: Ik zag, en ziet, er was een boom in het midden der aarde, en zijn hoogte was groot. De boom werd groot en sterk; en zijn hoogte reikte aan de hemel, en hij werd gezien tot aan het einde der ganse aarde; zijn loof was schoon, en zijn vruchten vele, en er was spijs aan hem voor allen; onder hem vond het gedierte des velds schaduw, en de vogelen des hemels woonden in zijn takken, en alle vlees werd daarvan gevoed. Ik zag verder in de gezichten mijns hoofds, op mijn bed; en ziet, een wachter, namelijk een heilige, kwam af van de hemel. Roepende met kracht, en aldus zeggende: Houwt die boom af, en kapt zijn takken af; stroopt zijn loof af, en verstrooit zijn vruchten, dat de dieren van onder hem wegzwerven, en de vogels van zijn takken. Doch laat de stam met zijn wortels in de aarde, en met een ijzeren en koperen band in het tedere gras des velds; en laat hem in de dauw des hemels nat gemaakt worden, en zijn deel zij met het gedierte in het kruid der aarde. Zijn hart worde veranderd, dat het geen mensenhart meer is, en hem worde een beestenhart gegeven, en laat zeven tijden over hem voorbijgaan. Deze zaak is in het besluit der wachters, en deze begeerte is in het woord der heiligen; opdat de levenden bekennen, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken der mensen, en ze geeft aan wie Hij wil, ja, daarover zet de laagste onder de mensen”. Nebukadnezar droomde dus van een boom, die hoog reikte tot in de hemel. En de vogelen des hemels nestelden zich daarin... Deze boom werd omgehouwen, maar zijn wortels bleven staan. In Dan. 4 : 20 – 27 zien we hoe Daniël de droom uitlegde. Die grote boom was koning Nebukadnezar (Dan. 4 : 22). Koning Nebukadnezar zou van de mensen verstoten worden, totdat zeven tijden voorbij waren gegaan, en de koning bekend zou hebben “dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken der mensen, en ze geeft aan wie Hij wil” (Dan. 4 : 25). Daarna zou het koninkrijk aan hem bevestigd worden (Dan. 4 : 26). Zo is het ook gebeurd (Dan. 4 : 28 – 37). Koning Nebukadnezar moest zich dus bekeren. Eén van de dingen die Nebukadnezar moest leren was genade te betonen aan de armen (Dan. 4 : 27).

Toen de Heere Jezus de gelijkenis van het mosterdzaad vertelde, was deze gelijkenis uit het Oude Testament reeds bekend! Het volk had kunnen weten dat de Heere zonde straft, en de boom zou laten omhakken! Dat staat wel niet in de gelijkenis van het mosterdzaad, maar is wel een gevolg van het feit dat “de vogelen des hemels” zich bij het volk nestelden. De Heere Jezus gaf aan dat de “vogelen des hemels” de boze zijn! Door het Woord te verwerpen (Gelijkenis v/d Zaaier), door kwade leiders (Gelijkenis v/h Onkruid), kon de boze zich in het Koninkrijk Israël nestelen!


De boze zit genesteld in de takken

De leiders van het volk zaten “op de stoel van Mozes” (Matth. 23 : 2). Maar de Heere Jezus noemde hen geveinsd, oftewel hypocrieten of huichelaars! In Matth. 23 : 13 lezen we: “Maar wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden! Want gij sluit het Koninkrijk der hemelen voor de mensen, aangezien gij daar niet ingaat, noch hen, die ingaan zouden, laat ingaan”. Dat is de ernst van de situatie van (het Koninkrijk) Israël in de dagen van de Heere Jezus. Ook toen hield men geen rekening met de armen! In Matth. 23 : 14 lezen we: “Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden, want gij eet de huizen der weduwen op, en dat onder de schijn van lang te bidden; daarom zult gij te zwaarder oordeel ontvangen”.

De Heere Jezus sprak de gelijkenis van het mosterdzaad niet voor niks! Met de kennis van het Oude Testament vertelde Hij hier dat het Koninkrijk vetraging opliep, doordat de boze zich in het volk genesteld had. De boom, het Koninkrijk Israël zou, net als Nebukadnezar omgehakt worden! In Matth. 23 : 37 en 38 lezen we: “Jeruzalem, Jeruzalem! Gij die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! Hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijk een hen haar kuikens bijeenvergadert onder de vleugels; en gij hebt niet gewild. Ziet, uw huis wordt u woest gelaten”. Tot waneer duurt die woestheid van het huis? Net als bij Nebukadnezar, tot zij zich bekeren. Matth. 27 : 39 zegt: “Want Ik zeg u: Gij zult Mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend is Hij, Die komt in de Naam des Heeren”.


Bekering!

We weten dat de Heere in deze tijd van vertraging van het Koninkrijk Zijn Gemeente verzamelt. Wanneer de Gemeente opgenomen is, zal de Grote Verdrukking over deze aarde komen en Israël zal tot bekering komen. Op de Dag des Heeren, die begint met de Grote Verdrukking, komt Israël tot geloof. In Joël 2 vindt u de beschrijving van de Grote Verdrukking, u leest dat Israël vervolgens tot geloof komt en de Geest des Heeren ontvangt (Joël 2 : 28, 29). U leest dat er met de heidenen afgerekend wordt (Joël 3 : 2), en dat de gevangenis van Juda en Jeruzalem zal wenden (Joël 3 : 1). En dan is daar de belofte voor Israël in Joël 3 : 20 en 21: “Maar Juda zal blijven in eeuwigheid, en Jeruzalem van geslacht tot geslacht. En Ik zal hun bloed reinigen, dat Ik niet gereinigd had; en de Heere zal wonen op Sion”. Dan hebben we het dus over het Duizendjarig Vrederijk, waar ook Openb. 20 over schrijft!


De les van de vijgeboom

Maar dan begrijpen we ook de profetie over Israëls herstel als teken van de eindtijd. In de beschrijving van de Grote Verdrukking in Matth. 24 vinden we onder andere het volgende. In Matth. 24 : 32 – 34 staat geschreven: “En leert van de vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet gij dat de zomer nabij is. Alzo ook gij, wanneer gij al deze dingen zult zien, zo weet, dat het nabij is, voor de deur. Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn”. De vijgeboom van Israël (Hos. 9 : 10) is in 1948 weer gaan uitlopen! Nadat Israël in 70 na Chr. verwoest is, en de Joden verstrooid zijn onder de volken, bestaat de staat sinds 1948 weer. Dit is een teken van de tijd, want de Bijbel zegt dat het geslacht, dat dit meemaakt, alles van de eindtijd zal meemaken. Wij leven dus niet ver van de vervulling van de Profetieën af! Maar dit gedeelte spreekt nog niet over vrucht... Maar “Israël nu” heeft ook nog geen vrucht! Israël moet nog tot bekering komen in haar Messias. Ze wonen wel in het huis, maar het huis is (deels) nog steeds woest. De vrucht zal volgen aan het eind van de Grote Verdrukking, wanneer Israël tot geloof komt, en zij met haar Messias het Duizendjarig Vrederijk in zal gaan!


“De winter is voorbij...”

Het Hooglied geeft zo schitterend een beeld van de bruiloft van het Lam: de voorbereiding, de bruilofsstoet, de bruiloft, e.d. In Hooglied 2 : 10 – 13 vinden we geschreven: “Mijn Liefste antwoordt, en zegt tot mij: Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom! Want zie, de winter is voorbij, de plasregen is over, hij is overgegaan; de bloemen worden gezien in het land, de zangtijd nadert, en de stem van de tortelduif wordt gehoord in ons land. De vijgeboom brengt zijn jonge vijgjes voort, en de wijnstokken geven reuk met hun jonge druifjes. Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom!”. Jawel! Het is Openbaring 19 waar de bruiloft van het Lam plaatsvindt, kort voordat Jezus Christus terugkeert naar de aarde om het Duizendjarig Vrederijk op te richten (Openb. 20). En wat lezen we: DE WINTER IS VOORBIJ, de zomer komt! DE PLASREGEN IS OVER! We zitten aan het begin van het Duizendjarig Vrederijk, en wat staat er dan: “De vijgeboom brengt zijn jonge vijgjes voort”. Jawel, dat is de tijd dat Israël volledig hersteld zal zijn, Israël is vruchtdragend, en zal tot grote bloei komen!

Dat is de toekomst, maar vooralsnog leven we in de tijd dat het Koninkrijk niet is begonnen. Door verwerping van het Woord, door slechte leidslieden, heeft de boze zich in Israël genesteld, en is de boom omgehouwen. Maar de stam en de wortels zijn blijven staan, en zijn weer gaan uitlopen, zodat Israël na haar bekering tot grote bloei zal komen!


Over het gedrocht van het Christendom

In een andere passage wordt het mosterdzaad als beeld gebruikt van het Koninkrijk Gods! We zullen hier in het kader van Matth. 13 niet diep op in gaan, maar het is wel goed om het hier even te noemen. In Luk. 13 : 18 en 19 lezen we: “En Hij zeide: Aan wie is het Koninkrijk Gods gelijk, en waarbij zal Ik het vergelijken? Het is gelijk aan een mosterdzaad...”. En ook hier lezen we over de vogelen des hemels... Dat betekent dat de Heere deze gelijkenis dus ook op deze Gemeente-tijd toepast! De Gemeente, die vorm kreeg in lokale gemeenten, begon goed, maar al gauw verloor zij de eerste liefde tot God en Zijn Woord, en er kwamen slechte leiders. Daaruit voort kwam afgodenverering, etc... Een beschrijving van de kerkgschiedenis, die we vinden in Openb. 2 en 3. De boze nestelt zich in het gedrocht dat zich Christendom noemt. Iets wat leidt tot de gemeente van de Middeleeuwen (Rooms-katholicisme), maar ook tot de gemeente van de  eindtijd (de lauwe Oecumene onder leiding van Rome)!

En zo mogen ook wij gewaarschuwd zijn! Het is niet voor niets dat de Heere ons via Paulus oproept met Ef. 4 : 27: “En geeft de duivel geen plaats”.


[1] 'Commentaar op basis van Leidraad, 1998', bron: CD-ROM Online Bible, bij Matth. 13 : 31.
[2] 'Matthew Henry’s Commentaar op de Bijbel´, bron: CD-ROM Online Bible, bij Matth. 13 : 25.