Blue Flower

De Heere, onze Heelmeester…?
De Christen en het lijden – deel 6



Inleiding

In deel 5 van deze Bijbelstudieserie “De Christen en het lijden” zagen we dat naast het feit dat de Bijbel laat zien dat er lijden is, waarvoor wij een kroon kunnen verdienen in de eeuwigheid –  bijvoorbeeld voor het verdragen van verzoeking of het verdragen van lijden voor de naam van de Heere Jezus – dat er ook lijden is waarvoor we in de eeuwigheid geen kroon zullen krijgen. Heel veel tranen die de mensen oogsten hebben namelijk met hun eigen weg te maken. Doordat ze de Heere God niet of niet genoeg vertrouwen, of dat ze niet (willen) luisteren naar wat Gods Woord zegt. Vaak wil men dan ook de zonde niet belijden aan de Heere, en zeker geen vergeving vragen aan de naaste voor gedane misdaden. En dan is Gods Woord duidelijk: Dan maait men wat men gezaaid heeft. In het hier en nu zijn dat vaak tranen, maar voor de eeuwigheid betekent dat, dat men de beloning op het spel zet, en men zal eerder schade lijden. In het voorbeeld van Jakob zagen we dat het beter is om op de Heere te vertrouwen. Daardoor kunnen we ons tranen en zorgen besparen.

In deze studie willen we bij een vorm van lijden stilstaan, waar we allemaal wel mee te maken krijgen. Zo niet zelf, dan wel in onze naaste omgeving. We willen stilstaan bij ziekte. Natuurlijk kan ziekte een test zijn van de Heere God, om te zien hoe wij ermee omgaan ten opzichte van Hem. Ziekte kan een verzoeking zijn, om ons te proberen te verleiden tot zonde. Zo zegt de duivel over Job tegen de Heere God: “Doch strek nu Uw hand uit en tast zijn gebeente en zijn vlees aan; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen [= vloeken]!” (Job 2 : 5). Nu hebben we al bij het onderwerp “Velerlei verzoekingen” stil gestaan, maar over ziekte, genezing en gezond zijn valt nog wel wat meer te zeggen, vandaar dat we er in deze studie verder bij stil zullen staan.


Ook een gelovige kan ziek worden

Allereerst is het goed om te zien dat ziekte gewoon voor kan komen.  Oók in deze Gemeente-tijd. In de studie “Velerlei verzoekingen” zagen we reeds dat Paulus “een doorn in het vlees” had. In 2 Kor. 12 : 7 – 10 lezen we daar nogmaals over: “En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen. Hierover heb ik den Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken. En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus’ wil; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig”. Paulus had “een scherpe doorn in het vlees”. Er staat dus onder andere: “Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden” (2 Kor. 12 : 9). In de Engelse King James 1611 staat daar het woordje “infirmities”, wat erop wijst dat de doorn in het vlees een ziekte geweest is. En zeer waarschijnlijk heeft dit te maken gehad met het feit dat Paulus oogproblemen heeft gehad. In ieder geval komt het woordje doornen in Gods Woord in figuurlijke zin in combinatie met de ogen voor. Kijk maar in Num. 33 : 55: “Maar indien gij de inwoners des lands niet voor uw aangezicht uit de bezitting zult verdrijven, zo zal het geschieden, dat wie gij van hen zult laten overblijven, tot doornen zullen zijn in uw ogen en tot prikkelen in uw zijden, en u zullen benauwen op het land waarin gij woont” (zie ook Joz. 23 : 13). En wat blijkt, Paulus had weldegelijk problemen met zijn ogen. In Gal. 4 : 14 en 15 lezen we: “En mijn verzoeking, die in mijn vlees geschiedde, hebt gij niet veracht, noch verfoeid, maar gij naamt mij aan als een engel Gods, ja, als Christus Jezus. Welke was dan uw gelukachting! Want ik geef u getuigenis dat gij, zo het mogelijk ware, uw ogen zoudt uitgegraven en mij gegeven hebben”. Het is dan ook niet voor niets dat Paulus zijn brieven dicteerde, en dat iemand anders het voor hem opschreef. Zoals bijvoorbeeld blijkt uit Rom. 16 : 22, waar geschreven staat: “Ik, Tertius, die den brief geschreven heb, groet u in den Heere”. En op andere plaatsen lezen we dat Paulus alleen de groet zelf schreef, als bewijs dat de brief van hem afkomstig was. In bijvoorbeeld 2 Thess. 3 : 17 lezen we: “De groetenis met mijn hand, van Paulus, hetwelk is een teken in iederen zendbrief: alzo schrijf ik” (zie ook 1 Kor. 16 : 21, Gal. 6 : 11, Kol. 4 : 18).

Paulus was gedurende zijn bediening dus ziek, en hij nam zelfs een dokter (dr. Lukas) mee op reis (2 Tim. 4 : 11; Kol. 4 : 14). Lukas wordt in Kol. 4 : 14 medicijnmeester genoemd. En om het verhaal compleet te maken, lezen we in 1 Tim. 5 : 23 dat Paulus Timótheüs een medicijn aanraadde: “Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijn, om uw maag en uw menigvuldige zwakheden”. En in 2 Tim. 4 : 20 lezen we dat Trófimus in Miléte ziek was achtergebleven. De conclusie is dus dat ziekte heel gewoon voorkomt in de Gemeente-tijd. In de studie “Verlost de Heere uit alle nood?” hebben we al gezien dat wij als Gemeente van Jezus Christus geen belofte hebben dat de Heere ons altijd uit alle nood verlost. En zo is het dus ook met ziekte. Kringen die beweren dat gelovigen altijd gezond zijn, brengen dus een valse leer. Tevens zien we in het voorbeeld van Paulus dat ziekte weldegelijk een doel kan hebben in het leven van de gelovige. Voor hem was het een bescherming tegen hoogmoed.


De genezingen bewezen dat de Heere Jezus de Messias was

In de tijd van Paulus waren er dus al gelovigen ziek. En dat terwijl de Heere Jezus rondtrok en mensen genas. In Matth. 8 : 16 lezen we bijvoorbeeld: “En als het laat geworden was, hebben zij velen, van den duivel bezeten, tot Hem gebracht, en Hij wierp de boze geesten uit met het woord, en Hij genas allen die kwalijk gesteld waren”. En dat terwijl de Heere Jezus Zijn discipelen de opdracht gaf om mensen te genezen. In Matth. 10 : 7 en 8 lezen we: “En heengaande predikt, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Geneest de kranken, reinigt de melaatsen, wekt de doden op, werpt de duivelen uit. Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet”. Wanneer u dit zo leest, dan zou u, zoals men in veel kringen doet, kunnen denken: "Wij moeten erop uit om mensen te genezen". En toch is dat niet de opdracht die de Gemeente van Jezus Christus heeft. Wij kúnnen dat gewoonweg niet. De Heere Jezus genas de zieken omdat Hij daarmee bewees dat Hij de Messias was. Wannneer u in Matth. 8, naast vers 16, vers 17 erbij leest, dan wordt dat heel duidelijk: “En als het laat geworden was, hebben zij velen, van den duivel bezeten, tot Hem gebracht, en Hij wierp de boze geesten uit met het woord, en Hij genas allen die kwalijk gesteld waren; Opdat vervuld zou worden wat gesproken was door Jesaja, den profeet, zeggende: Hij heeft onze krankheden op Zich genomen en onze ziekten gedragen”. In Joh. 5 : 36 zegt de Heere Jezus het zo: “Maar Ik heb een getuigenis meerder dan die van Johannes; want de werken die Mij de Vader gegeven heeft om die te volbrengen, dezelve werken die Ik doe, getuigen van Mij, dat Mij de Vader gezonden heeft” (zie ook Joh. 15 : 24 en 20 : 30 – 31). De Heere Jezus deed de wonderen niet als voorbeeld zodat iedereen ze zou navolgen, maar Hij deed ze, omdat daarmee Gods Woord in vervulling ging en omdat daaruit bleek dat Hij de beloofde Messias was!


Het Koninkrijksevangelie gaat gepaard met wonderen en tekenen

Maar de Heere Jezus gaf Zijn discipelen toch de opdracht om erop uit te gaan en de zieken te genezen? Ook hier geldt weer dat die opdracht heel specifiek voor de discipelen was. In Matth. 10 : 1, nog voor de opdracht, is te lezen: “EN Zijn twaalf discipelen tot Zich geroepen hebbende, heeft Hij hun macht gegeven over de onreine geesten, om dezelve uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwaal te genezen”. Het waren de twaalven die die macht kregen. Het waren de twaalven die ook die opdracht kregen. En hier zien we het verschil tussen de verkondiging van Koninkrijksevangelie aan het huis van Israël toen de Heere Jezus op aarde was, en de verkondiging van het Evangelie der Genade Gods voor de Gemeente-tijd. Wie nu het Koninkrijks-evangelie brengt, brengt een vals evangelie voor deze tijd, en de wonderen en tekenen “door de hand van” worden ingegeven door de duivel, de vijand van God (2 Thess. 2 : 9).


De merktekenen der apostelen

Maar toen de Heere Jezus naar de hemel ging, hadden de apostelen die macht wel. Maar ook dat was iets heel specifieks voor de apostelen. Zelfs zo, dat we in 2 Kor. 12 : 12 lezen: “De merktekenen van een apostel zijn onder u betoond in alle lijdzaamheid, met tekenen en wonderen en krachten”. De Bijbel spreekt niet voor niets over de “merktekenen der apostelen”. In Handelingen staat dan ook op verschillende plaatsen geschreven dat er vele wonderen en tekenen plaatsvonden “door de apostelen” of “door de handen der apostelen” (Hand. 2 : 43, 4 : 33, 5 : 12, 19 : 11, 12). De Bijbel laat nergens zien dat het de bedoeling zou zijn dat iedereen iedereen zou kunnen genezen. In Hand. 9 : 37 lezen we dat een discipelin, Tabitha of Dorkas, ziek wordt en sterft. En dan komt er niet een willekeurige gelovige bij om Tabitha uit de dood te doen opstaan. Nee, in Hand. 9 : 38 lezen we dat men Petrus, één van de apostelen, laat komen. En Petrus bidt en Tabitha staat op uit de dood (Hand. 9 : 40). Door Petrus, een apostel, geschiedden de “merktekenen der apostelen”. En waarom? Omdat de Heere zo door de apostelen heen Zijn Woord bevestigde. Dat is wat Mark. 16 : 20 ook zegt: “En zij uitgegaan zijnde, predikten overal, en de Heere wrocht [= werkte] mede en bevestigde het Woord door tekenen die daarop volgden. Amen” (zie ook Hebr. 1 : 1, 2 : 4).


De laatste apostelen

Paulus werd pas later apostel. Toch had ook hij die macht van de “merktekenen der apostelen”. In Hand. 19 : 11 en 12 staat bijvoorbeeld geschreven: “En God deed ongewone krachten door de handen van Paulus; Alzo dat ook van zijn lijf op de kranken [= zieken] gedragen werden de zweetdoeken of gordeldoeken, en dat de ziekten van hen weken en de boze geesten van hen uitvoeren”. Maar ondanks dat werd Paulus zelf niet beter. En we lezen dat hij op een gegeven moment een medicijn aanraadde aan Timótheüs (1 Tim. 5 : 23) en dat hij anderen ziek achter liet. 2 Timótheüs is geschreven in ca. 68 na Chr., wat in ieder geval ruim na de Handelingen-periode is, wat tot ongeveer 63 na Chr. loopt [1]. In 2 Tim. 4 : 20 lezen we dan: “Erástus is te Korinthe gebleven, en Trófimus heb ik te Miléte krank gelaten”. Blijkbaar, als de Heere Zijn Woord bevestigd heeft, werkt Hij niet meer door de merktekenen der apostelen. Die merktekenen waren kenmerkend voor de begin-periode van de Gemeente. Later verdwenen ze. Zo laat de Bijbel zien dat er “laatste apostelen” zijn geweest. In 1 Kor. 4 : 9 staat geschreven: “Want ik acht dat God ons, die de laatste apostelen zijn, tentoon heeft gesteld als tot den dood verwezen; want wij zijn een schouwspel geworden der wereld en den engelen en den mensen”. Met de apostelen zijn dus ook de “merktekenen der apostelen” verdwenen. En eigenlijk was dit al gaande aan het eind van en na Handelingen.


Zijn vrede, die alle verstand te boven gaat

Maar kan de Heere niet genezen dan? Ja, natuurlijk kan de Heere genezen. Hij is Almachtig. Hij kan alles. In Filip. 2 : 25 – 28 staat het volgende geschreven: “Maar ik heb nodig geacht tot u te zenden Epafrodítus, mijn broeder en medearbeider en medestrijder, en uw afgezondene en bedienaar mijner nooddruft; Dewijl hij zeer begerig was naar u allen, en zeer beangst was, omdat gij gehoord hadt dat hij krank was. En hij is ook krank geweest tot nabij den dood; maar God heeft Zich zijner ontfermd, en niet alleen zijner, maar ook mijner, opdat ik niet droefheid op droefheid zou hebben. Zo heb ik dan hem te spoediger gezonden, opdat gij hem ziende, wederom u zoudt verblijden, en ik te min zou droevig zijn”. Zo kan de Heere God ook vandaag genezen. Ook dáár mag u voor bidden. U mag ten slotte al uw begeerten, en dus ook al uw noden, bij Hem bekend maken. Filip. 4 : 6 zegt: “Weest in geen ding bezorgd, maar laat uw begeerten in alles door bidden en smeken, met dankzegging, bekend worden bij God”. En dan kan het zijn dat de Heere genezing geeft. Máár, het kan ook zijn dat Hij dat niet geeft. En, wanneer u zich niet bezorgd maakt en alles bij Hem brengt, dan krijgt u wat er in Filip. 4 : 7 staat: “En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw zinnen bewaren in Christus Jezus”. En dit merkt u natuurlijk met name, wanneer uw gebed niet verhoord wordt, op de wijze zoals u het zelf gevraagd had. Gebeurt dat wel, dan is het enigszins logisch dat u “vrede” ervaart. Maar ook als het anders gaat dan u zelf dacht, is deze belofte er. Wanneer u gelooft dat de Heere God uw leven leidt en wanneer u daarop vertrouwt, dan zult u Zijn vrede ervaren. En dat gaat “alle verstand te boven”.


De Heere helpt u dragen

Hierin zien we bevestigd dat de Heere belooft met u te zijn “IN dit alles”, Hij helpt u om de verzoeking, dus ook ziekte, te kunnen dragen (Rom. 8 : 28, 37; 1 Kor. 10 : 13). En denk dan aan Paulus, die de “doorn in het vlees” had. Hoe vaak bad hij? Paulus bad de Heere driemaal (2 Kor. 12 : 8). Maar de Heere zei: “Mijn genade is u genoeg” (2 Kor. 12 : 9). En Paulus bad er blijkbaar niet meer voor. Hij boog zich voor de wil van de Heere, Die klaarblijkelijk een doel had met zijn ziek zijn. Of u nu gezond bent, of dat u ziek bent, u mag door de wedergeboorte Zijn kind zijn. En hoe moeilijk het ook kan zijn, u gaat een geweldige toekomst tegemoet. En wanneer u hier op aarde reeds vertrouwt op Hem, dan geeft Hij u ook daarin Zijn vrede, die alle verstand te boven gaat.


Over genezingsbedieningen en teleurstelling

Feit is dat er geen “merktekenen der apostelen” meer zijn. De Heere werkt niet meer “door de hand van”. En dat betekent dat al die genezingsbedieningen die er vandaag de dag zijn, dat zij vals zijn. Dat betekent dat er ook veel teleurstelling is. Mensen die denken genezen te zijn, waarvan later blijkt dat ze tóch niet genezen zijn. Maar ook mensen die beschuldigd worden dat ze geen geloof genoeg hebben, want als ze geloof genoeg zouden hebben, dan zouden ze genezen. Dat is wat men vaak hoort. Maar nergens in de Bijbel heeft de Gemeente van Jezus Christus die belofte. Een tekst als Hand. 14 : 9 is hiervoor wel te misbruiken. Daar staat geschreven: “Deze hoorde Paulus spreken; welke de ogen op hem houdende en ziende dat hij geloof had om gezond te worden”. Echter men vergeet dan dat de Heere Jezus in Zijn eigen plaats (Nazareth) veracht werd. Er staat letterlijk in Mark. 6 : 6: “En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof”. De Heere Jezus deed daar weinig krachten, en tóch genas hij er zieken (Mark. 6 : 5). Ondanks ongeloof. In Luk. 4 : 33 – 37 lezen we over een bezetene, die genezen werd. Deze bezetene vroeg absoluut niet om genezing, maar zei tegen de Heere Jezus: “Zeggende: Laat af, wat hebben wij met U te doen, Gij Jezus Nazaréner? Zijt Gij gekomen om ons te verderven? Ik ken U wie Gij zijt, namelijk de Heilige Gods” (Luk. 4 : 34). Toch gaf de Heere Jezus de onreine geest de opdracht om te zwijgen, en van de bezetene uit te gaan, waarmee Hij hem genas. Zo wordt er in Luk. 5 vertelt over vier mannen (zie ook Mark. 2 : 3 – 5) die een verlamde bij de Heere Jezus brachten. In dat gedeelte gaat het niet om het geloof van de verlamde, maar om het geloof van de vier die hem brachten (Mark. 2 : 5; Luk. 5 : 20). Toen de Heere Jezus het dochtertje van Jaïrus wilde opwekken uit de dood, werd Hij zelfs uitgelachen (Luk. 8 : 53). En toch wekte Hij haar op. U ziet dat het “hebben van genoeg geloof” een valse beschuldiging is, die valse genezers hanteren om te verbergen dat zij helemaal geen gave van genezing hebben.


Draagt elkanders lasten

En mensen voorhouden, als ze niet genezen, dat ze geen geloof genoeg hebben, is dus on-Bijbels en uit den boze. Het is hard. Men praat mensen een schuldgevoel aan, terwijl dat Bijbels niet te staven is. Sterker nog: Bijbels gezien kan een gelovige heel gewoon ziek worden. En dan is het de bedoeling dat men er voor elkaar is. Dat men elkaar draagt in het gebed. Zoals 1 Kor. 12 : 26 over het lichaam van de Heere Jezus zegt: “En hetzij dat één lid lijdt, zo lijden al de leden mede; hetzij dat één lid verheerlijkt wordt, zo verblijden zich al de leden mede”. Of zoals Rom. 12 : 15 zegt: “Verblijdt u met de blijden, en weent met de wenenden”. En Gal. 6 : 2 zegt nog: “Draagt elkanders lasten, en vervult alzo de wet van Christus”. In plaats van het zeggen “Je zult wel geen geloof genoeg hebben”, vraagt de Heere ons om er voor elkaar te zijn. Om elkaars nood aan te voelen en om voor elkaar te bidden. Ten slotte staat in 1 Thess. 5 : 14 geschreven: “En wij bidden u, broeders, vermaant de ongeregelden, vertroost de kleinmoedigen, ondersteunt de zwakken, zijt lankmoedig jegens allen”.


Zonde kán een oorzaak van ziekte zijn

Een bekende tekst, die ook vaak geciteerd wordt, is Jak. 5 : 14, 15: “Is iemand krank onder u? Dat hij tot zich roepe de ouderlingen der gemeente, en dat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in den Naam des Heeren; En het gebed des geloofs zal den zieke behouden, en de Heere zal hem oprichten, en zo hij zonden gedaan zal hebben, het zal hem vergeven worden”. Hieruit blijkt dat de genezing afhankelijk is van de bidder, de geroepen ouderling. We hebben hier te maken met de apostolische gave van genezing bekend van het Koninkrijksevangelie. Wat niet vreemd is, gezien het feit dat Jakobus aan de twaalf stammen in de verstrooiing is geschreven (Jak. 1 : 1), aan de Joden in de Grote Verdrukking. Deze tekst is niet direct van toepassing op de Gemeente. En wanneer men al aanspraak wil maken op het “gelovig gebed”, dan is dat niet van de zieke, maar van de ouderlingen.

En tevens laat de context zien, dat in deze situatie zonden meespelen. En dat kan, ook op basis van andere Schriftplaatsen, ook vandaag de dag het geval zijn. Maar allereerst een voorbeeld uit de Evangeliën. De Heere Jezus geneest op een gegeven moment een verlamde man bij het badwater van Bethesda. En dat doet Hij zonder voorwaarden. Hij zegt niet eerst: “Uw zonden zijn vergeven”, en er staat ook niet “hij had geloof om beter te worden”, o.i.d. Nee, we lezen in Joh. 5 : 6 – 8: “Jezus ziende dezen liggen, en wetende dat hij nu langen tijd gelegen had, zeide tot hem: Wilt gij gezond worden? De kranke antwoordde Hem: Heere, ik heb niet een mens om mij te werpen in het badwater, wanneer het water beroerd wordt; en terwijl ik kom, zo daalt een ander vóór mij neder. Jezus zeide tot hem: Sta op, neem uw beddeken op en wandel”. Wanneer de Joden hem vragen Wie hem genezen heeft, kan hij daar geen antwoord op geven, omdat de Heere Jezus reeds weg was gegaan in de menigte (Joh. 5 : 12, 13). Maar wanneer de Heere Jezus hem later in de tempel tegenkomt, dan zegt Hij tegen deze man in Joh. 5 : 14: “Daarna vond hem Jezus in den tempel en zeide tot hem: Zie, gij zijt gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede”. Blijkbaar was deze man ziek omdat hij gezondigd had.


Indien zonde de oorzaak is, dan genezing bij belijden

Zo kan óók in de Gemeente-tijd een specifieke zonde de oorzaak zijn van ziekte. In 1 Kor. 11 : 30 – 33, het gedeelte over het Avondmaal, staat bijvoorbeeld geschreven over degene die “onwaardiglijk eet en drinkt” van de maaltijd des Heeren: “Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen. Want indien wij onszelven oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden. Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden”. Als lid van de Gemeente komt u niet voor het Oordeel van de Grote Witte Troon, dat is één ding wat zeker is. Maar u kunt wel door de Heere geoordeeld worden door middel van tuchtiging. En ziekte, en zelfs de dood kunnen daar een resultaat van zijn (zie ook Rom. 8 : 13). Daarom moet de mens zichzelf beproeven… Want wanneer u zichzelf oordeelt, wordt u daarvoor niet geoordeeld, oftewel: daarvoor niet getuchtigd. Dat is wat Gods Woord zegt. En daarmee ziet u, dat Jak. 5 : 16 weldegelijk op de Gemeente van toepassing is: “Belijdt elkander de misdaden, en bidt voor elkander, opdat gij gezond wordt. Een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel”. Indien zonde de oorzaak is van de ziekte, en men belijdt de zonde, dan wordt de zieke beter.


Zonde is niet altijd de oorzaak van ziekte

Maar let op: Het gaat wel om “Indien zonde de oorzaak is...”, want bij ziekte zeggen: “O, jij zult wel gezondigd hebben”, dat is weer het andere uiterste, dat leidt tot onterechte, on-Bijbelse hardheid en teleurstelling. Want een specifieke zonde ís niet altijd de oorzaak van ziekte. Bij Paulus zagen we dat de Heere hem wilde beschermen tegen hoogmoed. Maar ook in Joh. 9 vinden we daar een mooi voorbeeld van. In Joh. 9 lezen we dat de Heere Jezus een blinde geneest. Het eerste wat de discipelen op dat moment doen, is naar de schuldvraag kijken: ‘Wie heeft er gezondigd?’ In vers 2 en 3 lezen we: “En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Rabbi, wie heeft er gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind zou geboren worden? Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar dit is geschied opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden”. Bij deze blinde ging het er dus om dat “de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden”. Oftewel: deze ziekte was tot een getuigenis.


Is de Heere onze Heelmeester?

Dan zijn er die zeggen, maar de Heere is toch onze Heelmeester? In Pinksterkringen wordt dat vaak gebeden: “Heere, U bent toch onze Heelmeester!” Maar waar staat dat in Gods Woord, dat de Heere onze Heelmeester is? Dat staat in Ex. 15 : 26. En in Ex. 15 : 26 staat inderdaad letterlijk: “...want Ik ben de HEERE, uw Heelmeester”. Maar dat is ongeveer 1/8 van het vers. Het hele vers luidt: “En zeide: Is het dat gij met ernst naar de stem des HEEREN uws Gods horen zult, en doen wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden en houdt al Zijn inzettingen, zo zal Ik geen van de krankheden op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb; want Ik ben de HEERE, uw Heelmeester”. Deze tekst komt uit de Wet, en is dus in de eerste plaats gericht aan Israël. We zien hierin de zegen en de vloek die de Heere het volk voorhield als zij zich wel of niet aan de Wet zouden houden (zie bijv. Deut. 7 : 15; Deut. 28 : 60). Genezing was aan Israël als teken gegeven, op basis van werken, wanneer zij zich zouden houden aan de Wet. Als Gemeente van Jezus Christus kunnen we dit dus niet als belofte claimen, dat de Heere ons gezond zal maken.


Soms heeft de Heere een doel met ziekte

Wij kunnen en mogen dus nooit stellen dat als iemand ziek is, en na gebed ziek blijft, dat dat vanwege zonde zou zijn, of dat deze persoon geen geloof genoeg zou hebben. Ook in dit geval mogen wij andere mensen niet veroordelen. Het kan heel goed zijn dat de Heere God Zelf het lijden in het leven van die persoon toestaat om iets te bereiken: een toegewijd leven, of, zoals in het leven van Paulus, het voorkómen van hoogmoed, of zoals in Joh. 9, bij de blinde, tot een getuigenis.


Ziekte, een gevolg van de zondeval

We zagen al dat ziekte, óók bij leden van het lichaam van de Heere Jezus, gewoon kan voorkomen. En ja, het kan een test zijn; ja, het kan verleiding zijn, en het kan tuchtiging zijn. Maar ziekte is óóḱ, zonder dat het bijvoorbeeld direct door een specifieke zonde komt, een gevolg van de zondeval. Het gevolg van de zondeval lezen we in Gen. 3 : 17 – 19, daar staat geschreven: “En tot Adam zeide Hij: Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw en van dien boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten, zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt, en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens. Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen; en gij zult het kruid des velds eten. In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof en gij zult tot stof wederkeren”. Ons lichaam is aan afbraak onderhevig, en eens zal ons lichaam, als de Heere ons nog niet is komen halen, tot stof wederkeren. Dat is een Bijbels gegeven. En ziekte kan daar een onderdeel van zijn. Paulus maakt in de brieven duidelijk dat in ons lichaam de zonde woont. In Rom. 7 : 18 staat geschreven: “Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet” (zie ook Rom. 8 : 10). Dus onze ziel kan behouden zijn door de wedergeboorte, onze geest kan levend geworden zijn door de inwoning van Gods Geest door de wedergeboorte, maar indien wij nog niet overkleed zullen worden met ons opstandingslichaam, wat zal gebeuren bij de Opname van de Gemeente, dan zullen wij eens sterven, omdat “vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven kunnen” (1 Kor. 15 : 50). Dat is heel gewoon een Bijbels feit. En onze hoop ligt dus niet in dit aardse leven, maar onze hoop ligt in die eeuwige, heerlijke toekomst met de Heere. Dat is waar wij naar uit horen te zien.


“...door Wiens striemen gij genezen zijt”

Maar… de Heere heeft toch ook onze ziekten gedragen op het kruis van Golgotha? Nee! Aardse gezondheid ligt niet besloten in de verzoening met de Heere God. Vaak wordt hiervoor wel 1 Petr. 2 : 24 aangehaald. Daar staat geschreven: “Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout, opdat wij de zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt”. En wanneer dit vers dan aangehaald wordt, wordt de nadruk gelegd op “door Wiens striemen gij genezen zijt”. Petrus citeert Jesaja 53 : 5. Echter Jesaja 53 : 4 was al eerder in vervulling gegaan. Toen de Heere Jezus al die wonderen deed bij het volk Israël (de wonderen en tekenen zijn als teken gegeven aan het ongelovige Israël), daarvan staat geschreven in Matth. 8 : 17: “Opdat vervuld zou worden wat gesproken was door Jesaja, den profeet, zeggende: Hij heeft onze krankheden op Zich genomen en onze ziekten gedragen”. Zoals eerder gezegd: de Heere Jezus genas, opdat men kon weten dat Hij de beloofde Messias was. En nu zegt 1 Petr. 2 : 24 heel duidelijk: “Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft...”. Daarin ligt onze genezing van de zondige natuur, want door Zijn lijden en sterven en Zijn wegdragen van onze zonden, kunnen wij voor de gerechtigheid leven.


Uitzien naar de verlossing van uw lichaam

Lichamelijke gezondheid ligt niet besloten in de verzoening. Daarom zegt de Bijbel ook dat wij “zuchten in onszelven”, omdat wij uitzien naar de verlossing van ons lichaam. In Rom. 8 : 22 – 23 lezen we: “Want wij weten dat het ganse schepsel tezamen zucht en tezamen als in barensnood is tot nu toe. En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams”.

Wanneer u dit leest, leeft u nog niet van aangezicht tot aangezicht met de Heere. U leeft nog niet in aanschouwen, maar u leeft in geloof. Rom. 8 : 24 – 25 zeggen nog: “Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? Maar indien wij hopen hetgeen wij niet zien, zo verwachten wij het met lijdzaamheid”. U heeft een heerlijk vooruitzicht dat u eens een opstandingslichaam krijgt, dat geen pijn, geen lijden meer kent. Als slot van dit deel lezen we dan 2 Kor. 4 : 16 – 5 : 9:

“Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag. Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid; Dewijl wij niet aanmerken de dingen die men ziet, maar de dingen die men niet ziet; want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig. WANT wij weten dat, zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig, in de hemelen. Want ook in dezen zuchten wij, verlangende met onze woonstede die uit den hemel is, overkleed te worden; Zo wij ook bekleed en niet naakt zullen gevonden worden. Want ook wij, die in dezen tabernakel zijn, zuchten, bezwaard zijnde; nademaal wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde. Die ons nu tot ditzelve bereid heeft, is God, Die ons ook het onderpand des Geestes gegeven heeft. Wij hebben dan altijd goeden moed, en weten dat wij, inwonende in het lichaam, uitwonen van den Heere (Want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen); Maar wij hebben goeden moed, en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen en bij den Heere in te wonen. Daarom zijn wij ook zeer begerig, hetzij inwonende, hetzij uitwonende, om Hem welbehaaglijk te zijn”.



[1]  'The Ruckman Reference Bible', Dr. Peter S. Ruckman, BB Bookstore, Pensacola, FL, USA, 2009, blz. 1483, 1588.