Blue Flower

Hoort 1 Joh. 5 : 7 in de Bijbel thuis?
(De Drie-enige God, deel 2)



Inleiding

In de studie “De Drie-enige God, deel 1” zagen we dat de Godheid van de Heere Jezus nog weleens ontkend wordt. Zo niet door de Jehovah’s Getuigen, of de Mormonen of het NBG, dan wel door broeders of zusters die in het Oude Testament (al dan niet aan de hand van het Hebreeuws) lezen dat God Eén is en die in het Nieuwe Testament verschillen zien tussen de Vader en de Zoon. Zij komen dan voor zichzelf tot de conclusie dat de Heere Jezus niet God is. Misschien wel “Goddelijk”, maar niet God Zelf.

De Bijbel stelt inderdaad dat er Eén God is! Dat is gewoon het Bijbelse uitgangspunt. Maar de Heere zegt in Zijn Woord dat we Hem door de schepselen heen kunnen begrijpen (Rom. 1 : 20). Datzelfde Woord van God laat zien dat wij mensen weliswaar één mens zijn, en toch uit drie bestaan, namelijk ziel, lichaam en geest (1 Thess. 5 : 23). Zo zijn er in de schepping nog andere drie-eenheden te herkennen. Dus alhoewel God Eén is, kan Hij weldegelijk uit Drie bestaan. En dat is wat de Schrift in feite voortdurend laat zien. De Heere spreekt niet voor niets in Zijn Woord over de Vader (de Ziel van God), de Zoon (het Lichaam van God) en de Heilige Geest (de Geest van God). We hebben stilgestaan bij de doop van de Heere Jezus door Johannes de Doper. Daar zagen we de Vader en de Zoon en de Heilige Geest aan het werk. Hetzelfde hebben we gezien bij de schepping, bij Zijn vleeswording en bij de redding van de mens.

De Heere Jezus is God. Niet voor niets identificeert de Heere Jezus Zich met Jehovah God van het Oude Testament, door Zichzelf te openbaren als de “Alfa en de Oméga, het Begin en het Einde, (…), de Almachtige” (o.a. Openb. 1 : 8). Maar ook wordt Hij “de waarachtige God” genoemd (1 Joh. 5 : 20).

Zowel de Vader als de Zoon als de Geest hebben ook Ieder hun Eigen taken, en worden Ieder met “Hij” aangesproken. Daarom wordt er vaak over drie Personen binnen de Godheid gesproken. In ieder geval zagen we dat de Ene God Zichzelf op drie verschillende wijzen, los van Elkaar, manifesteert. In deze studie willen we met name nog stilstaan bij de Godheid van de Heilige Geest, bij die Drie Personen, maar ook bij de tekst 1 Joh. 5 : 7, waarvan men veelal beweert dat deze niet in Gods Woord thuishoort. Maar is dat ook zo?


De Heilige Geest een Persoon?

Vaak gelooft men niet dat de Heilige Geest een Persoon is, en daarom gelooft men ook niet in de Drie-eenheid. Men onderscheidt dan wel de Vader en de Zoon, en heeft het dan vooral over twee, die overigens wel Eén zijn. Zo hoorde ik iemand hierover naar de scheppingsgeschiedenis verwijzen, waar staat dat “de Geest Gods zweefde op de wateren” (Gen. 1 : 2). Men stelde dat dit God Zelf zou zijn, en niet zozeer de Heilige Geest, want, zo stelde men, de Heilige Geest is in de Vader en in de Zoon. Daarbij werd verwezen naar Openb. 22 : 3, waar geschreven staat over “de troon Gods en des Lams”. Men vroeg mij: “Waar is daar dan de Heilige Geest”? Het antwoord zocht men daarin dat de Heilige Geest in de Vader en in de Zoon zou zijn, en daarom ook niet apart genoemd zou worden. Het mooie van dit soort situaties is, dat men heel eenzijdig de teksten noemt die onderbouwen wat men wil beweren: enkele teksten waar alleen de Vader en de Zoon in voorkomen. Andere teksten, waar de Heilige Geest genoemd wordt, en een andere Naam als de Vader en de Zoon krijgt, noemt men niet. Op die teksten heeft men ook geen antwoord. “Ja, maar Openb. 22 : 3”, is het dan... Het feit dat de Heilige Geest in Openb. 22 : 3 niet genoemd wordt, wil niet zeggen dat Hij er niet is, en ook niet dat Hij niet Eén van de Drie zou kunnen zijn…


De Eigen taken van de Heilige Geest

In de studie “De Drie-enige God, deel 1” zagen we dat toen de Heere Jezus op aarde was, en de Vader in de hemel was, Hij de Heilige Geest op de Heere Jezus liet afdalen in de gedaante gelijk een duif (Matth. 3 : 13 – 17). We zagen dat de Heilige Geest een hele Eigen Taak had in de Vleeswording van de Heere Jezus (Matth. 1 : 18). We zagen bij de redding van de mens dat de Heilige Geest de Eigen taak heeft om iemand, die tot geloof is gekomen, te verzegelen (Ef. 1 : 13). En zo zijn er meer taken van de Heilige Geest te noemen. Hier volgt nog één voorbeeld die we in de eerste studie nog niet besproken hebben, maar wel met de redding van mensen te maken heeft. In Joh. 16 : 8 lezen we over de Trooster het volgende: “En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel”. Hierin zien we dat de Heere door Zijn Geest de wereld wil overtuigen, om in Hem te geloven. Wanneer wij mensen over Hem mogen vertellen, dan is het niet onze eer als iemand tot geloof komt. Je hoort nog weleens zeggen: “Als ik ga getuigen, dan gaan er mensen tot geloof komen…!” Maar dát is niet onze eer. Wij mogen mensen wel vertellen over de Heere, maar het is het werk van de Heilige Geest wanneer mensen tot geloof komen, want Hij overtuigt de wereld van zonde, gerechtigheid en oordeel.


Gelooft u wat er staat geschreven?

En laten we wel wezen, in Joh. 4 : 24 staat inderdaad dat God “een Geest” is. Maar dat betekent niet dat Deze Geest niet uit Drie kan bestaan. De Bijbel getuigt van wel! God is een geestelijk wezen, Die bestaat uit een Ziel (de Vader), uit een Lichaam (het Woord of de Zoon) en uit een Geest (de Heilige Geest). Daar waar God als “een Geest” omschreven wordt in Joh. 4 : 24, daar staat in Gen. 1 : 2 niet geschreven: “…, een Geest zweefde op de wateren, en deze Geest was God”. Zelfs dan had het de Heilige Geest kunnen zijn, omdat van de Heere Jezus ook geschreven staat: “In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God” (Joh. 1 : 1). Maar dat staat niet geschreven in Gen. 1 : 2. Daar staat heel duidelijk: “…, en de Geest Gods zweefde op de wateren”. Het gaat hier dus duidelijk om de “Geest van God”! En eigenlijk is dan de vraag: “Gelooft u wat er geschreven staat”?


De Geest van God in het Oude Testament aan het werk

Ook op andere plaatsen in het Oude Testament zien we de Vader, het Woord (of de Zoon) en de Heilige Geest aan het werk. Een mooi voorbeeld vinden we in Ezech. 43. In Ezech. 40 : 1 leest u dat Ezechiël door de Heere wordt rondgeleid door de nieuwe tempel. En dat is natuurlijk niet de tempel die men binnenkort in Israël zal bouwen en waar de antichrist zijn intrek zal nemen. Deze zal namelijk weer verwoest worden. Nee, het gaat om de Tempel in het Duizendjarig Vrederijk. In Ezech. 40 : 1 lezen we: “IN het vijf en twintigste jaar onzer gevankelijke wegvoering, in het begin des jaars, op den tiende der maand, in het veertiende jaar nadat de stad geslagen was; even op dienzelven dag, was de hand des HEEREN op mij en Hij bracht mij derwaarts”. In de hoofdstukken daarna is er iedere keer sprake van “Hij bracht mij”, dan gaat het dus over de Heere. Zo ook Ezech. 43 : 1: “TOEN leidde Hij mij tot de poort, de poort die den weg naar het oosten zag”. Ezechiël wordt dus rondgeleid door de Heere, en in wat Hij ziet is de Heere God, Die onzienlijk is (1 Tim. 1 : 17), ook aanwezig. Dat blijkt bijvoorbeeld uit Ezech. 43 : 2: “En zie, de heerlijkheid van den God Israëls kwam van den weg naar het oosten; en Zijn stem was als het geruis van vele wateren, en de aarde werd verlicht van Zijn heerlijkheid”. En dan lezen we in Ezech. 43 : 4 dat de Heere God terugkeert in de tempel: “En de heerlijkheid des HEEREN kwam in het huis, door den weg der poort die den weg naar het oosten zag”.

In Ezech. 43 : 3 wordt de “heerlijkheid van den God Israëls” vergeleken met wat Ezechiël eerder had gezien (Ezech. 1, 10). In Ezech. 1 : 26 lezen we bijvoorbeeld: “En boven het uitspansel hetwelk was boven hun hoofden, was de gelijkenis eens troons, als de gedaante van een saffiersteen; en op de gelijkenis des troons was de gelijkenis als de gedaante eens mensen, daar bovenop zijnde”. Die heerlijkheid des Heeren (Ezech. 1 : 28) gaat dus gepaard met de verschijning van een troon en de verschijning van de gelijkenis van de gedaante van een mens! Dit moet de Engel des Heeren zijn: de Heere, Die verschijnt in de vorm van een Man, Die Zichzelf “wonderlijk” noemt (zie “De Drie-enige God”). Maar dan gaat het hier dus over de verschijning van de Heere Jezus in het Oude Testament. Vervolgens lezen we in Ezech. 43 : 5 opeens dat Ezechiël opgenomen wordt door de Geest des Heeren: “En de Geest nam mij op en bracht mij in het binnenste voorhof; en zie, de heerlijkheid des HEEREN had het huis vervuld”. Dus de Heere is in het huis, en de Geest neemt Ezechiël op en brengt hem ook in het huis. En dan blijkt dat er een Man bij Ezechiël staat, terwijl hij uit het huis hoort spreken: “En ik hoorde Een Die met mij sprak uit het huis; en de Man was bij mij staande” (Ezech. 43 : 6). Deze Man heeft al eerder tot Ezechiël gesproken: “En die Man sprak tot mij: Mensenkind, zie met uw ogen, en hoor met uw oren, en zet uw hart op alles wat Ik u zal doen zien; want opdat Ik u zou doen zien, zijt gij herwaarts gebracht; verkondig daarna het huis Israëls alles wat gij ziet” (Ezech. 40 : 4). Maar het is toch de Heere Die Ezechiël rondleidt? Ja, maar hier in de vorm van een Man. Dit is Dezelfde verschijning van Ezech. 1, een Man, de Engel des Heeren, het Woord des Heeren. In Ezech. 43 : 6 en 7 lezen we dan over de troon: “En ik hoorde Een Die met mij sprak uit het huis; en de Man was bij mij staande. En Hij zeide tot mij: Mensenkind, dit is de plaats Mijns troons en de plaats der zolen Mijner voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden der kinderen Israëls in eeuwigheid; en die van het huis Israëls zullen Mijn heiligen Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen hunner koningen, op hun hoogten”. Terwijl de Geest des Heeren Ezechiël erbij gehaald heeft, hij getuige mag zijn van de aanwezigheid van de Heere God in de tempel, spreekt de Heere door de gestalte van een Man met hem. Duidelijker kan het niet: Alhoewel de Heere Eén is, werken er hier Drie samen. Hier is de Drie-eenheid aan het werk.


“Ik ben met u … met het Woord … en Mijn Geest”

Nog zo’n mooie combinatie vinden we in Haggaï 2 : 5 en 6: “Doch nu, wees sterk, gij Zerubbábel, spreekt de HEERE; en wees sterk, gij Jozua, zoon van Józadak, hogepriester, en wees sterk, al gij volk des lands, spreekt de HEERE, en werkt; want Ik ben met u, spreekt de HEERE der heirscharen, Met het Woord, in Hetwelk Ik met ulieden een verbond gemaakt heb als gij uit Egypte uittrokt, en Mijn Geest, staande in het midden van u; vreest niet”. En dan weet ik dat er zijn die Hebreeuws leren, en op basis daarvan beweren dat het Hebreeuwse woord voor “het Woord”, zoals dat in deze tekst staat, nooit verwijst naar een persoon. Maar zodra wij weten dat de Heere in een later stadium, in het Nieuwe Testament geopenbaard heeft, dat “in den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God” (Joh. 1 : 1), dan hebben we hier opnieuw een schitterende verwijzing naar de Drie-eenheid! De Heere (Jehovah) is met Israël, door Zijn Woord (later het vleesgeworden Woord) en door Zijn Geest. En opnieuw zien we dat de zogenaamde woordstudies in de grondtalen mensen niet bij de Bijbelse uitleg brengen, maar Schrift met Schrift vergelijken wel! Mooi hè?


God bestaat uit drie Delen

Zo zien we hoe de Heilige Geest weldegelijk naar voren komt als een apart, en ik noem het nu maar even, “Onderdeel” van de Godheid, Die Zijn Eigen taken vervult. In “De Drie-enige God, deel 1” kwam al even naar voren dat zowel de Vader als de Zoon als de Heilige Geest daarnaast met “Hij” aangesproken worden (Gen. 1 : 5; Matth. 1 : 21; Joh. 14 : 17), en dat dit een reden is om over drie Personen binnen de Drie-eenheid te spreken. Voor de Heere Jezus is het over het algemeen wel duidelijk dat het om een Persoon gaat. Voor de Vader gaat men daar ook eigenlijk vaak wel vanuit. Maar de Heilige Geest is toch een Geest? Dat kun je toch geen Persoon noemen? Het moeilijke van het woord “Persoon” is natuurlijk dat we dan aan mensen denken. En ieder mens is verschillend. Een groep mensen bij elkaar vormen allemaal zichtbaar verschillende personen. Maar als we dat doortrekken naar de Vader, Die onzienlijk is (1 Tim. 1 : 17), dan zou men kunnen stellen dat óók de Vader geen Persoon kan zijn. Maar dan raakt men een zenuw, want dát is wat de meesten dan weer wél geloven: als het om de Ene God gaat, de Vader, Hij is natuurlijk weldegelijk een Persoon! Maar als God een Geest is (Joh. 4 : 24), en wél een Persoon genoemd wordt, waarom zou de Heilige Geest dan geen Persoon kunnen zijn? Het ligt aan de definitie die men onbewust hanteert van een Persoon. Men denkt daarbij aan mensen. Maar feit is dat ieder mens bestaat uit een ziel, een geest en een lichaam (1 Thess. 5 : 23). Drie verschillende onderdelen, die overigens door de Heere van elkaar te scheiden zijn (Hebr. 4 : 12), wat Hij bij de wedergeboorte overigens ook doet. De Bijbel vergelijkt de wedergeboorte van de mens met een geestelijke besnijdenis, waarbij het “lichaam der zonden des vleses” uitgetrokken wordt (Kol. 2 : 11). Maar dat nu verder ter zijde. Die drie verschillende onderdelen hebben weldegelijk een eigen functie, en toch vormen ze samen een eenheid. Overigens hetzelfde hebben we bij het molecuul water gezien: het bestaat uit drie aparte delen (atomen), die samen “water” zijn. Wat wij niet kunnen, en wat de Heere wel kan, is dat die “Onderdelen” schijnbaar onafhankelijk van elkaar kunnen handelen en verschijnen, zoals we zo mooi hebben gezien bij de doop van de Heere Jezus door Johannes de Doper (Matth. 3 : 13 – 17).


De Heilige Geest is weldegelijk een Persoon

En dan zien we dat óók de Heilige Geest met “Hij” aangesproken wordt. In Joh. 14 : 17: “Namelijk den Geest der waarheid, Welken de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij ulieden en zal in u zijn”. De Geest des Heeren is een “Hem” en een “Hij”! En als een “Hij”, heeft Hij ook een Eigen wil. In 1 Kor. 12 : 11 lezen we bijvoorbeeld: “Doch deze dingen alle werkt de ene en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil”. En zo hebben we in diverse voorbeelden gezien dat Hij Eigen taken heeft.

En net als de Heere Jezus, is ook de Heilige Geest God (maar niet de Vader). In Jes. 6 : 8, 9 lezen we dat de Heere spreekt: “Daarna hoorde ik de stem des Heeren, dewelke zeide: Wien zal Ik zenden en wie zal voor Ons heen gaan? Toen zeide ik: Zie, hier ben ik, zend mij heen. Toen zeide Hij: Ga heen en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet”. Paulus citeert vers 9 in Hand. 28 : 26, maar kijk hoe hij begint in Hand. 28 : 25: “En tegen elkander oneens zijnde, scheidden zij, als Paulus dit ene woord gezegd had, namelijk: Wel heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja, den profeet, tot onze vaderen”. Dit vers maakt heel duidelijk dat de Heilige Geest de Heere is. De Heilige Geest is God (zie ook Hand. 5 : 3 – 5).

Dus daarom is het volledig op zijn plaats om over een Derde Persoon binnen de Godheid te spreken, terwijl we het toch over één God hebben.


“een anderen Trooster”

Maar… Dat de Heilige Geest, wel Dezelfde God is, maar niet Dezelfde is als de Vader en de Zoon, blijkt ook uit Joh. 14 : 16, waar we geschreven vinden: “En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid”. De Heilige Geest is niet alleen de Trooster, een titel die eigenlijk alleen voor de Heilige Geest gebruikt wordt, en niet voor de Vader, en ook niet voor de Zoon, maar Hij is “een anderen” Trooster! Dus ondanks dat Hij Dezelfde God is, is Hij ook anders, binnen Diezelfde God(heid). Denk maar aan één van de drie unieke bolletjes binnen het molecuul water. Dat derde bolletje zit niet in één of twee van de andere bolletjes, maar het is apart binnen het water molecuul en samen zijn die drie één. En zo is het ook met de Heilige Geest.

Molecuul water bestaande uit drie atomen.

“… en deze Drie zijn één”

En dat brengt ons bij een tekst, die dit alles zo mooi bevestigt. In 1 Joh. 5 : 7 en 8 lezen we: “Want Drie zijn er Die getuigen in den hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn één. En drie zijn er die getuigen op de aarde: de Geest, en het water, en het bloed; en die drie zijn tot één”. Dit vers is nog niet besproken, om eerst te laten zien dat de Drie-eenheid gewoon volgt uit de hele Schrift. Gods Woord is eigenlijk gewoon duidelijk. Men moet het Woord van God geweld aan doen om iets anders te verkondigen. Maar er is geen tekst zo duidelijk als 1 Joh. 5 : 7 en 8, waar gewoon letterlijk staat dat er Drie getuigen zijn in de hemel, en dat Deze Drie Eén zijn!


Gods Woord onder vuur

U begrijpt het al, er zijn er velen die moeite hebben met het feit dat Jezus Christus God is (Jehovah’s Getuigen, de Mormonen, het Judaïsme, het NBG, etc.), dus dit vers ligt onder het vuur van de Schriftkritiek en moet volgens de heren wetenschappers verdwijnen. Enkele nieuwe vertalingen handhaven het vers, maar de meesten schrappen het gewoon (soms komt het nog in een voetnoot terecht). Maar juist deze tekst ligt enorm onder vuur.

In de NBG-’51 ziet men de zogenaamde twijfelhaken:
“Want drie zijn er, die getuigen [in de hemel: de Vader, het Woord, en de Heilige Geest; en deze drie zijn één. En drie zijn er, die getuigen op de aarde]: de Geest en het water en het bloed, en de drie zijn tot één”.

In de NBV heeft men het gedeelte gewoon uit de tekst van de vertaling weggelaten, we lezen:
“Er zijn dus drie getuigen: de Geest, het water en het bloed, en het getuigenis van deze drie is eensluidend”.

En ook in de BGT is dit deel weggelaten, maar ook vertaalt men uitleggend, waardoor er nog meer onzin onstaat:
“Er zijn dus drie getuigen van de waarheid over Jezus: de heilige Geest, het water van de doop en het bloed aan het kruis. En die drie getuigen vertellen allemaal hetzelfde over Jezus”. Verderop in deze studie zullen we zien waarom dit onzin is.

En dan nog een vertaling als de Herziene Voorhoeve-uitgave (van zogenaamde “Bijbelgetrouwe” broeders), die dit gewoon volgt:
“Want drie zijn er die getuigen: de Geest en het water en het bloed, en deze drie zijn eenstemmig”.

Waarom is men er meestal zo van overtuigd dat dit vers niet in Gods Woord thuis hoort? Waarom is juist dit een vers, waarmee men schermt om te zeggen: “Zie je wel: de Statenbijbel is ook maar een vertaling, en bevat dus fouten”? Waar is dat alles op gebaseerd?


Twee soorten handschriften

Elders op deze site kunt u er meer over lezen dat er eigenlijk twee bronnen zijn als het om de verspreiding van Bijbelse handschriften gaat. De Bijbelse lijn van verspreiding gaat volgens Handelingen via Antiochië. De meerderheid van handschriften komt ook hier vandaan. De Reformatie-Bijbels (zoals onze Statenbijbel) komen daar uit voort. Maar… In Alexandrië is men gaan knutselen met Gods Woord door het te vermengen met filosofie. Rooms-katholieke vertalingen vinden hier hun oorsprong, maar ook de nieuwe Protestantse vertalingen sinds 1880 na Chr. zijn hier op gebaseerd doordat men Alexandrijnse handschriften gevonden heeft en men die belangrijker zijn gaan vinden. De heren Westcott en Hort (mannen die nota bene niet in de historiciteit van delen van de Bijbel geloofden, de plaatsvervanging van de Heere Jezus voor onze zonden een vervalsing noemen, die aanhangers van Darwin waren en Rooms-katholiek georiënteerd waren [1]) hebben op basis van deze handschriften eerst een eigen(!) Griekse tekst gemaakt, en die Griekse tekst is de basis van de eerste nieuwe vertalingen (na 1880 na Chr.) geworden. Onder andere Nestle en Aland zijn hier weer mee verder gegaan, wat heeft geleid tot de moderne tekst van de “United Bible Societies”. Zie ook het "Schema: Bijbelvertalingen en hun oorsprong".


Het bewijs tegen 1 Joh. 5 : 7

Wat is nu het geval? Er bestaan in totaal ca. 5500 handschriften. En slechts 9 manuscripten van late datum bevatten 1 Joh. 5 : 7. En daarvan hebben er ook nogeens 4 dit vers in de kantlijn, wat betekent dat slechts 5 handschriften dit vers in de tekst hebben [2]. De Alexandrijnse handschriften missen dit vers, en die zijn ouder. Mede hierdoor is er een theorie ontstaan dat dit vers later toegevoegd zou zijn. Dr. F.H. Scrivener was één van de mannen die samen met Westcott en Hort voor de eerste nieuwe vertalingen zorgde. Dr. Scrivener heeft over 1 Joh. 5 : 7 het volgende geschreven:

“We hebben al eerder gezegd dat het volstrekt zinloos is om fraude aan te voeren tegen degenen die de Drie Hemelse Getuigen hebben geïntroduceerd bij wijze van een geestelijke illustratie, eerst in de marge van deze brief, vervolgens in de tekst. Dat het geen recht heeft op een plaats binnen het geheel van de Schrift beschouwen wij als zeker. Het behoort niet tot de hele Christelijke kerk, maar tot een enkele tak ervan, en in de vroege tijden tot een vruchtbare zijtak van die tak” [3].

Dr. Scrivener beweert dus dat het eerst in de marge van Griekse teksten verschenen is, en pas later in de tekst zelf is opgenomen. Deze reden is zo vaak herhaald dat men het is gaan geloven. Maar berust dit ook op de feiten?


Eerst relativeren...

Allereerst is het goed om naar de cijfers te kijken. Men plaatst de 9 handschriften vaak tegenover het totaal van de 5500. En ja, dan zijn het er heel weinig. Echter is het goed om te beseffen dat de brief 1 Johannes maar in 500 handschriften voorkomt. En daarbij moeten we beseffen dat sommige daarvan weer fragmenten zijn, waar bijvoorbeeld 1 Johannes 5 niet eens bij zit. Dat geeft al andere verhoudingen… Daarnaast zijn er in het verleden getuigen gevonden die beweerd hebben dat er ooit 31 Griekse handschriften waren met 1 Joh. 5 : 7 [4]. Dit geeft al weer een andere kijk op de situatie. Maar het feit blijft dat de meerderheid van de Griekse handschriften 1 Joh. 5 : 7 niet bevatten.


Maar er zijn wel veel getuigen vóór 1 Joh. 5 : 7!

Maar betekent dit dat het vers 1 Joh. 5 : 7 dan niet in Gods Woord thuishoort, of dat het er later aan toegevoegd is? Het feit is dat er wel veel  getuigen zijn die aangeven dat dit vers wel oorspronkelijk is. In de studies over de Angelsaksische en de Gotische Bijbel hebben we gezien dat deze vertalingen, die terug gaan tot (voor) 700 en 350 na Chr., getuigen van de tekst zoals die bewaard is gebleven in de Reformatie-Bijbels. En zij getuigen niet van de tekst, zoals deze gevonden wordt in de Alexandrijnse handschriften. De Bijbel is niet alleen in het Hebreeuws en Grieks over de aarde verspreid, maar in diverse talen. En dat Gods Woord Zich reeds vroeg naar alle volken verspreidde, wat volledig in overeenstemming is met de opdracht die de discipelen hadden (Mark. 16 : 15), daarvan getuigt ook Paulus. In Rom. 16 : 24 – 26 (geschreven in ca. 60 na Chr.) lezen we: “De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen. Hem nu Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring der verborgenheid, die van de tijden der eeuwen verzwegen is geweest, Maar nu geopenbaard is, en door de profetische Schriften, naar het bevel des eeuwigen Gods, tot gehoorzaamheid des geloofs onder al de heidenen bekend is gemaakt”. We weten op basis van Hand. 2 dat de Heere de volken graag in hun eigen taal aanspreekt, en de geschiedenis bevestigt dat al heel vroeg Gods Woord in diverse talen over de wereld verspreid werd. In ieder geval was men in 60 na Chr. al bezig om de profetische Schriften onder al de heidenen bekend te maken!


De Oud Latijnse Bijbels zijn getuigen voor 1 Joh. 5 : 7

Zo is bekend dat tussen 100 en 200 na Chr. de Oud Latijnse Bijbels al in bijvoorbeeld Engeland circuleerden [5]. En daarbij gaat het dus niet om de Roomse vervalsing van later datum, die bekend is geworden als de Latijnse Vulgaat. Nee, het gaat om de Oud Latijnse Bijbels. Die Oud Latijnse Bijbels zijn onder andere ook bekend van bijvoorbeeld een groep als de Waldenzen die in de Middeleeuwen zwaar door Rome vervolgd werden [6]. En wat is nu het mooie? Alle handschriften die er zijn van de Oud Latijnse tekst getuigen van 1 Joh. 5 : 7. Er zijn 6 handschriften bekend, en alle 6 bevatten dus 1 Joh. 5 : 7 [7].


Diverse zogenaamde kerkvaders getuigen voor 1 Joh. 5 : 7

Zo is in het werk van diverse vroege zogenaamde kerkvaders een citaat, zo niet een verwijzing, te vinden naar 1 Joh. 5 : 7. Zo schrijft Priscillianus over deze tekst in 385 na Chr.:

“… en er zijn er drie die getuigen op aarde, het water, het vlees, het bloed, en deze drie zijn tot één, en er zijn er drie die getuigen in de hemel, de Vader, het Woord en de Geest, en deze drie zijn één in Christus Jezus” [8].

En zo zijn er meerdere die een verwijzing maken naar dit vers. Ik noem nog één voorbeeld: Nog vroeger, in 250 na Chr., schrijft Cyprianus:

“Ik en de Vader zijn één, en zo is ook geschreven van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest: En deze drie zijn één” [9].


De strijd van de Arianen

Ook is er een verklaring waarom 1 Joh. 5 : 7 uit een groot deel van de Griekse handschriften verdwenen is. Er is binnen de Griekse kerk een strijd geweest met zogenaamde Arianen die ontkenden dat Jezus Christus God is. Het gaat te ver om hier diep op in te gaan, maar samen met de vervolgingen en Bijbelverbrandingen door zowel Romeinse keizers als later de Rooms-Katholieke Kerk, is dit een verklaring waarom dit vers in vroege Griekse handschriften is gaan ontbreken, en waardoor het ook in veel latere Griekse manuscripten ontbreekt [10].


Onterechte kritiek tegen 1 Joh. 5 : 7

Nu weten we dat de Griekse Tekst die ten grondslag ligt aan de Statenbijbel, de Textus Receptus, samengesteld door Erasmus, veelal onder vuur ligt. Hij zou het snel gedaan hebben. Echter dat “snelle” gold alleen voor zijn eerste versie (wat overigens niet betekent dat het slecht was!). Later heeft hij nog vier versies uitgebracht [11]. Deze latere versies zijn pas gebruikt als basis voor de Reformatie-Bijbels. Wat wil nu het geval? Daar waar men altijd moppert over Erasmus, die zijn werk afgeraffeld zou hebben, daar geeft men vaak als argument tegen 1 Joh. 5 : 7 dat Erasmus het niet opgenomen heeft in zijn eerste twee versies! Wel mopperen over zijn “tempo”, waarbij men (overigens vals) doelt op slechte kwaliteit, maar het dan wel als argument tegen 1 Joh. 5 : 7 gebruiken…! De Heere Jezus noemde de Schriftgeleerden in Zijn dagen op aarde al geveinsden (huichelaars)... (Matth. 23 : 27).

Onder de Schriftcritici heeft men het verhaal in het leven geroepen dat Erasmus een belofte gedaan zou hebben om 1 Joh. 5 : 7 op te nemen als hij ook maar één enkel Grieks manuscript zou vinden. En men suggereert daar dan vaak ook nog bij dat dit manuscript dan misschien wel in opdracht gefabriceerd zou zijn [12]. Daarnaast zou hij volgens een boek van Erika Rummel iemand uitgedaagd hebben, een soort van wedstrijd, om een manuscript te vinden waarin 1 Joh. 5 : 7 zou staan [13]. Hier is, aan de hand van werken en brieven van Erasmus, onderzoek naar gedaan, en de conclusie van de onderzoeker (H.J. de Jonge, Leiden, 1980, 1995) was:

“De belofte heeft geen enkele fundering in Erasmus’ werk, en (...) Rummels interpretatie is eenvoudigweg fout. De passage die zij aanhaalt heeft niets van doen met een wedstrijd. Daarnaast breekt ze de aanhaling dusdanig af, dat de echte bedoeling van de passage onherkenbaar geworden is. Ze heeft niet het recht om van een wedstrijd te spreken…” [14].

Helaas blijven dit soort meningen, ondanks de onjuistheid, wel rondgebazuind worden. Het blijkt dat de heren (en dames) Schriftcritici gewoon op zoek zijn naar redenen om van Gods Woord af te komen!

Het feit, dat Erasmus 1 Joh. 5 : 7 in zijn latere versies van de Textus Receptus wel opnam, was omdat hij door de Oud Latijnse Bijbels tot de volgende overtuiging was gekomen:

“Het kon niet in de Latijnse manuscripten terecht gekomen zijn, indien het niet uit het Grieks vertaald zou zijn” [15].


Een veel plausibeler reden

We zagen dat dhr. Scrivener beweerde dat 1 Joh. 5 : 7 eerst in de kantlijn van de handschriften geplaatst is, en dat het pas daarna in de Griekse tekst zelf is opgenomen. Maar laten we wel zijn, het vroegste Griekse manuscript waarin 1 Joh. 5 : 7 voorkomt, komt uit de 10e eeuw. En dat is een manuscript waar het in de kantlijn staat. Dat zou inhouden dat het invoegen in de Bijbeltekst pas na de 10e eeuw heeft plaatsgevonden! Door de kerkvaders weten we echter dat de tekst al voor 400 na Chr. in de Griekse tekst heeft gestaan, en de Oud Latijnse Bijbels getuigen reeds van dit vers [16]. Van een later invoegen in de tekst, na de 10e eeuw, kan dus helemaal geen sprake zijn. Al die feiten weerspreken de gedachtenspinsels van de Schriftcritici, en laten zien dat men doelbewust fabels in het leven roept om Gods Woord in diskrediet te brengen.

1 Joh. 5 : 7 en 1 Joh. 5 : 8 lijken wat woordvolgorde betreft heel veel op elkaar. Bij het kopiëren van de Schrift heeft men een aantal malen vergeten om 1 Joh. 5 : 7 te kopiëren, en men heeft dit vers bij overlezen in de kantlijn alsnog vermeld [17]! Dat is, gezien de genoemde feiten, een heel wat plausibeler reden voor het in handschriften verschijnen van het vers in de kantlijn. Er zijn genoeg bewijzen dat 1 Joh. 5 : 7 gewoon in de Bijbeltekst thuishoort.


De context: over “getuigen” gesproken...

Ter afsluiting kijken we naar de Bijbeltekst zelf. Leest u 1 Joh. 5 : 6 – 13.

Allereerst gaat het hier over een brief van Johannes. Dat 1 Joh. 5 : 7 van Johannes afkomstig is, getuigt het feit dat er geschreven staat: “...de Vader, het Woord en de Heilige Geest”. Dat de Heere Jezus “het Woord” genoemd wordt, komen we ook tegen bij het Evangelie naar de beschrijving van Johannes (Joh. 1 : 1). Indien het een kerkelijke toevoeging zou zijn, dan zou men eerder verwachten dat er gestaan zou hebben: “...de Vader, de Zoon en de Heilige Geest”.

Volgens 1 Joh. 5 : 7 zijn er drie Die getuigen in de hemel, en die Drie zijn één. Dat betekent dat hier Drie Getuigen één hemelse Getuige vormen! In de hemel getuigt de Ziel van God (de Vader), en het Lichaam van God (het Woord, de Zoon) en de Geest van God (de Heilige Geest) van Zijn Goddelijke natuur. Maar dezelfde structuur vinden we in 1 Joh. 5 : 8. Daar zijn drie getuigen op aarde, die samen één zijn. Dat betekent dat er volgens 1 Joh. 5 : 8 drie op aarde zijn/waren, die één Getuige op aarde vormen. De Heere Jezus kwam door water. Dat heeft niets te maken met een doop, zoals we veelal in uitleg zien, en in de BGT in de tekst van de “vertaling” zagen staan. Nee, Hij kwam op aarde doordat Hij uit een vrouw geboren werd en dus een menselijk lichaam van vlees had. Dit blijkt uit Joh. 3 : 3 – 6. In dat gedeelte, en met name vers 5 en 6, leest u dat de geboorte uit water hetzelfde is als de geboorte van het natuurlijke, vleselijke lichaam. De Heere Jezus was geboren uit de Heilige Geest en kreeg een menselijk lichaam (geboren uit water), maar doordat Hij uit de Heilige Geest was, had Hij wel bloed dat Goddelijk was (Hand. 20 : 28). En zo kon God met ons zijn (Matth. 1 : 23). En samen vormen die drie dus één getuige in de Mens Christus Jezus. En samen, de Getuige in de hemel en de Getuige op de aarde, zijn dat dus weer TWEE getuigen, die laten zien dat de Heere Jezus de Zoon van God was, Die voor ons kon sterven, zodat wij het eeuwige leven kunnen ontvangen (1 Joh. 5 : 11, 13). Hij was Mens, daardoor kón Hij sterven. Hij was God, daardoor kon Hij plaatsvervangend voor ons sterven. Tevens zijn hiermee alle teksten verklaard, die verschillen laten zien tussen de Vader en de Zoon.


“Op den mond van twee getuigen of drie getuigen”

De hele verdere context van 1 Joh. 5 : 7 gaat over die “getuigenis Gods”. En wat zegt nu Deut. 17 : 6, overigens iets wat vaker in Gods Woord te lezen is: “Op den mond van twee getuigen of drie getuigen zal hij gedood worden, die sterven zal; op den mond van een enigen getuige zal hij niet gedood worden”. Eén getuige heeft geen volmacht, maar twee of drie wel! We zien dus dat men één samengestelde Getuige wegneemt (Die in de hemel), waardoor er maar één samengestelde Getuige overblijft (Die op de aarde). De Heere God laat hier zien dat Hij dubbel betrouwbaar is, maar de Schriftkritiek vindt dat niet van belang, en kleedt Gods Getuigenis uit tot één Getuige op aarde, en maakt Gods Woord daarmee tot een onbetrouwbare getuige. Dat is wat er gaande is. Het mooie is dat dit zelfs uit de Griekse grammatica blijkt, dat 1 Joh. 5 : 7 gewoon niet weggelaten kan worden [18]. Maar daar heeft men het in dit geval nooit over.


Over het laten verdwijnen van getuigen gesproken...

In het citaat van dhr. Scrivener zagen we dat hij stelde dat 1 Joh. 5 : 7 behoorde “tot een enkele tak” van de Christelijke kerk, “en in de vroege tijden tot een vruchtbare zijtak van die tak”. Hoe komt men dan tot die conclusie? Dit heeft te maken met de visie van de heren Schriftcritici op het vertaalwerk. Naast het feit dat Westcott en Hort een eigen Griekse tekst fabriceerden op basis van de Alexandrijnse handschriften, hebben zij namelijk ook nieuwe regels opgesteld, waar volgens hen het vertalen van de Bijbel aan zou moeten voldoen. Dat waren regels die tot op die tijd niet bekend waren, en in de Schriftkritiek tot op vandaag de dag heel belangrijk zijn geworden. Eén van die regels luidde:

“de meer ongelijkmatige, moeilijke lezing is belangrijker dan de gladde, vlotte lezing” [19].

Westcott en Hort, en de vele Schriftcritici na hen, gaan er vanuit dat de kopieerders van de Schrift standaard de tekst van Gods Woord mooier wilden maken, en daarom is deze regel opgesteld. Men kiest de minder gladde, vlotte lezing, dus de moeilijkere lezing van een tekst, om volgens hen dichter bij het origineel te komen [20]. Dit is vaak ook de kortere lezing. In het geval van 1 Joh. 5 : 7, het gedeelte wat toegevoegd zou zijn, wordt de context (en het Gieks) duidelijker door de aanwezigheid van dit vers, zoals we gezien hebben. Alleen daarom kiest de Schriftkritiek al voor de tekst zónder 1 Joh. 5 : 7… En zo ziet u dus hoe men met opzet geen rekening houdt met de context van Gods Woord!

Via Antiochië streefde men er naar om de Schrift zo getrouw mogelijk over te leveren. Maar in Alexandrië heeft men door middel van een platoniserende filosofie de Schrift vermengd met filosofie om Deze voor intellectuele heidenen aantrekkelijk te maken. Dat is de bakermat van de Schriftkritiek. En wat de heren Schriftcritici zelf doen (de Schrift mooier maken), dat hebben zij toegeschreven aan alle kopieerders van de Schrift, ook die van Antiochië! En omdat de beste handschriften, die uit Antiochië, van later datum zijn, zijn die volgens dit principe het meest aangepast. En zo is er een valse reden ontstaan om juist de Bijbeltekst gebaseerd op de Antiocheense handschriften aan te passen aan de ooit in Alexandrië gemaakte vervalsingen!  

Een andere regel die men opstelde, heeft te maken met de door hun verzonnen familie-indeling van de handschriften. Volgens de heren Schriftcritici had elke “tak van de kerk” zijn eigen versie van de Schrift. Deze familie-indeling van de manuscripten (er zijn vier families benoemd) geeft het idee dat de Byzantijnse manuscripten (waarop de Textus Receptus gebaseerd is) 25 % van het totaal aantal manuscripten vormen. Maar nee, de Byzantijnzse manuscripten vormen het grootste deel (ca. 95 %). De Schriftcritici zien het als hun taak om die verschillende bronnen te vergelijken en een “Bijbel” “samen te stellen”. Nu helpt de familie-indeling de Schriftcritici om het aantal bronnen te reduceren. Men kijkt niet meer naar het aantal getuigen van een bepaald Schriftgedeelte. Zo schreven Westcott en Hort dat als negen handschriften samen getuigen voor 1 Joh. 5 : 7, dat ze dan tot één getuige gereduceerd moeten worden. Deze komen namelijk allemaal uit dezelfde bron (dezelfde familie). Als er vervolgens ook maar één manuscript uit een andere familie is dat deze negen tegenspreekt, dan hebben zij volgens deze regel een gelijk gewicht. Die negen komen uit één bron, en die ene komt uit één andere bron [21]. En in de paar Alexandrijnse handschriften mist 1 Joh. 5 : 7 geheel.

Het feit wil dat over het algemeen de meerderheid aan handschriften (de basis van de Reformatie-Bijbels) getuigt tegen de minderheid aan handschriften (de basis van alle nieuwe vertalingen). Maar men maakt de meerderheid dus “gelijk” aan de minderheid. En als men dan ook nog uitgaat van hoe “ouder hoe beter”, dan is het lot van de meerderheid aan handschriften, die van latere datum zijn, bezegeld: die zijn dan tot onbetrouwbaar bestempeld. En zo verwijdert men getuigen. En op basis daarvan is men vele wijzigingen in de Schrift gaan doorvoeren: aan de hand van een minderheid aan handschriften. Maar die oudere Alexandrijnse handschriften (de minderheid) zijn juist helemaal niet beter, die staan bol van de overschrijffouten…, zij zijn bewaard gebleven omdat ze niet gebruikt werden, etc. [22].

Geen wonder dat deze Schriftcritici, die getuigen (manuscripten) van de Schrift “verwijderen”, de hemelse Getuige (1 Joh. 5 : 7) uit de Schrift weghalen. Men is er bewust mee bezig om Gods Woord te vervalsen (2 Kor. 2 : 17).


Tot slot

1 Joh. 5 : 7 hoort gewoon in de Schrift thuis. Een ieder die de Drie-eenheid ontkent, ontkent daarmee de Woorden die God gegeven heeft!

In Defense of the Authenticity of 1 John 5 : 7, door C.H. Pappas


Wilt u meer over dit onderwerp lezen, dan is het boek “In Defense of the Authenticity of 1 John 5:7” van C.H. Pappas aan te raden (zie de afbeelding). Weliswaar legt de auteur in één hoofdstuk misschien wel heel veel nadruk op de Griekse kerk, maar verder is het een mooi boek dat laat zien dat de Heere God over Zijn Woord gewaakt heeft, en dat Hij Zijn Woord bewaard heeft. Een mooi boek om te lezen en gesterkt te worden in het besef dat wij kunnen zeggen: Wij hebben Gods geïnspireerde Woord ook vandaag de dag in onze Statenbijbel! De Heere heeft beloofd Zijn Woord te bewaren (Ps. 12 : 7, 8), en wat Hij zegt, dat doet Hij!

Amen.


[1]   ‘Let’s Weigh the Evidence, Which Bible is the Real Word of God?’, Barry D. Burton, Chick Publications, Chino, USA, 1983, blz 67.
[2]  ‘In Defense of the Authencity of 1 John 5:7’, C.H. Pappas ThM, WestBow Press, Bloomington, 2016, blz. 3.
[3]  ‘In Defense of the Authencity of 1 John 5:7’, C.H. Pappas ThM, WestBow Press, Bloomington, 2016, blz. 65.
[4]  ‘In Defense of the Authencity of 1 John 5:7’, C.H. Pappas ThM, WestBow Press, Bloomington, 2016, blz. 2.
[5]  ‘In Awe of Thy Word: Understanding the King James Bible, Its Mystery and History, Letter by Letter’, G.A. Riplinger and Bryn Riplinger Shutt, A.V. Publications Corp., USA, 2003, blz. 676.
[6]  ‘In Defense of the Authencity of 1 John 5:7’, C.H. Pappas ThM, WestBow Press, Bloomington, 2016, blz. 17.
[7]  ‘In Defense of the Authencity of 1 John 5:7’, C.H. Pappas ThM, WestBow Press, Bloomington, 2016, blz. 7.
[8]  ‘In Defense of the Authencity of 1 John 5:7’, C.H. Pappas ThM, WestBow Press, Bloomington, 2016, blz. 106.
[9]  ‘In Defense of the Authencity of 1 John 5:7’, C.H. Pappas ThM, WestBow Press, Bloomington, 2016, blz. 105.
[10] ‘In Defense of the Authencity of 1 John 5:7’, C.H. Pappas ThM, WestBow Press, Bloomington, 2016, blz. 105.
[11] ‘In Defense of Erasmus’, John Cereghin, Grace Baptist Church of Smyrna, Delaware, bron: http://www.freerepublic.com/focus/religion/719815/posts.
[12] ‘A Defense of 1 john 5 : 7’, D. Cloud, Port Huron, 12-9-2017, bron: https://www.wayoflife.org/reports/a-defense-of-1-john.php.
[13] ‘A Defense of 1 john 5 : 7’, D. Cloud, Port Huron, 12-9-2017, bron: https://www.wayoflife.org/reports/a-defense-of-1-john.php.
[14] Geciteerd in: ‘A Defense of 1 john 5 : 7’, D. Cloud, Port Huron, 12-9-2017, bron: https://www.wayoflife.org/reports/a-defense-of-1-john.php.
[15] ‘In Defense of the Authencity of 1 John 5:7’, C.H. Pappas ThM, WestBow Press, Bloomington, 2016, blz. 14.
[16] ‘In Defense of the Authencity of 1 John 5:7’, C.H. Pappas ThM, WestBow Press, Bloomington, 2016, blz. 68-70.
[17] ‘In Defense of the Authencity of 1 John 5:7’, C.H. Pappas ThM, WestBow Press, Bloomington, 2016, blz. 67.
[18] ‘In Defense of the Authencity of 1 John 5:7’, C.H. Pappas ThM, WestBow Press, Bloomington, 2016, blz. 44-48.
[19] ‘In Defense of the Authencity of 1 John 5:7’, C.H. Pappas ThM, WestBow Press, Bloomington, 2016, blz. 73.
[20] ‘In Defense of the Authencity of 1 John 5:7’, C.H. Pappas ThM, WestBow Press, Bloomington, 2016, blz. 73.
[21] ‘In Defense of the Authencity of 1 John 5:7’, C.H. Pappas ThM, WestBow Press, Bloomington, 2016, blz. 86.
[22] ‘In Defense of the Authencity of 1 John 5:7’, C.H. Pappas ThM, WestBow Press, Bloomington, 2016, blz. 3-5.