Blue Flower

Moeilijke Bijbelboeken in de bedelingen 


 


Het boek Handelingen

 

Handelingen 2 is één van de meest misverstane hoofdstukken in de Bijbel. Niet minder dan vier on-Bijbelse geloofssystemen zijn op dit hoofdstuk ‘gegrond’. De aanhangers van het spreken in tongen, van wedergeboorte door waterdoop, van Calvinistische uitverkiezingsleer en van hyper-dispensationalisme gebruiken dit hoofdstuk om hun leer te ‘bewijzen’. Men hoort vele ‘fundamentalistische’ Evangelisten zeggen dat Petrus’ toespraak één van de grootste Evangelische Boodschappen in de geschiedenis is geweest. Goed, maar wat voor een Evangelie dan? Bestudeer Handelingen 2 eens nauwkeurig, en kijk eens of u in dat hoofdstuk het ‘Evangelie der genade Gods’, zoals het aan de apostel der heidenen – Paulus – geopenbaard is (1 Kor. 15 : 1 – 4), ergens kunt vinden. Inderdaad, de dood, begrafenis en opstanding van Jezus Christus worden genoemd, maar welke conclusies trekt Petrus uit deze waarheden?

  

Noemt Petrus het “Gij moet wederom geboren worden” (Joh. 3 : 7)? Noemt Petrus het feit dat Jezus voor iemands zonden gestorven is (Paulus zei, door de Heilige Geest geleid, dat Christus stierf voor onze zonden)? Haalt Petrus aan dat iemand persoonlijk Jezus Christus kan ontvangen tot zijn redding? Noemt Petrus überhaupt dat er andere mensen dan Joden alleen behouden kunnen worden? Komt het “Bekeert u, en een ieder van u worde gedoopt…” (Hand. 2 : 38) overeen met “Indien gij met uw mond zult belijden de Heere Jezus…” (Rom. 10 : 9 – 10)? Helemaal niet! Petrus vertelde de Joden, als een groep, wat zij moesten doen in het licht van het feit dat zij net hun Messias gekruisigd hadden; hij vertelde hen niet hoe zij wederom geboren moesten worden. Daar, in Handelingen 2, wist Petrus nog niet alles van de Nieuwtestamentische redding. Petrus’ boodschap was gericht aan zijn Joodse publiek, en die boodschap is bij lange na geen standaard boodschap voor de Gemeente van Jezus Christus vandaag de dag. Velen echter gebruiken dit wel als standaard voor de Gemeente… Het is zelfs zo dat Petrus deze boodschap (Hand. 2 : 38) nooit meer gepredikt heeft. Hij heeft het eens geprobeerd, alleen de Heilige Geest Zelf heeft hem die boodschap niet laten afmaken. Dat was in Handelingen 10, toen heidenen(!) tot geloof kwamen en gedoopt werden.

  

In Handelingen 2 probeerde Petrus eenvoudig de Joden te overtuigen, dat Degene, Die zij gekruisigd hadden, de door God gezonden Messias was. Petrus bracht deze boodschap, zodat de Joden hun zonden zouden kunnen belijden en hun Messias dan alsnog konden ontvangen. Hij begon met het citeren van de profeet Joël (Hand. 2 : 16). En wat Petrus aanhaalde heeft dan betrekking op de dag des Heeren en de komende Grote Verdrukking (vers 20). Vervolgens zei Petrus: “dat een ieder, die de Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.” Het komen van de Heilige Geest en de gebeurtenissen die net hiervoor hebben plaatsgevonden (Hand. 2 : 1 – 13) zijn echter niet de vervulling van de verzen 17 – 21. Deze laatste passage is een verwijzing naar de gebeurtenissen die onmiddellijk aan Christus wederkomst zullen voorafgaan.  Gedurende zijn toespraak sprak Petrus niet over persoonlijke redding, wedergeboorte, rechtvaardigmaking, heiligmaking, etc., omdat deze waarheden op dat moment nog steeds grotendeels onbekend waren. De redding van Hand. 2 : 21 in de context, is een redding van het Joodse volk van de negatieve effecten van de “dag des Heeren”.

  

Petrus ging (hoofdstuk 2) verder met het laten zien dat Jezus Christus door God bevestigd is, wat bewezen werd door de “krachten, en wonderen, en tekenen” die Hij deed (vers 22), en door op te staan uit de dood, nadat zij Hem gekruisigd hadden (vers 23 en 24). Vervolgens haalde Petrus David aan, als bewijs dat de Messias niet dood kon blijven, maar op moest staan om te kunnen heersen op Davids troon (vers 31 en 32). Petrus bekrachtigde zijn toespraak door aan te geven dat de Man, Die zij gekruisigd hadden, door God “tot Heere en Christus gemaakt” is (vers 36). Dit overtuigde de harten van meer dan 3000 van het “huis van Israël”, zodat zij vroegen: “Wat zullen wij doen, mannen broeders?” Let u erop hoe de hele passage onmiskenbaar Joods is. In dit hele gedeelte komt geen heiden of onbesnedene aan de orde. Petrus’ boodschap is door een Jood, aan Joden, over een verworpen Joodse Messias, Die kwam om een Joods Koninkrijk op te richten. Het is pas acht hoofdstukken later dat Petrus ervan overtuigd raakt, dat heidenen eveneens gered kunnen worden (Hand. 10).

  

Wat Petrus de Israëlieten vertelde te doen, nadat zij in hun hart geraakt waren door schuld, laat tevens zien dat Pinksteren een unieke situatie was. In tegenstelling tot wat de meesten vandaag de dag beweren, is Handelingen 2 : 38 in deze tijd niet het Evangelie, of de methode om tot behoud te komen. Handelingen 2 : 38 is eenvoudig wat Petrus Israëlieten vertelde om te doen, nadat zij zich realiseerden dat zij hun Messias gekruisigd hadden. Opnieuw, er wordt geen persoonlijke schuld genoemd, geen wedergeboorte, geen rechtvaardigmaking, geen heiliging of eeuwige verlossing. Er wordt geen melding gemaakt van een persoonlijk inwonende Zaligmaker. Petrus vertelde hen slechts: “Bekeert u, en een ieder van u worde gedoopt…” (omdat God hen alreeds vergeven had (Luk. 23 : 34)), zodat zij de Heilige Geest zouden kunnen ontvangen. Komt dit soms op gelijke wijze overeen met Johannes 1 : 12 – 13, 3 : 16, 5 : 24; Romeinen 4 : 5, 10 : 9 – 10; etc?

  

De Joden in Handelingen 2 moesten gedoopt worden, voordat zij volgens Petrus de Heilige Geest konden ontvangen. Moeten wij vandaag de dag in water gedoopt worden om Hem te ontvangen? Dat deze gebeurtenissen plaatsvinden in dezelfde bedeling waar wij in leven, verandert er niets aan. Petrus kon de mensen niet vertellen wat hij niet wist. God had Israël vergeven dat zij hun Messias gekruisigd hadden, en gaf het volk nog een kans om hun Messias aan te nemen. Zij die dat wilden, moesten gedoopt worden in de Naam van Jezus om hun bekering te laten zien. Als resultaat gaf de Heere God hen de beloofde Heilige Geest. 3000 accepteerden het aanbod, maar Israël als natie kwam niet tot inkeer.

  

U moet de verschillen maar eens bekijken tussen de redding zoals het in Handelingen 2 gevonden wordt, en zoals het beschreven wordt in Romeinen, Galaten, Éfeze, en zelfs in het latere deel van Handelingen. Handelingen 2 geeft details over een overgangsperiode van Wet naar Gemeente, en de verlossingsleer die daarin gevonden wordt (dat iemand bijvoorbeeld gedoopt moet worden om de Heilige Geest te ontvangen, vers 38) is op niemand vandaag de dag toepasbaar. Zij heeft zelfs op niemand na Pinksteren betrekking. Opnieuw, de verlossing, zoals die beschreven wordt in Romeinen, Galaten, Éfeze, etc., was in Handelingen 2 weldegelijk van kracht, alleen niemand buiten God wist ervan. Hij openbaarde het op Zijn tijd. De redding of verlossing, zoals we die nu kennen, werd niet eerder afgerond (compleet) dan Handelingen 15. Iemand die Handelingen 2 gebruikt als fundament voor zijn leer met betrekking tot de Gemeente, beroept zich op een overgangssituatie, die reeds lang voorbij gegaan is.

  

In Handelingen 3 : 12 – 26 predikte Petrus nog een boodschap aan Israël, die heel veel lijkt op zijn eerste toespraak. Opnieuw verklaarde hij hoe zij de ‘Vorst des levens’ (vers 15) kruisigden, en bewees hij dat Hij nu in leven is, door het genezen van de kreupele man (vers 16). Petrus verkondigde dat het volk Jezus Christus in onwetendheid gekruisigd had, maar bleef erop wijzen dat zij tot schuldbelijdenis moesten komen, om weer tot God bekeerd te worden. Indien zij zich als volk zouden bekeren, vertelde Petrus hen, zou God Jezus Christus zenden om hun Koning te zijn. Deze Koning zou dan het hun beloofde Koninkrijk met Zich meebrengen. Maar opnieuw weigerde Israël. Ziet u hoe de eerste hoofdstukken van Handelingen eigenlijk alleen maar ingaan op Joodse zaken, en niet op zaken die de Gemeente aangaan? De leer van de Gemeente wordt pas later geopenbaard. Het verschil zit hem dit keer niet in verschillende bedelingen, maar in hoe bedelingen waargenomen worden. Petrus gedroeg zich hier, en sprak hier, alsof hij nog steeds onder de Wet was. Een nieuwe bedeling was echter aangebroken, maar op het moment dat Petrus zijn toespraak hield, wist hij daar nog niet zoveel van. Op dezelfde wijze zijn degenen, die Petrus’ boodschap van Handelingen hoofdstuk 2 en 3 ontvingen en aannamen, wederom geboren geworden en daardoor gerechtvaardigd in Jezus Christus, net zoals de gelovigen vandaag de dag; zij wisten daar echter op dat moment nog niet alles vanaf. Hoe de Heere met de Gemeente handelt, moest op dat moment nog geopenbaard worden.

  

God gaf Israël en Jeruzalem nog één kans om tot inkeer te komen, en hun Messias aan te nemen, door de boodschap die Stéfanus in Handelingen 7 mocht doorgeven. Maar opnieuw weigerde het Joodse volk, en werd de boodschapper gedood. Na deze gewelddadige verwerping sloot God (voorlopig) Zijn exclusieve handelen met de Joden af, en begon de redding openlijk aan anderen aan te bieden. In Handelingen 8 komen we twee verschillende bekeringssituaties tegen. In het eerste deel van het hoofdstuk ging Filippus naar Samaría, en boodschapte Christus aan de Samaritanen. Als resultaat geloofden sommigen uit hen, en stemden er mee in om gedoopt te worden (Hand. 8 : 12). Waren deze mensen dan ook gered? Volgens vers 16 was de Heilige Geest nog op niemand uit hen gevallen. Kan iemand gered zijn, terwijl hij de Heilige Geest nog niet ontvangen heeft (Joh. 3 : 6)? In hoofdstuk 2 ontvingen de gelovige Joden de Heilige Geest toen zij gedoopt werden; deze Samaritanen echter niet.

  

Vanuit Nieuwtestamentisch gezichtspunt waren deze mensen niet gered, totdat zij de Heilige Geest ontvangen hadden (vers 17). Volgens Oudtestamentische principes konden zij echter reeds in vers 12 gered zijn. Ziet u de overgang? De Samaritanen die in vers 12 gedoopt werden, waren nog niet werkelijk gered, omdat zij in de bedeling van de Gemeente leefden, waar zij door de Heilige Geest wederom geboren moesten worden om het Koninkrijk van God in te kunnen gaan. God laat apostelen, discipelen, Samaritanen en ons vandaag Zijn verdere overgang naar de Gemeente-bedeling zien. Na Israëls uiteindelijke verwerping van Jezus Christus in hoofdstuk 7, begon God zijn dienaren zo te leiden dat zij de boodschap aan andere groepen begonnen te verkondigen, te beginnen met de Samaritanen (overeenkomstig Hand. 1 : 8).

  

Later in Handelingen 8 werd Filippus er door de Heere toe aangezet om naar het zuiden te gaan, waar hij de Ethiopische kamerling tegenkwam, die Jesaja 53 aan het lezen was. God had het hart van deze kamerling voorbereid, en toen Filippus bij hem kwam, was zijn hart rijp voor de oogst. Alles wat Filippus moest doen, was uitleggen dat de lijdende persoon in Jesaja 53 Jezus Christus was, Die leed als plaatsvervanging voor anderen. De kamerling ontving deze woorden met blijheid. Hier begint het Evangelie van de Genade Gods zijn huidige vorm aan te nemen. Dit is de eerste beschrijving in de Bijbel van iemand die persoonlijk de Heere Jezus ontvangt tot zijn redding, zonder dat daar allereerst werken of een doop voor nodig zijn. Vers 37 (wat niet gevonden wordt in de meeste vervalste nieuwe vertalingen, of daarin minstens tussen twijfelhaken is geplaatst) maakt duidelijk dat de redding van de kamerling gebaseerd is op zijn geloof in Jezus Christus. Filippus wilde zeker zijn van de oprechtheid van zijn belijdenis, alvorens hij hem doopte. Elk hoofdstuk dat we in Handelingen vorderen, gaat de redding van zondaren meer en meer lijken op de manier waarop het in Romeinen door de apostel Paulus – de “apostel der heidenen” – beschreven is. In Handelingen 9 vinden we dan de bekering van deze Paulus beschreven. In plaats dat het Christendom een Joodse sekte zou zijn, wordt het, hoe verder we in de tijd gaan, meer en meer ‘heidens’. In hoofdstuk 2 worden Joden gered, in hoofdstuk 8 zien we Samaritanen tot geloof komen en een heidense proseliet (iemand die tot het Jodendom bekeerd is). Vervolgens zien we dat in Handelingen 10 de heidenen tot geloof komen (geheel overeenkomstig Hand. 1 : 8).

  

Op het eerste gezicht zou men kunnen denken dat de heiden Cornelius een gered mens was. Hij was een toegewijd mens, vreesde God, zag naar de minder bedeelden om, en bad tot God (Hand. 10 : 1). Maar de Heilige Geest laat ons zien dat deze man, ondanks dat alles, verloren was (Hand. 11 : 14). God zegt zelfs dat zijn gebeden en aalmoezen tot God gekomen zijn tot een gedachtenis (God hoort dus ook de gebeden van de ongelovigen!), terwijl hij nog steeds dood was in zonde en schuld!  Cornelius is een perfect beeld van de mens, die beschreven wordt in Romeinen 2 : 6 – 16, die zijn eigen geweten volgt wanneer het gaat om God en Zijn waarheid. Cornelius wist dat er een God was, en dat hijzelf een zondaar was, en hij wist dat hij op de één of andere manier vrede met deze God moest maken, voordat hij door Hem geaccepteerd zou worden. Cornelius leefde oprecht, hij bad, gaf geld aan de armen en hij onderwees zijn huis hetzelfde te doen; dit is alles wat hij wist dat hij moest doen. God echter, gaat nu nieuwe waarheden aan hem (en Petrus) openbaren, die Cornelius en alle andere heidenen van hun zonden kan bevrijden.

  

De Heere vertelde Cornelius mannen naar Joppe te sturen, om een zeker man op te halen (Hand. 10 : 5). Deze man zou hem vertellen wat hij nog meer moest doen (vers 6). Alhoewel zij klaar waren voor het ontvangen en horen van de man, die namens God zou spreken, was Petrus nog helemaal niet klaar om met hen in contact te treden. Petrus dacht nog steeds dat heidenen onrein waren, en daardoor niet gered zouden kunnen worden. Dit is één van de sterkste bewijzen dat Handelingen een overgangsboek vormt, en dat de eerste hoofdstukken geen leerstellige waarheden bevatten die direct op de Gemeente-bedeling van toepassing zijn. Hoe men gedeelten als Matthéüs 28 : 19 – 20, Handelingen 1 : 8 en 2 : 39 ook wil ‘interpreteren’, Petrus en de andere apostelen dachten dat redding alleen beschikbaar was voor de Joden. De Heere laat Petrus, tot drie keer over, een visioen zien, om hem te overtuigen dat inderdaad ook de heidenen gereinigd zijn (Hand. 10 : 15), en dat de muur tussen hen en de redding neergehaald is. Heidenen konden vanaf nu gered worden, zonder eerst Joden te worden (proselieten). Op het tijdstip dat de mannen van Cornelius arriveerden, was Petrus hiervan volledig overtuigd, en ging met een schoon geweten met de mannen mee terug naar het huis van Cornelius.

  

Na het aanhoren wat God Cornelius vertelde te doen, begon Petrus zijn boodschap. Opnieuw zei Petrus dat “God geen aannemer des persoons is”, en dat alle mensen onder alle volken, die Hem vrezen, aangenaam zijn voor Hem (vers 35). “Aangenaam zijn”, wil nog niet zeggen dat dezen ook gered zijn. Iemand die aangenaam is voor de Heere, heeft van Hem de mogelijkheid gekregen om gered te worden. Petrus leerde die dag een grote les. Leerstellig gezien konden heidenen al gered worden vanaf de Pinksterdag, maar niemand wist dat, totdat God het openbaarde aan Petrus. Na dit uitgelegd te hebben, vervolgde Petrus zijn boodschap en begon Jezus te prediken. Evenals in Handelingen 2 vertelde Petrus hoe Jezus Christus door God met de Heilige Geest gezalfd was (vers 38), hoe Hij mensen genas, en hoe Hij gevangengenomen was en als een crimineel aan het kruishout gehangen was door Zijn eigen volk (vers 38). Vervolgens verkondigde Petrus hoe God Christus uit de doden deed opstaan, en Hem openlijk aan getuigen vertoonde, en hoe Hij door God voorbestemd is tot een Rechter over levenden en doden (vers 42). Petrus confronteerde de heidenen niet met het feit dat zij de Messias gekruisigd hadden, zoals hij dat bij de Joden wel deed. Hij vertelde ze eenvoudig dat Jezus Christus de Rechter van de mensheid is, en dat Hij alle mensen zal oordelen naar Zijn gerechtigheid. Na dit vertelde Petrus hen in vers 43 dat “een ieder, die in Hem gelooft, vergeving der zonden ontvangen zal door Zijn Naam”. Dit was hetgeen waar Cornelius en zijn huishouding op zaten te wachten, om dat te horen. Toen zij leerden dat redding in Jezus Christus was, geloofden zij onmiddellijk in Hem en werden gered (vers 44 – 45).

  

De snelle redding van de heidenen kwam als een verrassing voor Petrus, hij had zijn boodschap nog niet geëindigd of één of andere ‘uitnodiging’ uitgesproken. Hij wilde bijna zijn boodschap beëindigen zoals hij dat deed in Handelingen 2 met “Bekeert u, en een ieder van u worde gedoopt”, of iets van gelijke strekking. God echter voorkwam zijn plannen en redde de heidenen door hen de Heilige Geest te geven, door hun geloof alleen! Nadat Petrus gezien had, dat de Heilige Geest op hen gevallen was en hij hen hoorde spreken met andere tongen, zoals de Joodse apostelen met Pinksteren, zei hij dat zij gedoopt behoorden te worden met water. Dit is de doop van de gelovigen uit de heidenen: een doop nadat men gered is, nadat men tot geloof is gekomen, nadat men alreeds de Heilige Geest ontvangen heeft (Ef. 1 : 13). In Handelingen 2 moesten de Joden gedoopt worden om de Heilige Geest te ontvangen, maar dat is nu dus niet meer zo. De manier van redding is veranderd. God heeft nu geopenbaard dat Hij gelovigen zal redden door geloof, buiten ook maar enige vorm van werken om, buiten de doop om, terwijl hun redding net zo geldig is als dat van de Joden (vers 47). Redding is nu niet langer exclusief voor de Joden. De heidenen zijn nu aanvaard met betrekking tot redding, en zij zullen snel in aantal toenemen.

  

Alhoewel Petrus’ boodschap in Handelingen 10 gelijk was aan die in Handelingen 2, was het eveneens aangepast voor zijn heidense publiek. Naast het niet noemen van Jezus als hun Messias (Jezus is alleen de Messias voor Israël), vertelde hij hen dat zij moesten geloven in Jezus Christus om vergeving van zonden te ontvangen. Hij vertelde Israël dat zij zich moesten bekeren en laten dopen, om vergeving van zonden te ontvangen (Hand. 2). Tevens sprak Petrus in Handelingen 2 Israël als volk aan, terwijl hij in Handelingen 10 een individuele boodschap had, die ging over persoonlijk geloof. Omdat de Joden Christus keer op keer hebben verworpen, zien we dat God nu met de heidenen aan de slag gaat, en zij ontvangen Hem (we weten overigens dat God de Joden niet in de steek laat, en in met name de eindtijd verder gaat met hen). Omdat de redding nu grotendeels voor de heidenen is geworden, wordt de leer, over de redding voor mensen van vandaag, vanaf Handelingen 10 snel vastgesteld.

  

In Handelingen 13 predikt Paulus Petrus’ Evangelie-boodschap voor de heidenen aan enkele Joden (Paulus leerde dit Evangelie echter direct van God, niet door Petrus, Gal. 1 : 12) en eindigt met te zeggen: “En dat van alles, waarvan gij niet kondet gerechtvaardigd worden door de Wet van Mozes, door Deze een ieder, die gelooft, gerechtvaardigd wordt” (vers 39). Redding is nu duidelijk gebaseerd op het geloof in het volbrachte werk van Jezus Christus aan het kruis van Golgotha. “Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof.”

  

Uit voorgaande mag blijken dat Handelingen duidelijk een overgangsfase vormt van de Joden onder de Wet naar de Gemeente onder de Genade. Alhoewel de Gemeente, het Lichaam van Christus, in Handelingen 2 ontstaat, is die Gemeente in de eerste hoofdstukken van Handelingen Joods, en die Gemeente groeit toe naar een Gemeente die bestaat uit (Joden en) heidenen (Hand. 10). Hierin zien we heel duidelijk de overgangsfase (door deze Bijbelse gang van zaken aan te geven, worden wij echter geen hyper-dispensationalisten! Zie hoofdstuk 20). In vele kringen worden de eerste hoofdstukken echter letterlijk op de Gemeente toegepast, men komt dan ook onherroepelijk in de problemen. De Gemeente wordt bijvoorbeeld gereinigd door geloof, hebben we gezien, terwijl Petrus in Handelingen 2 beweert dat men door de doop gereinigd wordt. Deze Joodse doop van Handelingen 2 : 38 is dan ook niet op de Gemeente van toepassing! Deze doop had te maken met de specifieke situatie van dat moment en het Joodse publiek. Zo zijn er vele voorbeelden meer te geven. Bijvoorbeeld ook over het verschijnsel tongen. In het kader van deze pagina gaat het te ver om op dat onderwerp nu in te gaan[1].

 

   

Het boek Hebreeën

 

In met name de brieven van de apostel Paulus vinden we de boodschap van de Heere aan de Gemeente: het Evangelie der genade Gods. Met het boek Hebreeën komen we weer op Joods terrein! De titel van het boek is niet voor niets ‘Hebreeën’, dus waarom zou iemand denken dat het boek leerstellig van toepassing zou zijn op de gelovigen uit de heidenen? Natuurlijk staat er veel in het boek waar een Christen van kan leren, en profijt van kan hebben, maar indien hij probeert om het hele boek leerstellig op de Gemeente toe te passen, komt hij al snel in “tegenstrijdigheden” terecht.  De schrijver van de Hebreeën-brief probeert zowel gelovige als ongelovige Hebreeën te overtuigen, dat het Nieuwe Verbond, door Christus’ lijden en sterven gevestigd, veel beter is dan het Oude Verbond van de Wet. De verleiding van geredde Hebreeën om terug te vallen onder de bindingen van de Wet zijn heel groot, en Paulus wil de hoorders van deze boodschap bemoedigen met wat Christus voor hen gedaan heeft, door Zijn verlossing. De gedachte dat Hebreeën zowel aan gelovige als ongelovige mensen is geschreven, moet ons niet vreemd voor komen. Paulus adresseerde delen van andere brieven eveneens aan ongeredde mensen (zie bijvoorbeeld 1 Kor. 15 : 12). De nadruk van Hebreeën schijnt te liggen op de boodschap voor de Hebreeën in de Grote Verdrukking, wanneer Israël opnieuw in het centrum van Gods handelen staat. Vandaar dat ‘Christenen’, die denken dat gelovigen hun behoud kunnen verliezen, altijd naar de Hebreeën-brief gaan voor bewijsteksten. Er zijn namelijk passages in het boek, die er sterk op wijzen dat iemand zijn behoud kan verliezen. Wij zullen echter zien dat deze passages niet verwijzen naar wederom geboren Christenen.

  

Hebreeën 3 : 6 en 14 is de eerste belangrijke plaats waar men meestal stopt om te bewijzen dat mensen hun behoud kunnen verliezen. Laten wij eens naar de hele passage kijken. Vers 6 zegt: “Wiens huis wij zijn, indien wij maar de vrijmoedigheid en de roem der hoop tot het einde toe vasthouden.” Het ‘indien’ is het woordje waar men dan naar verwijst. “Wat, indien u niet vasthoudt tot het einde?” vraagt men zich dan af. In de eerste plaats het volgende: Vindt u in deze passage een verwijzing naar een door het bloed gewassen, wederom geboren en door de Heilige Geest verzegelde gelovige? En waar verwijst ‘het einde’ in beide verzen naar? Wat doet u nog denken, dat het hier zou gaan om het einde van iemands leven, wanneer u Matthéüs 24 : 13 – 14 heeft gelezen? ‘Het einde’ is het einde van een tijdsperiode, net zoals in Matthéüs 24 : 13 – 14: “Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. En dit Evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde komen.” De rest van Hebreeën 3 laat zien dat dit waar is. De verzen 7 – 19 illustreren hoe de Israëlieten in de woestijn tot het einde moesten volharden in hun geloof, alvorens zij in Gods “rust” konden ingaan – het land Kanaän. De “wij” in de passage, verwijst niet naar Christenen, maar naar Hebreeën: “…Wiens huis wij [Hebreeën] zijn, indien wij [Hebreeën]  maar de vrijmoedigheid en de roem der hoop tot het einde toe vasthouden” (vers 6); “Want wij [Hebreeën] zijn Christus deelachtig geworden, zo wij [Hebreeën] tenminste het beginsel van deze vaste grond tot het einde toe vasthouden” (vers 14). Ziet u hoe het verhelderend werkt, wanneer u in gedachten houdt aan wie een Bijbelboek geschreven is? Nergens in de passage is een verwijzing naar een wederom geboren Christen. De passage is leerstellig van toepassing op de Hebreeën in de Grote Verdrukking (een periode van zeven jaar), die tot het einde toe moeten volharden in het geloof, zodat zij het beloofde land (het Duizendjarig Vrederijk) zullen kunnen binnengaan, en deel zullen hebben aan Christus. Sta hen, die weigeren het Woord recht te verdelen, niet toe deze passage verkeerd toe te passen en u uit uw zekerheid in Christus te praten. Hebreeën handelt over de Hebreeën.

  

Een volgende omstreden passage vinden we in hoofdstuk 6. De passage “Want het is onmogelijk, degenen, die … en afvallig worden, die, zeg ik, weer te vernieuwen tot bekering” (vers 4 – 6). Dit gedeelte heeft het heel duidelijk over ‘het is onmogelijk’ dat zij, die afvallig worden, zich opnieuw bekeren. Toch zijn het ook de mensen, uit het kamp van hen die zeggen dat een Christen verloren kan gaan, die beweren dat iemand zich keer op keer opnieuw aan de Heere kan geven; met andere woorden: dat iemand zich keer op keer opnieuw kan bekeren. Dit gedeelte jaagt tevens menige Christen, die heel juist gelooft dat een Christen zijn behoud niet kan verliezen, de stuipen op het lijf. Zij kunnen de verzen niet verklaren zoals ze in de Bijbel staan. Zij komen dan met allerlei soorten van interpretaties om de verzen in hun leer in te passen. Sommige zeggen dat de passage denkbeeldig is, maar de tekst zelf geeft hier geen aanwijzingen voor. Anderen zeggen dat deze passage verwijst naar mensen als de verspieders bij Kades-Barnéa (Num. 13 – 14), die niet gered waren, en toch op de drempel stonden van hun behoud. Echter Handelingen 6 : 4 spreekt over hen die kunnen vallen, dat zij de ‘hemelse gave’ gesmaakt hebben en dat zij de Heilige Geest deelachtig zijn geweest. Wanneer je iets smaakt of proeft, dan heb je iets, dan heb je daar ook deel aan, net als Christus de dood gesmaakt heeft voor ieder mens (Hebr. 2 : 9). Met andere woorden: dit gedeelte kan niet slaan op Oudtestamentische heiligen.

  

Klaarblijkelijk is iemand in Hebreeën 6 : 1 – 4 in het gevaar van het verliezen van zijn behoud. Maar opnieuw is het ook hier geen wederom geboren Christen. Is het u opgevallen, dat in de verzen 1 en 2, waar gesproken wordt over het ‘beginsel van de leer van Christus’ (bekering, geloof, leer der dopen, opleggen der handen, opstanding der doden, en het eeuwig oordeel), dat er geen enkele leer genoemd wordt, die uniek is voor de Gemeente-bedeling? Wedergeboorte, de nieuwe natuur, het Lichaam van Christus, de verzegeling met de Heilige Geest, rechtvaardigmaking, toerekening, etc., worden niet genoemd. Hoe verklaart men dit? Eenvoudig, de Hebreeën-brief verwijst niet naar een wederom geboren Christen. Opnieuw verwijst de Hebreeën-brief naar de Hebreeën in een andere bedeling!

  

Het is heel aannemelijk dat de Hebreeën-brief (in ieder geval de eerste twaalf hoofdstukken) vroeg in de tijd van het boek Handelingen geschreven was (waarschijnlijk voor Hand. 12, in ieder geval voor Hand. 15). Op dat moment wist nog niemand iets over een nieuwe natuur, of over het feit dat een nieuwe, niet Joodse bedeling mogelijk was gemaakt aan het kruis. Dit verklaart veel. De Bijbelse leer met betrekking tot de Gemeente-bedeling wordt in Hebreeën niet genoemd, omdat er in die tijd nog niets over bekend was. Het kan heel goed zijn, dat in die tijd zelfs nog niet bekend was dat heidenen ook gered konden worden. Vandaar dat iemand die de Hebreeën-brief gebruikt om Bijbelse leer voor de Gemeente-bedeling te leren, volledig onbekend is met Gods handelen in bedelingen. Toen Hebreeën geschreven werd, was Hebreeën van toepassing op Joden die geloofden dat Jezus Christus de Messias was, voordat de leer van de Gemeente-bedeling volledig bekend werd in Handelingen 15. Nu echter, spreekt Hebreeën direct tot de Hebreeën (Joden) die zullen leven tijdens de Grote Verdrukking, nadat de Gemeente is opgenomen.

  

Indien er nog enige twijfel is dat Hebreeën leerstellig gezien voor de Hebreeën in de Grote Verdrukking is, moet u eens naar Hebreeën 6 : 11 kijken: “Maar wij begeren, dat een ieder van u dezelfde naarstigheid bewijze, tot de volle verzekerdheid der hoop, tot het einde toe.” Daar vinden we dat kenmerkende ‘het einde’ weer – het einde van de Grote Verdrukking. Wanneer men zich dit realiseert, dan valt het hele gedeelte eenvoudig op zijn plaats.  De “degenen” van vers 4 zijn geredde mensen in de context van de Grote Verdrukking, niet in de context van de Gemeente-bedeling. Indien iemand in de Grote Verdrukking afvallig wordt, bijvoorbeeld door het aannemen van het merkteken van het beest (Openb. 14 : 9 – 12), dan verliest hij zijn behoud en kan dat vervolgens niet meer terugkrijgen. Verder moeten we beseffen, dat wanneer de Gemeente door de Grote Verdrukking zou moeten gaan, zoals velen vandaag de dag beweren, dat dan een wederom geboren Christen op enige wijze instaat zou moeten zijn het behoud te verliezen, anders zou de Schrift Zichzelf tegenspreken. Dank aan God, dat de bruid van Christus, Zijn Gemeente, dit oordeel niet zal treffen (1 Thess. 1 : 10).

  

Dit gedeelte in Hebreeën komt perfect overeen met de andere passages in Gods Woord, die we hebben bekeken met betrekking tot de redding van mensen ná de Gemeente-bedeling, tijdens de Grote Verdrukking (Matth. 24 – 25; Openb. 11 en Hebr. 3). De Hebreeën die dan gered worden, zullen op dezelfde wijze als degenen in het Oude Testament gered verklaard worden. Elk individu is dan in het gevaar van het verliezen van zijn behoud, indien hij niet de juiste werken doet, of faalt te volharden tot het einde toe (Hebr. 6 : 11). Indien hij volhardt en het einde haalt, wordt hij deelachtig aan Christus (Hebr. 3 : 14). De “krachten der toekomende eeuw” (Hebr. 6 : 5, de King James zegt hier: ‘der toekomende wereld’ = het Duizendjarig Vrederijk) zullen de tekenen en de wonderen zijn, die door de twee getuigen van Openbaring 11 zullen worden uitgeoefend gedurende de Grote Verdrukking. Alles in de tekstgedeelten van Hebreeën valt samen. In Hebreeën 6 : 9 wordt gesproken over de verzekering van betere dingen van degene aan wie de brief in die tijd gericht was (ca. 35 – 40 na Chr.), maar de reden dat dit gezegd wordt, heeft te maken met de werken (vers 10 en 11).  Werken spelen een belangrijke rol in de Grote Verdrukking!

  

Zo zijn er nog meerdere passages waar heel duidelijk uit blijkt, dat Hebreeën gericht is aan de Hebreeën (Joden) in de Grote Verdrukking. Een voorbeeld is Hebreeën 10 : 26. Aan de ene kant wordt deze tekst gebruikt om twijfel en verwarring te zaaien, aan de andere kant probeert men door middel van het gebruik van de grondtaal de tekst passend te maken binnen de Gemeente-bedeling. Via het Grieks probeert men er dan meestal van te maken, dat het gaat om iemand die voortdurend voortgaat met het in zonde leven. En volgens de ‘Bijbelgeleerden’ zou een Christen dat niet kunnen. Dat is natuurlijk onzin, want de Christen heeft hier op aarde, tot aan zijn dood, nog steeds te maken met zijn oude natuur (Rom. 7 : 13 – 26)! Echter de tekst laat heel duidelijk zien dat het gaat om ‘willens zondigen’, en dat is echt iets anders dan ‘bewust doorgaan met zondigen’. Eén zonde kan volgens de Bijbeltekst dus genoeg zijn! Zo zien we dus dat men de Bijbeltekst verdraait (tot zijn eigen verderf, 2 Petr. 3 : 16), om tot een uitleg binnen de eigen leer te komen. MAAR DEZE TEKST GAAT NIET OVER WEDEROM GEBOREN GELOVIGEN! Op wie is deze tekst dan wel van toepassing? Ook deze passage is van toepassing op Joodse gelovigen in de Grote Verdrukking. Dit wordt heel duidelijk door de aanhalingen uit het Oude Testament in vers 30, verwijzend naar het lied van Mozes in Deuteronomium 32 : 30 – 36, dat na de Exodus gezongen werd, maar tevens in de Grote Verdrukking gezongen zal worden (Openb. 15 : 3). Heeft u deze tekstverwijzingen wel eens opgezocht? Nee? Dan moet u het nu eens doen! Mensen komen op privé-interpretaties (eigen uitleggingen! Zie 2 Petr. 1 : 20) uit, wanneer zij de uitleg van hun favoriete Bijbelleraar blindelings volgen, zonder zelf persoonlijk de Bijbel te pakken en Schrift met Schrift te gaan vergelijken. Eveneens, zou het noemen van ‘Zijn volk’ (Hebr. 10 : 30), in een Bijbelboek dat Hebreeën heet, toch een duidelijke aanwijzing moeten zijn dat het gedeelte gericht is aan Hebreeën, Joden. Het gedeelte is duidelijk Joods, en kan slechts van toepassing zijn op Joden in de Grote Verdrukking. Omdat er in de Grote Verdrukking geen wedergeboorte en dus tevens geen verzegeling van gelovigen is, kan een persoon dus op het rechte pad zijn, de hemelse gave smaken, in Christus geloven, door Christus’ bloed geheiligd zijn, goede werken hebben, in essentie dus gered zijn net zoals anderen in die bedeling, en vervolgens “willens zondigen” en alles wat hij heeft verliezen. Of hij nu Christus en Zijn verzoening door het bloed verloochent, het merkteken van het beest aanneemt, of faalt in het volharden in het doen van de vereiste werken (Matth. 25), hij is dan uit zijn geredde positie gevallen. Vers 31 zegt: “Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God”, en dat zal het zijn voor de Joden in de Grote Verdrukking die afvallen van het geloof. Voor de Christen is er in die zin géén vrees! Elke wederom geboren Christen is permanent in Gods hand, en niemand kan hem daaruit halen (Joh. 10 : 28). En verder: elke wederom geboren gelovige is een deel van Christus’ lichaam. Het lichaam van Christus kan niet verloren gaan! U ziet het, om de Bijbel werkelijk te kunnen begrijpen, zonder het aan te gaan passen aan onze leer (met behulp van de zogenaamde ‘Christelijke’ wetenschap van Alexandrië, het Grieks en Hebreeuws), zullen we het Woord van God recht moeten snijden of verdelen (2 Tim. 2 : 15).

 

   

Het boek Jakobus

 

Net als Hebreeën, is ook het boek Jakobus NIET geadresseerd aan gelovigen uit de heidenen in de Gemeente-bedeling! Jakobus 1 : 1 zegt: “aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn”. Hier geeft de Heere heel duidelijk aan dat ook dit boek aan de Hebreeën gericht is. Ook hier geldt, zoals bij de andere Joodse passages, dat we als Christenen best veel kunnen leren uit Jakobus; maar we moeten ons bewust zijn dat het boek, leerstellig gezien, gericht is aan de Joden. Dit verklaart waarom in hoofdstuk 2 werken verbonden worden met het reddende geloof (zie ook de paragraaf ‘Abraham’ in hoofdstuk 15 van dit boekwerk). De laatste 13 verzen van Jakobus 2 zijn door de eeuwen heen gebruikt om te bewijzen dat werken vereist zijn, alvorens men een waar Christen kan worden; en vele oprechte Christenen gebruiken deze passage om te bewijzen dat zij moeten werken om een Christen te blijven. Helaas houdt men dan ook hier weer geen rekening met de bedelingen! Men betrekt dan op de Gemeente wat voor Israël is.

  

Nog een voorbeeld uit Jakobus. Dit voorbeeld komt uit onze bundel over “Tongentaal in deze tijd, een Bijbelse gave of toch niet?” en gaat over zalving en gebed:

  

“Is iemand krank onder u? Dat hij tot zich roepe de ouderlingen der gemeente, en dat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in de Naam des Heeren. En het gebed des geloofs zal de zieke behouden, en de Heere zal hem oprichten, en zo hij zonden gedaan zal hebben, het zal hem vergeven worden” (Jak. 5 : 14 – 15). Ten eerste merken we hier op dat er géén sprake is van handoplegging! In vele Charismatische/Pinkster/Evangelische kringen, wil men bij ziekten genezen door gebed met handoplegging. Hier staat heel duidelijk dat men de oudsten moet roepen, en dat die bidden! Géén handoplegging dus! Denk hierbij ook aan de waarschuwing: “Leg niemand haastig de handen op” (1 Tim. 5 : 22a). Tevens lezen we ook niet dat iemand, die niet geneest, geen geloof genoeg zou hebben. Het ‘gebed des geloofs’ is het gebed dat de ouderlingen óver de zieke uitspreken, en niet mét de zieke. Maar dan komen we meteen tot de kern van de zaak: hier blijkt dat genezing afhangt van het gebed van de ‘genezer’! We hebben hier te maken met de apostolische gave van genezing! De gave die de apostelen hadden gedurende de tijd van het boek Handelingen, en die aan het eind daarvan ophield te bestaan (2 Kor. 12 : 12, zie de Bijbelstudie in de genoemde bundel over tongen)! Dat brengt ons bij de aanhef van de brief van Jakobus, waarin staat: “aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn” (Jak. 1 : 1). Ziet u dat? Deze brief is aan Israël gericht! Aan het volk van God, de Joden. Weet u het nog? “De Joden begeren een teken” (1 Kor. 1 : 22). Het is dan ook leuk om te zien dat de brief van Jakobus, net als de eerste brief aan Korinthe, één van de vroegste brieven in het Nieuwe Testament is (tussen 40 en 60 n. Chr.). De latere brieven behandelen deze ‘merktekenen van een apostel’ niet meer, omdat deze tekenen opgehouden zijn te bestaan. Gebed dat samen moet gaan met zalving is dus niet van toepassing op de Gemeente van de Heere Jezus Christus in deze tijd.

  
Er is geen verschil in ‘Bijbeluitleg’ tussen Paulus en Jakobus, ook al mag dat voor sommigen, die weigeren de Bijbel te bestuderen, zo lijken. Paulus zegt dat er geen werken betrokken zijn bij het ontvangen van behoud (Rom. 3 : 20, 4 : 5; Gal. 2 : 16; Ef. 2 : 8 – 9; Tit. 3 : 5, etc.), en Jakobus zegt dus van wel: het verschil komt door de bedelingen! Paulus spreekt over een andere bedeling (Gemeente-bedeling) dan Jakobus (Joden in de Grote Verdrukking). Ziet u hoe belangrijk het is om op de bedelingen te letten bij uw Bijbelstudie, om erop te letten WIE een Bijbelboek geschreven heeft, AAN WIE een Bijbelboek geschreven is, en OP WIE het Bijbelboek van toepassing is? Wanneer u hier niet op let, dan gaat de gezonde Bijbelse leer, waar Paulus aan Timótheüs steeds weer over schrijft (1 Tim. 1 : 10, 6 : 3; 2 Tim. 1 : 13, 4 : 3), aan u voorbij! Indien Hebreeën en Jakobus volledig op de Gemeente-bedeling van toepassing zouden zijn, dan zou de Bijbel zichzelf inderdaad tegenspreken! Maar de Heilige Geest laat niet voor niets zien dat deze boeken op de Joden van toepassing zijn, en dan nog wel voor het grootste gedeelte in een andere bedeling – de Grote Verdrukking. Zo zien we dus, dat daar waar mensen vaak denken dat de Bijbel Zichzelf tegenspreekt, dat de Bijbel Zichzelf NOOIT tegenspreekt! Immers “God is geen man, dat Hij liegen zou” (Num. 23 : 19, zie ook Tit. 1 : 2).

 

 

[1]Tongentaal in deze tijd, een Bijbelse gave of toch niet?” A. Huurnink, Evangelische Gemeente Apeldoorn, maart 2000.