Blue Flower

De Hebreeën

in de Grote Verdrukking

een studie naar aanleiding van Hebreeën 6 : 1 - 8




Voor de Gemeente van Jezus Christus: Een boodschap van zekerheid!

 

Op de pagina ‘Wat zegt de Bijbel over ons behoud?’ wordt heel duidelijk het Evangelie der Genade Gods aan de mensen van deze tijd, van de Gemeente-bedeling, uiteengezet. Het blijkt dat Gods boodschap aan de Gemeente een boodschap van zekerheid is. Wanneer een mens vertrouwt op het volbrachte werk van Jezus Christus, dan is die mens behouden. Niet uit eigen werken, maar door genade van God! Al verprutsen wij het vervolgens in ons leven, en maken we er een puinhoop van ten opzichte van de Heere, dan zullen we wel schade lijden in de eeuwigheid, maar zelf zijn we behouden. Dat is wat Gods Woord leert aan de Gemeente van Jezus Christus (1 Kor. 3 : 15). De Heere is aan het kruis voor ons gestorven, en wanneer wij dat volbrachte werk hebben aangenomen, zijn wij wederom geboren geworden. Wij hebben dan een levende Geest gekregen, en wij zijn dan ‘geestelijk besneden’. Kol. 2 : 11 laat dan ook zo mooi zien hoe wij geestelijk het “lichaam der zonden des vleses” hebben uitgetrokken. De Heere ziet ons in Jezus Christus gerechtvaardigd aan, Hij ziet ons lichaam als dood, “dood om de zonden” (Rom. 8 : 10).

  

We hebben in die bundel tevens gezien dat de Heere van ons vraagt om dat, in Zijn ogen, dode lichaam te “stellen tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande”, wat de strijd in ons leven oplevert. Wij weten wat de Heere van ons vraagt, en toch zondigen we elke keer weer. Waarom? Omdat de “wet der zonden” nog steeds in onze leden van ons lichaam is (Rom. 7 : 23). En die strijd doet nota bene de apostel der heidenen – Paulus – in Rom. 7 : 24 uitroepen: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?” Hij, die wederom geboren was, roept: “Ik ellendig mens.” Paulus deed het IEDERE KEER WEER FOUT! Maar de Heere Jezus heeft voor ons Zijn bloed vergoten. Bij Hem is vergeving! En eenmaal zullen wij door de hemelse tabernakel (door de hemelen) een reis aanvaarden, en zullen wij verenigd worden met onze Heere. Dan zullen wij altijd met de Heere Jezus zijn. Dan hebben wij ons opstandingslichaam gekregen (1 Kor. 15), en zijn wij verlost uit dit aardse “lichaam der zonden des vleses” (Rom. 7 : 24, 25; Rom. 8 : 23, 29)!

  

Wanneer we dan beseffen dat we door ons lichaam iedere keer weer aangezet worden tot zondigen, maar dat we op grond van het vergoten bloed mogen pleiten, dan mogen we weten dat de Heere onze zonden weg heeft gedaan, en nog steeds weg doet! De Bijbelse boodschap aan de Gemeente van Jezus Christus, is een boodschap van ZEKERHEID. En zoals Gods Woord laat zien, IS een wederom geboren kind van God zeker van zijn behoud! Zoals onder andere mag blijken uit het gedeelte over de Rechterstoel van Christus, waar staat: “Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur” (1 Kor. 3 : 15).

 

   

Het zaaien van twijfel en verwarring

 

Op het gebied van Bijbeluitleg gebeuren er echter dingen die niet te volgen zijn. Mensen die in de put zitten worden met de Bijbel om de oren geslagen, en dan wel: OP EEN ONJUISTE MANIER. De boodschap aan de Gemeente is een boodschap van zekerheid! Iemand die de Heere Jezus heeft aangenomen HEEFT HET EEUWIGE LEVEN! Maar dan zijn er toch mensen die zeggen: ‘Ja, maar… Je kunt niet iedere keer weer vergeving vragen hoor… Want dan kruisig je de Heere Jezus opnieuw. En als je bewust zondigt dan wordt je blootgesteld aan het oordeel en de hitte van het vuur’.

  

En weet u, dan hebben ze er nog Bijbelteksten voor ook! In Hebreeën 6 : 4 – 6 staat het volgende: “Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en de Heilige Geest deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebben het goede woord Gods, en de krachten der toekomende eeuw, en afvallig worden, die, zeg ik, weer te vernieuwen tot bekering, daar zij voor zichzelf de Zoon van God weer kruisigen en openlijk te schande maken”.

  

Dus, wanneer iemand afvallig is geworden, kan hij zich niet opnieuw bekeren omdat hij “de Zoon van God opnieuw kruisigt en openlijk te schande maakt” (Hebr. 6 : 6)! Maar weet u dat juist deze tekst, en meerdere teksten uit Hebreeën, UIT DE CONTEXT GERUKT worden, om mensen de schrik aan te jagen? Laten we dit gedeelte eens onder de loep nemen. Daarbij zullen we ook kort herhalen wat we al eens eerder gezien hebben over bedelingen. En dan gaan we ook zien dat het niet alleen van belang is dat we op de hoogte zijn van de bedelingen, in de zin van het weten van de loop van de geschiedenis, maar dat het óók van belang is, dat we de bedelingen gaan TOEPASSEN wanneer we de Bijbel lezen!

 

   

De Bijbel LETTERLIJK lezen

 

Er zijn mensen die zeggen: ‘INDIEN iemand af zou kunnen vallen, dan zou hij zich niet opnieuw kunnen bekeren’. Men gaat dan uit van een INDIEN, omdat men ervan overtuigd is dat een gelovige voor eeuwig behouden is. Maar dan voegt men wel iets toe aan de Bijbeltekst, namelijk: INDIEN! Laten wij ons houden aan de Bijbeltekst, dat zegt: “Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn (…) en afvallig worden, die, zeg ik, weer te vernieuwen tot bekering, daar zij voor zichzelf de Zoon van God weer kruisigen en openlijk te schande maken”. DAAR IS GEEN SPRAKE VAN EEN ‘INDIEN’.

 

   

Ken de Bijbel!

 

Maar dan een voorbeeld van iemand die de tekst in Hebreeën wel letterlijk neemt, maar daardoor juist angst en verwarring zaait. Misschien kent u het boek ‘Het Allerheiligste of Ziende op Jezus’ van Andrew Murray wel (Uitgeverij Gazon, Den Haag). Laten we eens kijken wat hij naar aanleiding van Hebr. 6 : 4 – 6 zegt op blz. 254 en 255:

  

‘De schrijver heeft gewaarschuwd tegen traagheid en stilstand. Zijn waarschuwing hier gaat verder en wordt ernstiger. Terecht wordt er dikwijls gezegd: in het geestelijke leven kan er niet lang een stilstand zijn. Stilstand leidt tot achteruitgang, dit weer tot algehele afval, waaruit geen herstel meer mogelijk is. (…) Zij zijn eens verlicht geweest; zij hebben de hemelse gave gesmaakt; zij hebben deel gekregen aan de Heilige Geest; zij hebben gesmaakt, de kracht geproefd, van het goede Woord Gods; en ook de krachten der toekomende eeuw. Let dan op wat er over hen gezegd wordt indien zij afvallig worden: Het is onmogelijk om ze weer te vernieuwen tot bekering. En wel om deze reden: zij hebben wat hen betreft de Zoon van God wederom gekruisigd; zij hebben Hem voor de wereld openlijk te schande gemaakt. (…) wij kunnen zien hoe ver een mens kan gaan in het ontvangen van het beginsel van geloof en Geest, zonder dat hij de ware wedergeboorte deelachtig wordt, het zaad Gods dat bij hem blijft tot in eeuwigheid. (…) zij hadden deel gekregen aan de eerste werking van de Geest, maar niet aan de ware wedergeboorte ten eeuwigen leven. (…) En wat is het teken waaraan wij hen die waarachtig wederom geboren zijn, kunnen onderscheiden van hen bij wie er maar een tijdelijke werking is? Er is geen teken waaraan de mens dit altijd kan zien of merken. Het enig zekere teken van de volharding der heiligen is – de volharding in de heiligheid, het najagen van de volmaaktheid. (…) In het verkeer met Hem, in de gehoorzaamheid en navolging van Hem, is mijn enige vastheid.’

  

Weet u dat uit deze citaten blijkt dat de auteur Gods Woord niet kent? Ten eerste kent de Bijbel geen onderscheid tussen wedergeboren en werkelijk wedergeboren. Iemand die ‘niet werkelijk’ wedergeboren is, is nooit ingevoegd in het lichaam van Christus (1 Kor. 12 : 13) en heeft nooit de Heilige Geest ontvangen (Ef. 1 : 13, 14), en is dus ook niet wedergeboren. De Bijbel kent geen ‘naam-wedergeboorte’ of iets dergelijks. Degenen, die nog wel eens naam-Christenen genoemd worden, zijn mensen die zeggen Christen te zijn, maar nooit wederom geboren zijn geworden. Zij zijn wel religieus, maar in Gods ogen zijn zij ongelovig. Zij vertrouwen niet op het volbrachte werk van Jezus Christus. De tekst, Hebreeën 6 : 4, laat zien dat de mensen waar het om gaat, weldegelijk deel hebben gehad aan de Heilige Geest. Het kunnen dus geen naam-Christenen zijn. Dus op deze naam-Christenen kan de tekst in Hebreeën nooit betrekking hebben! Ten tweede: uit deze citaten blijkt dat de schrijver toch weer WERKEN CENTRAAL stelt! Uit mijn wandel blijkt volgens hem dan of ik de Heere werkelijk liefheb. ‘In het verkeer met Hem, in de gehoorzaamheid en navolging van Hem, is mijn enige vastheid’, zegt Andrew Murray in het hierboven staande citaat uit zijn boek. Terwijl Éfeze 2 : 8 en 9 zeggen: “Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme.” Een ander citaat uit het boek van Murray op blz. 447 – 448, naar aanleiding van Hebr. 10 : 26 en 27, luidt:

  

‘Hier wordt ons geleerd, dat het mogelijk is voor iemand om de kennis der waarheid te ontvangen, evenals er in hoofdstuk 6 : 4 gesproken werd van ‘hen die eens verlicht zijn geweest’ en toch weer moedwillig te zondigen, en te vervallen tot een toestand waarin geen vergeving meer is, omdat hij het enige offer voor de zonde heeft versmaad. (…) Ik heb een man gekend die, nadat hij jarenlang een christen was, een dronkaard werd en toch volhield dat hij niet verloren kon gaan. Ik vrees dat er meer van zulke mensen zijn, die vreselijk bedrogen zullen uitkomen. Niemand op aarde kan de lijn trekken tussen wat wel, en wat niet opzettelijk zondigen is. Alleen de alwetende Kenner van harten kan dat doen; Hij die alleen waard is om op de rechterstoel te zitten’.

  

Sorry, maar óók uit dit citaat blijkt dat de schrijver Gods Woord niet kent! Want hij heeft het over ‘verloren gaan’ en ‘de rechterstoel’. De wederom geboren gelovige uit deze bedeling zal echter nooit voor de Grote Witte Troon van het laatste oordeel komen, alwaar mensen op grond van hun werken beoordeeld zullen worden om vervolgens in de poel des vuurs te verdwijnen (Openb. 20 : 11 - 15). De Gemeente wordt voor de Grote Verdrukking opgenomen (1 Thess. 1 : 10; 4 : 16 – 18 en 5 : 9) en verschijnt dan voor de RECHTERSTOEL VAN CHRISTUS (2 Kor. 5 : 10). Daar gaan niet de mensen zelf, maar hun werken door het vuur (1 Kor. 3 : 11 – 15)! En al naar gelang hun werken blijvend zijn, zullen zij nog beloond worden ook (1 Kor. 3 : 14)! Maar al verbranden al hun werken, zelf zijn deze gelovigen in ieder geval behouden. Nogmaals, 1 Kor. 3 : 15 zegt: “Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur”. NIKS VERLOREN GAAN DUS. Wel schade lijden, als de werken niet blijvend zijn, maar de wederom geboren gelovige zelf IS behouden!

 

   

Maar Hebreeën dan? Is Gods Woord in tegenspraak?

 

Maar hoe zit dat dan met Hebreeën? Kan iemand, die in deze tijd tijdelijk afvallig is geworden, zich dan niet opnieuw bekeren? JAWEL! Laten we eens naar de bredere Bijbelse context kijken.

  

In 2 Tim. 2 : 15 staat de opdracht van de Heere om Zijn Woord recht te snijden (of te verdelen, King James 1611): “Benaarstig u, om uzelf Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt”. We hebben gezien dat ‘het recht snijden’ te maken heeft met het feit dat we iedereen laten toekomen uit Gods Woord wat hem toekomt. De Bijbel is globaal gesproken gericht aan drie groepen mensen: Joden, heidenen en de Gemeente van Jezus Christus (die bestaat uit wederom geboren Jood en wederom geboren heiden in deze tijd). In 1 Kor. 10 : 32 vinden we die drie groepen ook in één tekst genoemd: “Weest zonder aanstoot te geven, en voor de Joden, en voor de Grieken, en voor de gemeente Gods”. Nu is het bijvoorbeeld niet de bedoeling dat wij beloften aan Israël gedaan, klakkeloos op de Gemeente gaan toepassen. Of andersom. Voorbeeld: De Heere zegt dat de Sabbat een teken is tussen Hem en Zijn volk Israël. De opdracht, om de Sabbat te houden, vinden we dan ook in het Oude Testament voor het volk Israël onder de Wet (Ex. 31 : 16, 17; Neh. 9 : 13 – 14). De Gemeente van Jezus Christus komt, zoals de eerste discipelen dat deden, samen op de eerste dag van de week! En dus niet op de Sabbat. Ondanks dat het gebod ‘Gij zult de Sabbat houden’ in de Bijbel staat, weten de meeste Christenen dat dat gebod voor de Joden geldt, en niet voor de Gemeente van Jezus Christus. Hier blijkt uit dat de Heere God in verschillende tijden op verschillende wijzen met de mens handelt, al naar gelang Hij aan de mens geopenbaard heeft. Nu wordt dat verschil, een verschil in bedelingen genoemd. Een bedeling is een bepaalde handelswijze van God met de mens. Vaak gaat dat samen met een bepaalde tijdsperiode in de geschiedenis. De Wet is met Mozes op de Sinaï gekomen en heeft geduurd tot aan de kruisiging van de Heere Jezus. Daarna ontstond de Gemeente-bedeling, die zal duren tot aan de Opname van de Gemeente. Een ander verschil, wat we door de tijd heen zien, heeft bijvoorbeeld te maken met de Heilige Geest. Kent u het Opwekkingslied ‘Create in me a clean heart, o God’ (= Schep mij een rein hart, o God! Opwekking 389)? In dat lied staat de volgende zin: ‘and take not thy Holy Spirit from me’ (= en neem Uw Heilige Geest niet van mij). Nu is dit een Bijbeltekst! In Psalm 51 : 13 vindt u het. Het staat in de Bijbel, dus het is waar. David was bang dat de Heere Zijn Heilige Geest van hem af zou nemen. Bij koning Saul is het ook echt gebeurd (1 Sam. 15 : 23; 16 : 14). Simson was een persoon die veel fysieke kracht kreeg van de Heere. Simson werd geleid door de Heilige Geest (Richt. 13 : 25). Maar toen Simson aan Delila zijn geheim verteld had, en zij zijn haar afgeschoren had, zo week de Heere van Simson (Richt. 16 : 20). Maar toen Simson in een afgodstempel te kijk werd gezet, bad hij de Heere of hij nog eenmaal de kracht kon terugkrijgen. En de Heere gaf het hem, en hij stierf met de Filistijnse afgodendienaars (Richt. 16 : 28 – 30). Maar weet u, wanneer we dit Opwekkingslied als Gemeente zingen, dat we dan een lied zingen VOL ONGELOOF?! Weet u waarom? In het Oude Testament lezen we dat de Heilige Geest komt en gaat. Maar weet u, wanneer u Jezus Christus hebt aangenomen, dan BENT U VERZEGELD met de Heilige Geest (Joh. 14 : 16; Ef. 1 : 13, 14). Leest u Ef. 4 : 30 eens: “En bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door Welke gij verzegeld zijt tot de dag der verlossing”. Als Gemeentelid kunnen we de Heilige bedroeven en uitblussen, maar Hij zal niet wijken! Als kind van God zijn wij verzegeld met Zijn Geest tot de dag der verlossing, de dag dat wij ons opstandingslichaam zullen krijgen. Dat is een verschil tussen de bedeling van de Wet in het grootste deel van het Oude Testament en de bedeling van de Gemeente waar wij nu in leven! Ziet u hoe belangrijk het is dat wij dat verschil in bedelingen kennen, maar ook toepassen? Dat gebed in Psalm 51 was een Oudtestamentisch gebed van David. Wij mogen de Heere danken voor Zijn Geest, en vragen of Hij ons steeds meer vervuld. We hoeven niet bang te zijn dat Hij weggaat!

  

Nu lezen we dus in Hebreeën 6 over iemand die afvalt en die deel heeft gehad aan de Heilige Geest (vers 4). Dan is òf Gods Woord in Hebreeën in tegenspraak met Gods Woord in de brieven van de apostel der heidenen aan de Gemeente; òf dit gedeelte heeft géén betrekking op de Gemeente van Jezus Christus in de Gemeente-bedeling. Numeri 23 : 19 zegt: “God is geen man, dat Hij liegen zou, noch een mensenkind, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken?” De Heere liegt niet. De Heere spreekt Zichzelf niet tegen. Hieruit mag blijken dat Hebreeën niet gericht is aan de Gemeente van Jezus Christus!

 

   

Hebreeën, een brief aan de… jawel: Hebreeën

 

Hebreeën is gericht aan de Hebreeën. En de Hebreeën zijn de Joden. Dan zegt u misschien: ‘De Romeinen zijn de Romeinen, de Galaten zijn de Galaten en de Kolossensen, de Kolossensen’. Maar er is één verschil: de Romeinen-, Galaten- en Kolossensenbrief (maar ook Thessalonicensen, Korinthe etc.) zijn gericht aan de Gemeente van Jezus Christus te… Deze brieven zijn dus gericht aan één van de drie groepen: Jood, heiden of Gemeente. In dit geval: de Gemeente. En de Hebreeën vormen ook één van die aparte hoofdgroepen tot wie Gods Woord zich richt: de Joden. Dan zegt u misschien: ‘Maar de Hebreeën is gericht aan gelovige Joden. Zij geloven in de Messias, Jezus Christus, dat is toch heel duidelijk in Hebreeën te lezen! En in het lichaam van Jezus Christus bevinden zich wederom geboren Jood en wederom geboren heiden’ (Gal. 3 : 28). Dat is waar! Maar zijn er buiten het Lichaam van de Heere Jezus, buiten de Gemeente om, ook nog gelovige Joden te vinden, die in Jezus Christus geloven? JA! Denk alleen al aan de 144.000 getuigen uit het Joodse volk die in de Grote Verdrukking zullen getuigen van Jezus Christus (Openb. 7 en 14). In de Grote Verdrukking zal namelijk nog een grote schare tot geloof komen, terwijl de Gemeente dan allang bij de Heere Jezus is en dan met Hem zal trouwen, voordat de Heere Jezus in Openbaring 19 terugkomt naar de aarde. Met andere woorden: de Hebreeën-brief, wil het de brieven aan de Gemeente van Jezus Christus niet tegenspreken, zou wel eens gericht kunnen zijn AAN DE JODEN IN DE GROTE VERDRUKKING!

 

   

Volharden tot het einde


Laten we eens kijken naar Hebreeën 3 : 6. Daar staat: “Maar Christus, als de Zoon over Zijn eigen huis; wiens huis wij (= de Hebreeën) zijn, indien wij (= de Hebreeën) maar de vrijmoedigheid en de roem der hoop TOT HET EINDE TOE vasthouden.” Dit is ook zo’n bekende ‘twijfeltekst’, omdat hier een zekerheid gegeven wordt met een INDIEN: ‘indien wij maar… tot het einde toe vasthouden.’ En zo niet… Zijn wij dan opeens niet meer Zijn huis? Nogmaals, voor de Gemeente kan dat niet gelden; wanneer al onze werken zouden verbranden, dan zouden wij namelijk zelf behouden zijn (1 Kor. 3 : 15). Dat ‘wij’, dat zijn hier opnieuw: de Hebreeën; het is niet voor niets de Hebreeën-brief. Maar weet u dat het ‘VASTHOUDEN TOT HET EINDE TOE’ nog ergens anders in de Bijbel voorkomt? In Matth. 24 : 13 vinden we: “Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden”. De context van dit gedeelte laat heel duidelijk zien dat ‘tot het einde’ niet slaat op iemands levensloop of iemands wandel met de Heere, maar op het einde van een tijdsperiode. Leest u vers 14 maar: “En dit Evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde komen”. ‘Het einde’ is het einde van de Grote Verdrukking, zoals de periode in Matth. 24 : 21 genoemd wordt. En dan ziet u dat in deze context niet de Gemeente centraal staat, maar dat het Joodse volk weer centraal staat. In Matth. 24 : 15 en 16 staat geschreven: “Wanneer gij dan zult zien de gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, de profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!) dat alsdan, DIE IN JUDEA ZIJN, vluchten op de bergen.” In de Grote Verdrukking is de Gemeente weg, en staat Israël weer centraal in Gods handelen. In Openb. 4 – 18, waar de Grote Verdrukking beschreven wordt, vindt u ook nooit dat er gesproken wordt over de Gemeente, maar wel over Israël! Maar dan zegt u: ‘In Matth. 24 : 30 en 31 wordt toch over de Opname gesproken?’ Jawel, maar dat is de Opname van de gelovigen van de Grote Verdrukking. Ook zij hebben deel aan de EERSTE OPSTANDING en zullen met Christus heersen als koningen in het Duizendjarig Vrederijk (Openb. 20 : 4 – 6). Alleen zij hebben deel aan de late oogst! Zie het schema ‘De eerste Opstanding’ hieronder.
 
                 


Eerst zal de Gemeente van Jezus Christus worden opgenomen, vervolgens komt de Grote Verdrukking (periode van 7 jaar) over de aarde en zal de Heere aan het eind van deze periode ook de gelovigen uit deze periode verzamelen. In ieder geval komt Israël weer centraal te staan. In het boek Matthéüs wordt de Heere Jezus dan ook afgeschilderd als de ‘Koning der Joden’. Niet het Evangelie der Genade Gods voor de Gemeente staat in de Grote Verdrukking centraal, maar het Evangelie van het Koninkrijk (Matth. 24 : 14), zoals dat in deze Grote Verdrukking door de 144.000 Joodse getuigen over de hele wereld verkondigd zal worden!

 

   

Is er in de Grote Verdrukking dan geen vergeving?

 

Deze mensen zullen letterlijk moeten ‘VOLHARDEN TOT HET EINDE’ (Matth. 24 : 13). En dit vinden we terug in Hebreeën: ‘VASTHOUDEN TOT HET EINDE TOE’ (Hebr. 3 : 6). Is het raar dat Andrew Murray in zijn boek uitkomt bij WERKEN (als een element) tot BEHOUD? Nee dus, want dat staat in Hebreeën geschreven! Echter Hebreeën is aan de gelovigen in de Grote Verdrukking geschreven, en in dit geval zelfs aan Joodse gelovigen. Is er in de Grote Verdrukking geen vergeving mogelijk dan? Ook dan zijn de gelovigen toch gewone mensen van vlees en bloed? Ja, inderdaad. Maar ook dan is er vergeving! Het is hetzelfde boek Hebreeën dat zegt: “Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelf Gode onbestraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levende God te dienen” (Hebr. 9 : 14). Oók in de Grote Verdrukking is er vergeving door het bloed van het Lam! Maar waarom moeten de gelovigen in de Grote Verdrukking dan volharden tot het einde? Omdat het een vreselijk extreme tijd zal zijn, waarin mensen gedwongen zullen worden een keuze te maken VOOR of TEGEN de antichrist, met als gevolg: TEGEN of VOOR Jezus Christus. Mensen zullen gedwongen worden een merkteken aan te nemen. In Openbaring 13 : 17 – 18 staat: “En dat niemand mag kopen of verkopen, dan die dat merkteken heeft, of de naam van het beest, of het getal van zijn naam. Hier is de wijsheid: die het verstand heeft, berekene het getal van het beest; want het is het getal van een mens, en zijn getal is zeshonderd zes en zestig.” Men zal bij een keuze voor Jezus niet meer kunnen kopen of verkopen. Men zal honger en dorst lijden (Openb. 7 : 16) en dat niet alleen, want men zal vervolgd en onthoofd worden (Openb. 20 : 4). Naast de vervolging zal de wereld op zich al een ellende zijn om in te wonen. Natuurrampen, geweld, er zal geen regen vallen (Openb. 11 : 6) en de zon zal veel grotere hitte geven (Openb. 16 : 8). Onder deze omstandigheden zal men LETTERLIJK MOETEN VOLHARDEN tot het einde. Want doet men het niet, en bezwijkt men, en neemt men het teken van het beest, dan geldt voor deze mensen het volgende, Openb. 14 : 9 – 12: “En een derde engel is hen gevolgd, zeggende met een grote stem: Indien iemand het beest aanbidt en zijn beeld, en ontvangt het merkteken aan zijn voorhoofd, of aan zijn hand, die zal ook drinken uit de wijn van de toorn van God, die ongemengd ingeschonken is, in de drinkbeker van Zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor de heilige engelen en voor het Lam. En de rook van hun pijniging gaat op in alle eeuwigheid, en zij hebben geen rust dag en nacht, die het beest aanbidden en zijn beeld, en zo iemand het merkteken van zijn naam ontvangt. Hier is de lijdzaamheid der heiligen; hier zijn zij, die de geboden Gods bewaren en het geloof van Jezus”. Wanneer men bezwijkt en niet volhardt tot het einde en het merkteken toch neemt om ‘verlichting’ te krijgen, dan is men gedoemd tot het eeuwige vuur. Hier hebt u de gelovigen in de Grote Verdrukking die deel hebben gehad aan de hemelse gave en de Heilige Geest, en die afvallig zijn geworden en zich niet meer kunnen bekeren (Hebr. 6 : 4 – 6).

 

   

Het Nieuwe Verbond

 

In het Oude Testament profeteert de Heere dat Hij een Nieuw Verbond met het Joodse volk zal sluiten. In Jer. 31 : 31 – 34 staat: “Ziet de dagen komen, spreekt de Heere, dat ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage dat Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de Heere; maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de Heere: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en Ik zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En zij zullen niet meer, een ieder zijn naaste, en een ieder zijn broeder, leren, zeggende: Kent de Heere! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de Heere; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hun zonden niet meer gedenken.” Dit Verbond is NIET met de Gemeente gesloten, maar zal met het huis van Israël en Juda gesloten worden! Wanneer wij het avondmaal vieren, dan nemen we de beker der dankzegging van het NIEUWE TESTAMENT. Het Nieuwe VERBOND is niet voor de Gemeente, maar voor Israël! De Gemeente heeft echter deel aan de zegen van het verbond met Abraham. In Abrahams zaad, In Jezus Christus, zijn wij gezegend (Gal. 3 : 14, 16, 29). Is het Nieuwe Verbond al ingegaan, zoals sommigen zeggen? Nee, want niet héél Israël gelooft op dit moment van klein tot groot in Jezus Christus (Jer. 31 : 34; Hebr. 8 : 11). En juist het Nieuwe Verbond komt in Hebreeën weer terug. Hebreeën, geschreven aan de Joden in de Grote Verdrukking, op de drempel van het Duizendjarig Vrederijk, bevestigt dat de Heere met het huis van Israël en Juda een Nieuw Verbond zal sluiten. Kijkt u maar in Hebr. 8 : 8 – 12.

 

   

De verwachting van het oordeel!???

 

Dan komen we nog bij Hebr. 10 : 26 – 27, waar staat: “Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden; maar een schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des vuurs dat de tegenstanders zal verslinden.” Nogmaals, wederom geboren kinderen van God in deze Gemeente-bedeling zullen worden opgenomen vóór de Grote Verdrukking. De tweede dood heeft over hen geen macht, zegt Openb. 20 : 4 – 6. Dit laatste geldt ook voor degenen die uit de Grote Verdrukking komen en volhard hebben. De gelovigen uit de Grote Verdrukking zijn echter niet voor de Rechterstoel van Christus geweest, waar de Gemeente geoordeeld is (2 Kor. 5 : 10; 1 Kor. 3 : 11 – 15). Zij zullen alsnog voor de Grote Witte Troon verschijnen, en aldaar beloond (!) worden, of anders zelf in de poel des vuurs geworpen worden, wanneer zij het merkteken van het beest aangenomen hebben. Openb. 11 : 18 gaat ook over dat laatste oordeel, en zegt: “En de volken waren toornig geworden [= aan het eind van het Duizendjarig Vrederijk, Openb. 20 : 7 – 9], en Uw toorn is gekomen, en de tijd der doden om geoordeeld te worden [Openb. 20 : 11, 12], en om het loon te geven aan Uw dienstknechten, en hun die Uw Naam vrezen, de kleinen en de groten; en om te verderven degenen, die de aarde verdierven”. Vandaar dat in Matth. 25 gesproken wordt over de gelijkenis van de vijf wijze en de vijf dwaze maagden. Zij moesten zelf olie kopen: zij moesten WERKEN voor hun behoud! En wat blijkt? De vijf dwaze maagden blijven achter! Bij de Opname van de Gemeente zal een ieder, die wederom geboren is, aanwezig zijn! Maar hoe kan het zijn, dat hier dan over maagden gesproken wordt, die achterblijven. Omdat de Gemeente in de Bijbel vergeleken wordt met EEN REINE MAAGD (2 Kor. 11 : 2, enkelvoud), terwijl hier in Matthéüs sprake is van MAAGDEN (meervoud). Weet u waar opnieuw van MAAGDEN gesproken wordt? In de Grote Verdrukking: de gelovige Joden, de 144.000 Joodse getuigen worden maagden genoemd (Openb. 14 : 4). Wanneer de Heere terugkomt van de bruiloft (na de Grote Verdrukking), zullen andere gasten de Bruidegom tegemoet gaan en samen met Hem en de bruid feest vieren! Dat staat letterlijk in Luk. 12 : 36: “En weest gij de mensen gelijk, die op hun heer wachten, wanneer hij weerkomen zal van de bruiloft, opdat, als hij komt en klopt, zij hem terstond mogen opendoen”. Met andere woorden: zij die IN DE GROTE VERDRUKKING VOLHARD HEBBEN TOT HET EINDE zullen er ook bij zijn! Zij hebben trouwens ook deel aan die eerste opstanding! De anderen wacht het oordeel! Dat is wat Hebreeën zegt.

 

   

Leg andere mensen geen juk op!

 

Aan de hand van teksten uit Matthéüs 24 en 25, Hebreeën 3, Hebreeën 6, Hebreeën 8 en Hebreeën 10, hebben we gezien dat de Hebreeën-brief leerstellig gericht is aan de Joden in de Grote Verdrukking. Wil dat zeggen dat wij niets uit Hebreeën kunnen leren? Nee, natuurlijk niet! Hebreeën leert ons dingen over God en Jezus Christus, dat Jezus de engelen, Mozes en Aäron overtreft, het leert ons dingen over Zijn Hogepriesterschap, en nog andere dingen. Maar: leg uw medebroeder of -zuster niet een juk op aan de hand van teksten die losstaan van de Gemeente-bedeling! Leg mensen geen juk op: bijvoorbeeld dat hij of zij het risico loopt om niet vergeven te worden, dat hij of zij verloren kan gaan, dat hij of zij door middel van werken moet bewijzen behouden te zijn. Allemaal dingen die on-Bijbels zijn, wanneer het een wederom geboren kind van God in de Gemeente-bedeling (de tijd waar wij in leven) betreft. De boodschap aan de Gemeente, aan ons: IEMAND DIE VERTROUWT OP HET VOLBRACHTE WERK VAN JEZUS CHRISTUS ÍS BEHOUDEN, en mag met vallen en opstaan in dit leven de Heere dienen (Rom. 7 : 13 – 26).

 

   

Waar is de Bijbelse leer voor de Gemeente?

 

In het voorgaande hebben we, min of meer door heel Hebreeën heen, het bewijs gezien dat dit boek gericht is aan het Joodse volk in de Grote Verdrukking, op de drempel van het Duizendjarig Vrederijk. Maar klopt dit dan ook in de context van Hebreeën 6, de tekst waar we deze studie mee begonnen zijn, zelf? JA! En dat zullen we in het vervolg van deze studie zien. We veranderen de context niet, we veranderen de tekst zelf niet… met andere woorden: het is geen eigen theorie, maar Gods Woord zegt het! DE HEERE HEEFT GESPROKEN.

  

Allereerst spreken de eerste verzen van Hebreeën 6, vers 1 t/m 3, over “het beginsel van de leer van Christus”. En waar spreekt dat gedeelte dan over? ‘Bekering van dode werken’; ‘Geloof in God’; ‘Leer der dopen’; ‘Oplegging der handen’; ‘De opstanding der doden’ en van ‘Het eeuwig oordeel’. Mag ik u een vraag stellen? Spreekt dit gedeelte over ‘wedergeboorte’? Over ‘de nieuwe natuur’? Over ‘het Lichaam van Christus’? Over ‘De verzegeling met de Heilige Geest?’ Over ‘rechtvaardigmaking’? Allemaal begrippen die te maken hebben met de boodschap aan de Gemeente van Jezus Christus, begrippen die centraal staan in de brieven van de apostel der heidenen – Paulus – aan de Gemeente (Rom. 11 : 13; 1 Tim. 2 : 7; Gal. 2 : 7 – 9). U vindt ze hier in Hebreeën niet! Met Hebreeën zijn we dan ook weg uit de bedeling van de Gemeente en de verkondiging van het Evangelie der genade Gods, en we zijn beland bij de boodschap die de 144.000 Joodse getuigen zullen verkondigen in de Grote Verdrukking: Het Evangelie van het Koninkrijk (Matth. 24 : 14). Ook dit bevestigt dat we de Hebreeën-brief niet maar zo klakkeloos op de Gemeente van Jezus Christus kunnen toepassen.

 

   

Pas op voor ‘figuurlijk lezen’ van de tekst!

 

Hebr. 6 : 7 – 8 zeggen: “Want de aarde, die de regen, menigmaal op haar komende, indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door welke zij ook gebouwd wordt, die ontvangt zegen van God; Maar die doornen en distelen draagt, die is verwerpelijk, en nabij de vervloeking, welker einde is tot verbranding.” Laten we eerst eens kijken hoe Andrew Murray deze teksten in zijn boek vergeestelijkt oftewel: figuurlijk leest, en niet letterlijk. Hieronder volgt een citaat van blz. 256:

  

‘In het verkeer met Hem, in de gehoorzaamheid en navolging van Hem, is mijn enige vastheid. Dit is wat ons geleerd wordt door het beeld uit de natuur in vers 7 en 8. De aarde die gewas voortbrengt, ontvangt zegen van God; die doornen en distels draagt is ondeugdelijk, en niet ver van vervloeking. De mens die enkel de zegen van God wil indrinken, enkel zijn eigen geluk zoekt, maar geen vruchten draagt, die heeft reden om bang te zijn [Opmerking tussendoor: OVER HET ZAAIEN VAN TWIJFEL EN VERWARRING GESPROKEN!!!]. In het najagen van de volmaaktheid, in wasdom en in vrucht dragen, in de oefening tot onderscheiden van goed en kwaad, in de gehoorzaamheid aan Gods wil, is het zekerste bewijs van het ware leven. God geve dat dit woord van waarschuwing hen, die gerust zijn doet ontwaken. O, mijn lezer, het is niet genoeg dat u er op rekent dat u bekeerd bent en dat u onbesproken leeft, God wil u geheel hebben. Christus moet uw hart zo in bezit nemen, dat uw leven geheel voor Hem is, dat het uw groot verlangen is om Hem werkelijk na te volgen en volkomen te kennen. Indien het waar is dat u de liefde van God hebt geproefd, dan zal het bewijs hiervan zijn, dat u zich zult opofferen om deze liefde volkomen te kennen en Hem in alles te behagen en te eren. Traagheid is een gevaarlijk teken dat uw werk misschien geen waarheid is.’

  

In dit gedeelte zien we hoe Andrew Murray met zijn ‘handleiding voor het geloofsleven’ (wat de subtitel van zijn boek is) uitkomt bij WERKEN tot behoud voor de gelovige! Uit mijn wandel zal blijken of ik behouden ben, zegt hij. En dat terwijl Ef. 2 : 8 – 10 het volgende zeggen: “Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme. Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen”. Met andere woorden: de boodschap aan de Gemeente is behoud uit Genade! Geen werken komen daaraan te pas. Weliswaar gaan wij (behoren wij) naar aanleiding van ons behoud in de werken van de Heere wandelen. Echter wanneer alles waardeloos blijft, doordat ik naar het vlees wandel, in plaats van naar de Geest (Gal. 5), ga ik niet verloren, ik zal schade lijden, maar zelf ben ik behouden (1 Kor. 3 : 15). Ziet u hoe tegenstrijdig de theologie van Andrew Murray is met Gods Woord voor de Gemeente? En met zijn theologie, de theologie van velen! Waar begint de fout? Door geen rekening te houden met de bedelingen. Door Gods Woord NIET recht te snijden. En dat is hier gebeurd. Door een boek, Hebreeën, gericht aan Joden in de Grote Verdrukking, klakkeloos op de Gemeente toe te passen (‘Een handleiding voor het geloofsleven’), belandt men in een Evangelie van werken! Laten wij Gods Woord recht snijden, opdat wij niet beschaamd worden (2 Tim. 2 : 15).

  

Andrew Murray heeft de regen gebruikt als beeld van de zegen van God. En dan gebruikt hij het kruid als beeld van vrucht in het leven van de gelovige. Zo zijn er anderen die maken van de regen de uitstorting van de Heilige Geest. Maar wist u dat de regen én het kruid in Hebreeën 6 : 7 – 8 een letterlijke zegen van de Heere zijn? Het gaat heel simpel om letterlijke regendruppels! Aan de hand van Psalm 68 zullen we daar eens naar kijken.

 

   

Psalm 68: De Tweede Komst van Jezus Christus

 

Psalm 68 is één van de grootste Psalmen die gaat over de Tweede Komst van Jezus Christus. Dus niet over de Opname van de Gemeente vóór de Grote Verdrukking, maar over de Tweede Komst ná de Grote Verdrukking, wanneer Zijn voeten zullen staan op de Olijfberg. Nu zijn er mensen die zeggen: ‘Deze Psalm is geschiedschrijving, en heeft allang plaatsgevonden, toen Mozes met het volk Israël uit Egypte trok’. Teksten, waar men dan naar verwijst, zijn bijvoorbeeld vers 8 en 9: “O God! toen Gij voor het aangezicht van Uw volk uittoogt [King James 1611: wentest forth before thy people = heenging voor uw volk], toen Gij daarheen tradt in de woestijn; Sela. Daverde de aarde, ook dropen de hemelen voor Gods aanschijn; zelfs deze Sinaï, voor het aanschijn van God, de God van Israël”. Zoals u in uw Bijbel kunt zien, staat er een tekstverwijzing bij naar Ex. 19. De theologie wil ons laten geloven dat dit in de verleden tijd gebeurd is. Maar weet u wat er in Ex. 19 : 18 staat? “En de ganse berg Sinaï rookte, omdat de Heere daarop neerkwam in vuur; en zijn rook ging op, als de rook van een oven; en de ganse berg beefde zeer”. Daar staat dat DE BERG SINAÏ beefde en rookte! Terwijl in de Psalm sprake is van: ‘DAVERDE DE AARDE, ZELFS DEZE SINAÏ’. Ziet u het verschil? Maar zeggen de theologen: ‘Zal de Heere niet bedoeld hebben….’ NEE! NEE! En nog eens NEE! De Heere heeft gesproken: in Exodus beefde de aarde niet! En de hemel gaf geen regen in Ex. 19. En God wandelde niet voor het volk, en trok niet voort, maar God kwam naar de berg toe. Het gaat over een hele andere situatie. In Ps. 68 : 11 lezen we: “…Gij bereidet ze door Uw goedheid voor de ellendige [King James 1611: poor = arme], o God!” Toen het volk uit Egypte trok, waren ze NIET ellendig en arm! Ze waren verlost door de Heere uit de slavernij. En ze waren nog rijk ook, want “zij beroofden de Egyptenaars” (Ex. 12 : 36), die de Israëlieten al hun “zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen” gaven (Ex. 12 : 35). Het is waar dat Mozes de woorden van Psalm 68 : 2 ook sprak: “God zal opstaan, Zijn vijanden zullen verstrooid worden, en Zijn haters zullen van Zijn aangezicht vluchten”. U kunt deze woorden vinden in Num. 10 : 35. Maar gezien het voorgaande van deze alinea zal dit dus opnieuw gebeuren, want de context van deze Psalm laat zien dat dit geen geschiedschrijving van de Uittocht uit Egypte is! Is het verwonderlijk? Nee, want de dingen in het Oude Testament zijn niet alleen geschiedenis, maar ook een “schaduw der toekomende dingen” (Kol. 2 : 17). Laten we ons dus niet door Theologische systemen op een dwaalspoor laten brengen.

 

   

De ellendigen: de Joden in de Grote Verdrukking

 

Weet u wie de ellendigen, de armen uit Psalm 68 zijn? U vindt ze in Matthéüs 25 : 31 – 40. Matth. 25 : 31 laat zien dat dit gedeelte gaat over de Tweede Komst, wanneer Jezus Christus Zich zal zetten “op de troon van Zijn heerlijkheid”. Dan volgt de beschrijving van een oordeel. De volken (zie vers 32) zullen geoordeeld worden aan hetgeen zij “Zijn minste broeders gedaan” hebben (vers 40). De broeders van de Heere Jezus op aarde zijn Zijn volksgenoten, dat is Israël, het Joodse volk! Oftewel: de volken worden geoordeeld op grond van hetgeen zij aan Israël gedaan hebben. Israël zal in de Grote Verdrukking moeten vluchten in de woestijn, omdat zij door de antichrist vervolgd wordt (Openb. 12 : 6). En wat staat er over de toestand van het Joodse volk: zij waren hongerig en dorstig (Matth. 25 : 35), zij waren naakt (Matth. 25 : 36); zij waren ziek (Matth. 25 : 36); zij waren in de gevangenis (Matth. 25 : 36). De toestand van het volk in de Grote Verdrukking is een toestand van ELLENDE EN ARMOEDE! En zo vinden we in Jakobus, dat – JAWEL – geschreven is aan de twaalf stammen in de verstrooiing (Jak. 1 : 1): “Hoort, mijn geliefde broeders, heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld, om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen van het Koninkrijk, hetwelk Hij belooft aan hen, die Hem liefhebben? Maar gij hebt de armen oneer aangedaan. Overweldigen u niet de rijken, en trekken zij u niet voor de rechterstoelen?” (Jak. 2 : 5 - 6). Het volk Israël in de woestijn was niet arm en hongerig en verdrukt; het volk Israël in de Grote Verdrukking wel, net als een ieder die zich in die tijd zal bekeren tot Jezus Christus en het merkteken van het beest niet zal aannemen.

  

Zo te zien gaat Psalm 68 dus over de Grote Verdrukking! En inderdaad is de Grote Verdrukking de tijd van “Jakobs benauwdheid” (Jer. 30 : 7). Maar uiteindelijk gaat God wel weer in die Grote Verdrukking met Israël verder, en zal Hij hen bevrijden van hun vijanden en zal de Heere Jezus Zijn Koninkrijk in Israël oprichten. “God zal opstaan, Zijn vijanden zullen verstrooid worden, en Zijn haters zullen van Zijn aangezicht vluchten. Gij zult hen verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was voor het vuur smelt, zullen de goddelozen vergaan van Gods aangezicht” (Ps. 68 : 2).

 

   

De Heere Jezus en de hemelse heerlegers

 

“Zingt Gode, psalmzingt Zijn Naam; verhoogt de wegen voor Hem, Die in de vlakke velden rijdt, omdat Zijn Naam is HEERE; en springt op van vreugde voor Zijn aangezicht” (Ps. 68 : 5). De velden Zijn in Gods Woord vaak een beeld van de hemelen. Het gaat hier niet om een eigen verzonnen beeld over een Bijbels begrip, maar om een Bijbels beeld; de Bijbel legt het zelf uit! Toen de knecht van Abraham terugkwam met de bruid voor Izak, was Izak buiten in het veld. Hij, Izak, haalde Rebekka thuis (Genesis 24). Zo zal de Heere Jezus het veld ingaan om Zijn Gemeente Thuis te halen! Hij zal ons in de lucht tegemoet komen, Hij rijdt in de hemelen. De King James 1611 zegt in dit vers dan ook letterlijk: “him that rideth upon the heavens” (= Hij die op de hemelen rijdt). Kijkt u eens wat in vers 34 van deze Psalm staat: “Hem, Die daar rijdt in de hemel der hemelen,…”. En dan zegt Ps. 68 : 18: “Gods wagens zijn tweemaal tien duizend, de duizenden verdubbeld”. De Heere zal bij Zijn Tweede Komst, en dan hebben we het dus niet over de Opname van de Gemeente, Hij zal bij Zijn Tweede Komst komen met paarden en wagens! Toen Elía naar de hemel ging zag Elísa “een vurige wagen met vurige paarden” (2 Kon. 2 : 11). En in 2 Kon. 6 : 17 wordt een stad belegerd, en Elísa opent de ogen van een dienstknecht, en wat ziet hij: “En de Heere opende de ogen van de jongen, dat hij zag; en ziet, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elísa”. Gelooft u de Bijbel? Zo lezen we namelijk over het moment dat de Heere zal opstaan en terugkomen, in Openbaring 19 : 14: “En de heerlegers in de hemel volgden Hem op witte paarden, gekleed met wit en rein fijn lijnwaad”. En dan zien we inderdaad dat Hij Zijn vijanden verslaat, alvorens Hij het Duizendjarig Vrederijk opricht: “En uit Zijn mond ging een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de heidenen slaan zou. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren roede; en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de toorn en van de gramschap van de Almachtige God” (Openb. 19 : 15). Van datzelfde gebeuren vertelt ook 2 Thess. 2 : 8: “En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, die de Heere verdelgen zal door de Geest Zijns monds, en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst”. En daar hebt u de Bijbelse context van Psalm 68: Het is de Tweede Komst van Jezus Christus, de Dag des Heeren, die begint met Gods toorn. Het is de Grote Verdrukking die gepaard gaat met het daveren van de aarde (Psalm 68 : 9, zie ook Openb. 6 : 12; Openb. 8 : 5 en 11 : 13).

 

   

“Gij hebt zeer milde regen doen druipen, o God!”

 

“O God! toen Gij voor het aangezicht van Uw volk uittoogt, toen Gij daarheen tradt in de woestijn; daverde de aarde, ook dropen de hemelen voor Gods aanschijn; zelfs deze Sinaï, voor het aanschijn van God, de God van Israël. Gij hebt zeer milde regen doen druipen, o God! en Gij hebt Uw erfenis gesterkt, toen zij mat was geworden” (Psalm 68 : 8 – 10). Wist u dat het hier om ECHTE REGEN gaat? We zagen reeds in Gods Woord dat men in de Grote Verdrukking bij een keuze voor Jezus niet meer zal kunnen kopen of verkopen. Men zal honger en dorst lijden (Openb. 7 : 16); gelovigen zullen vervolgd en onthoofd worden (Openb. 20 : 4). Er zullen natuurrampen zijn, er zal geweld zijn, er zal geen regen vallen (Openb. 11 : 6) en de zon zal veel grotere hitte geven (Openb. 16 : 8). De twee getuigen van Openb. 11 zullen Mozes en Elía zijn. In Openb. 11 : 6 leest u: “Dezen hebben macht de hemel te sluiten, opdat geen regen regene in de dagen van hun profetering [zoals bij Elía in de dagen van Achab, 1 Kon. 18]; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed te veranderen [zoals bij Mozes bij de Uittocht, Ex. 7], en de aarde te slaan met allerlei plaag, zo menigmaal als zij zullen willen”. Met andere woorden: er zal grote droogte wezen! Weet u dat David met zijn laatste woorden nog profeteerde over de Heere Jezus, Die als Koning zal heersen over de aarde? “De God Israëls heeft gezegd, de Rotssteen Israëls heeft tot mij gesproken: Er zal zijn een Heerser over de mensen, een Rechtvaardige, een Heerser in de vreze Gods. En Hij zal zijn gelijk het licht des morgens, wanneer de zon opgaat, des morgens zonder wolken, wanneer van de glans na de regen de grasscheutjes uit de aarde voortkomen” (2 Sam. 23 : 3 en 4). Of leest u in de profeet Hoséa: “Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om de Heere te kennen; Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen en vroege regen des lands” (Hos. 6 : 3). De Heere komt met regen! Aan het eind van de Grote Verdrukking, na die droge periode, zal er weer regen zijn. Wanneer dan Zijn Koninkrijk opgericht wordt, zal er voldoende regen op aarde wezen, zodat er weer voldoende oogst zal zijn om te eten. Joël 2 spreekt over de Dag des Heeren die “zeer vreselijk is” (Joël 2 : 11). Maar die dag komt voor Israël met bekering! En in het vervolg van Joël 2 lezen we hoe de Heere Zijn volk gaat herstellen. De Heere zal in het Duizendjarig Vrederijk Zijn troon in Jeruzalem hebben. Er zal overvloed zijn (Joël 2 : 19), en dan leest u in Joël 2 : 23: “En gij kinderen van Sion! verheugt u en weest blijde in de Heere, uw God; want Hij zal u geven die Leraar ter gerechtigheid; en Hij zal u de regen doen neerdalen, de vroege en de spade regen in de eerste maand”. Ja, het zal regenen! Maar dan zeggen sommigen: ‘Dat heeft toch te maken met Handelingen 2, waar Petrus Joël citeert? Dat heeft toch te maken met de uitstorting van de Heilige Geest?’ NEE, dat is wat de Pinkstertheologen ervan gemaakt hebben, en wat door charismatischen in vele groepen braaf nagevolgd wordt. Petrus citeert wel Joël 2, maar daar spreekt hij ook over “wonderen in de hemel boven, en tekenen op de aarde beneden, bloed, vuur en rookdamp” (Hand. 2 : 19). De profetie, die Petrus aanhaalt, wordt daar op dat moment op de Pinksterdag nog niet vervuld. Dat zal gebeuren tijdens de Grote Verdrukking en het begin van het Duizendjarig Vrederijk!  Het bewijs? De regen in Joël leidt niet tot de uitstorting van de Geest op Israël, die u vindt in Joël 2 : 28, waar staat: “EN DAARNA”. Daarvóór geeft de Heere reeds regen, die Hij in het Duizendjarig Vrederijk zal blijven geven. En weet u waar die regen toe leidt? Joël 2 : 24: “En de dorsvloeren zullen vol koren zijn, en de perskuipen van most en olie overlopen”. De regen is LETTERLIJKE regen, die zal leiden tot overvloed! Iedereen zal genoeg te eten en te drinken hebben (zie ook Joël 2 : 25, 26).

 

   

De overwinning over de vijand

 

“De koningen der heerscharen vluchtten weg, zij vluchtten weg.” (Psalm 68 : 13a). “Toen de Almachtige de koningen daarin verstrooide” (Psalm 68 : 15a). “Voorzeker zal God de kop van Zijn vijanden verslaan” (Psalm 68 : 22a). Dat is wat de Heere gaat doen. Daarvan hebben we eerder in deze studie de teksten gezien in Openbaring 19 en 2 Thess. 2. Het heeft te maken met de vervulling van de eerste profetie in de Bijbel over Jezus Christus, de profetie die God deed in Gen. 3 : 15, en waar Hij beloofde dat het zaad van de vrouw, Jezus Christus, de kop van de slang zal vermorzelen. Ook zagen we reeds dat de overgebleven volken geoordeeld worden op het feit hoe zij Israël behandeld hebben. En wat lezen we dan over die volken in Psalm 68 : 30: “Om Uw tempel te Jeruzalem, zullen U de koningen geschenk toebrengen”. De volken, de koningen zullen in Zijn Koninkrijk naar Jeruzalem reizen om Jezus Christus te eren!

 

   

De Heere zal Koning zijn met een ijzeren roede

 

Zacharía 14 gaat ook over de Tweede Komst van Jezus Christus. Vers 4 zegt: “En Zijn voeten zullen te dien dage staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt…” En dan leest u in vers 5 over de vlucht en over de aardbeving, exact als in Psalm 68: “Dan zult gij vluchten door de vallei van Mijn bergen (want deze vallei der bergen zal reiken tot Azal), en gij zult vluchten, zoals gij vluchtte voor de aardbeving in de dagen van Uzzía, de koning van Juda; dan zal de HEERE, mijn God, komen, en al de heiligen met U, o HEERE!” En wat gaat er dan gebeuren? Vers 9 laat zien dat de Heere LETTERLIJK Koning wordt op aarde! De vijanden zullen verteerd worden (Zach. 14 : 12), zoals u hebt kunnen lezen in Openb. 19 en 2 Thess. 2. En dan komt vers 16, waar staat: “En het zal geschieden, dat al de overgeblevenen van alle heidenen, die tegen Jeruzalem zullen gekomen zijn, die zullen van jaar tot jaar optrekken om te aanbidden de Koning, de HEERE der heerscharen, en om te vieren het feest der loofhutten”. De heidenen zullen optrekken naar Jeruzalem om Jezus Christus als Koning te aanbidden. En dan komt er een heel interessant gegeven. Vaak denken we bij het Duizendjarig Vrederijk al aan het eeuwig Koninkrijk, waar letterlijk alles goed zal zijn. En het zal ook goed zijn in het Duizendjarig Vrederijk. Maar de volmaakte eeuwigheid is ook dan nog niet aangebroken. Er zal vrede op aarde zijn, maar weet u, in het Duizendjarig Vrederijk regeert Jezus Christus met een ijzeren roede (Openb. 19 : 5). En dat blijkt nodig te zijn. De satan is in die periode gebonden (Openb. 20 : 2), maar de mens heeft nog wel zijn zondige natuur. En als de satan aan het einde van het Duizendjarig Vrederijk nog een korte tijd losgelaten wordt, krijgt hij nog velen achter zich aan (Openb. 20 : 8).  Die ijzeren roede blijkt ook nodig uit Zacharía, kijkt u maar in Zach. 14 : 17: “En het zal geschieden, zo wie van de geslachten der aarde niet zal optrekken naar Jeruzalem, om de Koning, de HEERE der heerscharen, te aanbidden, zo zal er over hen geen regen wezen.” Maar dan begrijpen we ook wat Psalm 68 zegt met vers 7: “…maar de afvalligen wonen in het dorre”.

 

   

“Maar de afvalligen wonen in het dorre”

 

Maar dan hebben we ook de verwijzing naar Hebreeën 6 : 7 en 8, waar staat: “Want de aarde, die de regen, menigmaal op haar komende, indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door welke zij ook gebouwd wordt, die ontvangt zegen van God; Maar die doornen en distelen draagt, die is verwerpelijk, en nabij de vervloeking, welker einde is tot verbranding.” Ziet u dat? Het laatste oordeel voor de Grote Witte Troon zal pas plaatsvinden wanneer de laatste opstand van satan geweest is (Openb. 20 : 7 – 10). Mensen die zich in het Duizendjarig Vrederijk niet willen buigen voor de Heere Jezus, zullen verworpen zijn en belanden in de poel des vuurs. Over hen zal het ook niet regenen in dat Duizendjarig Vrederijk. Zij zullen wonen in dorre plaatsen. Degenen in het Duizendjarig Vrederijk, die Jezus Christus dienen, zullen gezegend worden met voldoende regen en voedsel. Bij hen zal overvloed zijn. Die regen heeft dus NIETS te maken met de Heilige Geest, of met het feit dat wij zouden moeten werken tot behoud!

 

   

De zonde tegen de Heilige Geest

 

Maar dan ziet u ook, wat de zonde tegen de Heilige Geest in Matthéüs inhoudt. Velen maken zich er vandaag de dag druk om, of zij die zonde niet begaan. Of erger: zij proberen anderen ermee te verketteren en angst aan te jagen. Maar wanneer wij ook hier op de context letten, wordt een heleboel duidelijk. “En zo wie enig woord gesproken zal hebben tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar zo wie tegen de Heilige Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende” (Matth. 12 : 32). Maar wat houdt die niet te vergeven zonde in? In de context, Matth. 12 : 24, zien we het antwoord: “Maar de Farizeeën, dit gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit dan door Beëlzebul, de overste der duivelen” (zie ook Mark. 3 : 29 – 30). De Farizeeën stonden van aangezicht tot aangezicht met Jezus, zij hoorden wat hij deed, maar zij zagen ook wat Hij deed! In het Duizendjarig Vrederijk krijgen we dezelfde situatie. Wanneer de mensen in het Duizendjarig Vrederijk van aangezicht tot aangezicht met Jezus op aarde wonen, net als de Farizeeën in Jezus’ dagen, en dan zullen zeggen dat het werk wat Hij doet van de duivel is, dan zondigen zij tegen de Heilige Geest. Dan zijn zij, terwijl zij deel hebben gehad aan dat Koninkrijk, niet te vernieuwen tot bekering, exact zoals Hebr. 6 : 4 – 6 zegt. Ook dat ‘deel hebben aan het Koninkrijk’ staat in Hebr. 6 : 5: “…en de krachten der toekomende eeuw (King James 1611: wereld) gesmaakt hebben”. Wie hebben “de krachten van de toekomende wereld gesmaakt”? Dat zijn de gelovigen die van de Grote Verdrukking over zijn gegaan naar het Duizendjarig Vrederijk. Ziet u hoe Hebreeën géén directe betrekking heeft op de Gemeente van Jezus Christus? Het verwijst allemaal naar de Grote Verdrukking en de overgang naar het Duizendjarig Vrederijk.

 

   

Laat u de zekerheid in het geloof niet afpakken!

 

Ziet u dat wij de Bijbel geen enkel geweld aandoen door te stellen dat de Hebreeën-brief gericht is aan de Joodse gelovigen in de Grote Verdrukking, die overgaan in het Koninkrijk? Het enige wat wij doen is LETTERLIJK GELOVEN wat God zegt in Zijn Woord. Maar ja, daar stond Paulus in zijn tijd ook al voor terecht bij de geestelijkheid van zijn dagen, men noemde hem een pest (Hand. 24 : 5). Weet u wat Paulus antwoordde: “Maar dit beken ik u, dat ik naar die weg, welke zij sekte noemen, de God der vaderen alzo dien, GELOVENDE ALLES (!), wat in de wet en in de profeten [de toenmalige Bijbel, wij hebben nu het Oude en het Nieuwe Testament] geschreven is” (Hand. 24 : 14). Laten wij met Paulus niet letten op wat de geestelijkheid ons te vertellen heeft, maar op wat Gods Woord ons te vertellen heeft.

  

De Gemeente van Jezus Christus, de wederom geboren gelovigen, mogen zeker zijn van hun behoud:

 

“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn Woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven” (Joh. 5 : 24).

 

“Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heere” (Rom. 8 : 38 – 39).

 

“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme. Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen” (Ef. 2 : 8 – 10).

 

“Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden, maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur” (1 Kor. 3 : 15).

 

“Vertrouwende dit, dat Hij, die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op de dag van Jezus Christus” (Filip. 1 : 6).

 

“Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus; Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelf kan onderwerpen” (Filip. 3 : 20 – 21).

  

Dat is de boodschap aan de Gemeente van Jezus Christus. VAST EN ZEKER. Laat u van die vastigheid niet door zogenaamde ‘Theologen’ beroven (ook niet als er drie titels voor de naam staan)! Zeker niet als de teksten, die men aanhaalt, gericht zijn aan een groep gelovigen in een andere bedeling, onder hele andere omstandigheden. Laat u niet onder een theologisch juk brengen, en laten wij elkaar dan niet meer onder een juk brengen, van: ‘doet dit’ of: ‘doet dat’; of van: ‘Pas op, want je kruisigt Christus weer’. Degene die IN CHRISTUS is (1 Kor. 12 : 13), die wederom geboren is, die IS VRIJGEMAAKT (Rom. 7 : 6), en IS BEHOUDEN! En Jezus Christus zal ons verlossen van het “lichaam dezes doods”, waarin nog steeds “de wet der zonde” is (Rom. 7 : 23 – 25). Bij de Opname van de Gemeente zullen we een VOLMAAKT opstandingslichaam krijgen en dan zullen we voor altijd bij de Heere wezen!

  

De Heere zij geprezen voor alles wat Hij Zijn Gemeente, wat Hij ons gegeven heeft!