Blue Flower

...over een stil en gerust leven...
De Christen en het lijden - deel 2



Inleiding

In deel 1 van de serie Bijbelstudies over “De Christen en het lijden” hebben we, naar aanleiding van een beloning die de Heere uitdeelt, de kroon des levens, gezien hoe gelovigen in de Heere Jezus door de geschiedenis heen geleden hebben voor de Naam van de Heere Jezus. We zagen hoe er onder de Romeinse keizers met name 10 perioden waren waarin de eerste Christenen vervolgd werden. Onder andere de apostelen hebben onder de Romeinse keizers geleden, en naast hen vonden velen de dood. Ook in de Rooms-katholieke Middeleeuwen werden Christenen, die zich aan Gods Woord vasthielden, en niet bogen voor de Roomse leer, vervolgd en vermoord. En vandaag de dag gebeurt dat niet minder in bijvoorbeeld veel Moslimlanden. We zagen dan ook dat de Heere aangeeft dat het navolgen van de voetstappen van de Heere Jezus te maken heeft met lijden. Zo laat de Bijbel zien dat al die mensen, die geleden hebben, en lijden voor de Naam van de Heere Jezus in de eeuwigheid “de kroon des levens” zullen ontvangen (Openb. 2 : 10).


Wij hebben het eigenlijk best goed...

Maar als we zo naar de geschiedenis kijken, ook naar de geschiedenis van hoe het Woord van God tot ons gekomen is, dan beseffen we dat wij het hier in Nederland best goed hebben. Een reden om dankbaar voor te zijn. Danken wij de Heere daar nog wel voor? Voor de vrijheid die we hier in Nederland hebben? Voor alles wat we hebben? Voor de rijkdom die we hier in Nederland hebben? Al zijn we misschien niet rijk naar westerse begrippen, we hebben kleding, we hebben een dak boven het hoofd, we hebben eten. Er staat een tekst in Gods Woord dat zegt: “Maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd zijn” (1 Tim. 6 : 8). Maar wij hebben vaak veel meer! Wat voor ons eigenlijk van belang hoort te zijn, is wat er in 1 Tim. 6 : 6 staat: “Doch de godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging”.


Wat is “godzaligheid”?

Godzaligheid houdt in “het leven met eerbied en toewijding aan de Heere God”. Dat blijkt bijvoorbeeld uit verzen als Titus 2 : 11 en 12: “Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen, En onderwijst ons dat wij de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matiglijk en rechtvaardiglijk en godzaliglijk leven zouden in deze tegenwoordige wereld”. “Goddeloosheid en wereldse begeerlijkheden” staan tegenover “matiglijk en rechtvaardiglijk en godzaliglijk”. Godzaliglijk is dus “tot eer van God”. Dit blijkt ook uit de vervolgverzen. Titus 2 : 13 en 14 zeggen nog: “Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus; Die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken”. Wanneer wij verlost zijn van alle ongerechtigheid, omdat we Zijn kinderen zijn, wanneer wij ons door Hem laten reinigen en “ijverig in goede werken” zijn, niet om behouden te worden, maar om te wandelen door de Geest, dan leven wij dus “godzalig”. En hoe kan dat? Alleen door ons te houden aan Zijn Woord. In 1 Tim. 4 : 6 lezen we namelijk: “Als gij deze dingen den broederen voorstelt, zo zult gij een goed dienaar van Jezus Christus zijn, opgevoed in de woorden des geloofs en der goede leer, welke gij achtervolgd hebt”. 1 Tim. 4 : 7 gaat verder: “Maar verwerp de ongoddelijke en oudwijfse fabelen; en oefen uzelven tot godzaligheid”. Door ons niet te richten op de wijsheid van mensen, maar op de “woorden des geloofs en der goede leer”, die wij in Gods Woord vinden, oefenen wij ons tot godzaligheid. Alles wat op ons vlees gericht is, draagt daar niet aan bij. 1 Tim. 4 : 8 gaat verder: “Want de lichamelijk oefening is tot weinig nut, maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens”. Onze rijkdom ligt dus in de “godzaligheid”. En dan zijn we tevreden met alles wat de Heere geeft, want we behoren tevreden te zijn met kleding, voedsel en onderdak, zoals we gelezen hebben in 1 Tim. 6 : 8.


De Heere zorgt voor ons

Voor ons is dus van belang dat wij weten dat “als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd zijn”. En eigenlijk is dat ook niet vreemd. Wij kunnen zo druk zijn met allerlei aardse zaken, maar als onze tijd komt, kunnen we al die aardse zaken niet meenemen. We laten alles achter… Job zegt in Job 1 : 21: “...Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekropen en naakt zal ik daarheen wederkeren. De Heere heeft gegeven en de Heere heeft genomen; de Naam des Heeren zij geloofd”. Overigens, de Heere weet wat wij nodig hebben. Als wij ons eerst richten op de dingen van Hem, dan mogen we ook weten dat Hij in deze dingen voor ons zorgt. In Matth. 6 : 33 zegt de Heere Jezus: “Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen (eten, drinken, kleding, zie vers 31) zullen u toegeworpen worden”. Het gaat hier om de Wet van het Koninkrijk. Dus natuurlijk lezen we hier, dat wanneer Israël de Heere en Zijn gerechtigheid zoekt, dat het letterlijke, fysieke Koninkrijk (het Duizendjarig Vrederijk) met regen en overvloed zal volgen. Maar aangezien de Heere hier spreekt over het Koninkrijk Gods, het geestelijke Koninkrijk, kunnen we deze belofte ook op ons als Gemeente betrekken. De Heere zal voor ons zorgen. En als we beseffen dat de Heere zo voor ons zorgt, hoe dankbaar mogen wij Hem dan zijn. En als wij meer hebben… des te meer reden hebben wij om Hem te danken.


Rijk gezegend, als Nederland(er)

Maar ook, gezien wat de Heere in Zijn Woord zegt over lijden, is een reden om dankbaar te zijn. Dankbaar te zijn dat we in een land als Nederland mogen leven. Een land dat afrekende met de Rooms-katholieke overheersing (80 jarige Oorlog), waar mensen ooit in grote getale niet wilden buigen voor beelden, maar de Heere God Zelf wilden aanbidden, en een land waarin de overheid ooit opdracht gaf tot het vertalen en uitgeven van het door de Heere bewaarde Woord van God in de eigen taal. De rijkdom en voorspoed die Nederland gekend heeft in bijvoorbeeld de Gouden Eeuw, is hier een gevolg van geweest. En de rijkdom die we nu relatief nog hebben (begin 2020) is daar een restant van. Kijk naar het huidige verschil tussen Nederland en de Zuid-Europese landen. Daar waar de afgoderij gegrond is, gaat het ook nu slechter. Maar dat wil wat zeggen over het feit waar Nederland naar onderweg is… Maar voor alsnog mogen we de Heere danken voor de rijkdom en rust die wij hier mogen ervaren. En als we naar de geschiedenis kijken, als we kijken naar wat de Heere in Zijn Woord over lijden zegt, dan mogen we beseffen dat hoe wij hier mogen leven, absoluut niet vanzelfsprekend is.


Naar de kerk met koffie en koek, we doen een spelletje...

Ik denk dat we rustig mogen stellen dat wij behoorlijk verwend zijn. Op zondag gaan we naar de kerk, we krijgen er een kopje koffie bij, en een koekje niet te vergeten, en we praten gezellig na. In de middag lezen we thuis een boekje, we doen een spelletje met een bakje chips erbij, of maken een mooie wandeling door de natuur. En door de week worden we in beslag genomen door onze dagelijkse beslommeringen, alhoewel we de dag afsluiten met een kop koffie of thee, gezellig op de bank. Is dat eens even Christen-zijn!

Maar er is toch een Bijbeltekst die dat eigenlijk ook zegt? Dat wij als Christenen “een gerust en stil leven leiden mogen”? Ja, iets dergelijks staat inderdaad geschreven. In 1 Tim. 2 : 1 – 3 lezen we namelijk: “IK vermaan dan vóór alle dingen, dat gedaan worden smekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen voor alle mensen, Voor koningen en allen die in hoogheid zijn, opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid. Want dat is goed en aangenaam voor God onzen Zaligmaker”.


Hebben wij de belofte van een gerust en stil leven?

De genoemde teksten zijn veelal een eigen leven gaan leiden. Als wij bidden voor onze leiders, hebben wij dan de belofte dat wij een gerust en stil leven mogen lijden…? Want dat is wat er nog weleens beweerd wordt. Ik kwam een artikel, overigens uit 2011, tegen, waarin ik las:

“In De Banier is door ds. Van Heteren aandacht besteed aan het feit dat de Nederlandse Geloofsbelijdenis al 450 jaar bestaat. In artikel 36 van dit belijdenisgeschrift is het laatste gedeelte geciteerd van 1 Timotheüs 2 vers 2: “Opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid.” (…) Hier vinden we de taak van de overheid in het licht van de Tien Geboden helder aangegeven. Gods dienares, ons ten goede. Maar er ligt ook een opdracht: de apostel wekt ook nadrukkelijk, zonder onderscheid, op tot voorbede voor alle gezagsdragers in het publieke domein. Een stil en gerust leven naar Gods Woord komt steeds meer onder spanning te staan. (…) Een stil en gerust leven in alle godzaligheid en eerbaarheid, hoe lang nog?” [1].

De overheid zou ons als Christenen dus een stil en gerust leven moeten geven… Ik las zelfs in een commentaar dat het

“toppunt der wensen van een Christen is een goed en stil leven te leiden en in nederigen staat onaangevochten door de wereld te gaan” [2].

Natuurlijk is dat een wens van een Christen in deze westerse wereld, die nog nooit op tegenstand is gestuit. Maar is het niet de Heere Die in Zijn Woord zegt: “En ook allen die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden” (2 Tim. 3 : 12). Of is het niet de Heere, Die zegt: “Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon dien Hij aanneemt” (Hebr. 12 : 6). Op deze vorm van lijden zullen wij in volgende studies nog terugkomen. Maar moet het onze grootste wens zijn om “onaangevochten door de wereld te gaan”? Terwijl de Heere zegt dat Hij ons kastijdt als Hij ons liefheeft, ja, een ieder die Hij aanneemt die geselt Hij. Geseling is op het moment zelf niet leuk, maar op het moment dat we door verzoekingen heengaan, mogen we wel weten dat de Heere ons vormt (Hebr. 12 : 10) omdat we Zijn kind zijn. Eigenlijk zouden we Hem moeten danken als we met aanvechtingen te maken krijgen. In de redenatie in dat citaat klopt dus iets niet.

In het geciteerde artikel signaleert men in ieder geval dat “een stil en gerust leven” heden ten dage geen vanzelfsprekendheid meer is. Maar is het ook de taak van de Overheid? En is het zo, dat als wij bidden dat we ook een stil en gerust leven krijgen? Is dat “stille en geruste leven” een doel? Zodat wij naar de kerk kunnen, en rustig onder genot van allerlei lekkers over de dingen van de Heere kunnen praten...? Ik denk dat we ons moeten realiseren dat de apostelen met veel lijden te maken hadden, zelfs tot de dood erop volgde. In de vorige studie hebben we bijvoorbeeld stilgestaan bij het lijden van de apostel Paulus. De apostelen kenden dat luxe leventje, wat wij kennen, niet. Sterker nog, toen 1 Timótheüs geschreven werd, was keizer Nero aan de macht [3], en we weten wat hij, maar ook diverse keizers na hem, allemaal uitgespookt hebben.


“...wij bidden van Christuswege: Laat u met God verzoenen”

Wat blijkt: een “gerust en stil leven” is geen doel op zich! Waarom zou de Heere ons ons een gerust en stil leven geven? De context van 1 Tim. 2 : 2 maakt dat duidelijk. De reden is dat wij dan de kans krijgen om Zijn Woord uit te dragen. In 1 Tim. 2 : 3 en 4 lezen we bijvoorbeeld: “Want dat is goed en aangenaam voor God onzen Zaligmaker, [Wat? Dat wij “godzalig” koffie kunnen drinken na een preek? Nee, vers 4 gaat verder met:] Welke wil dat alle mensen zalig worden en tot kennis der waarheid komen”. En daar hebben we het doel van ons gebed voor een rustig leven. Als de Christen een stil en gerust leven krijgt, dan krijgt hij de kans om Zijn geloof uit te dragen, om Gods Woord uit te dragen, zodat anderen “zalig” kunnen worden “en tot kennis der waarheid” kunnen “komen”.

En dan gaat 1 Tim. 2 : 5 verder: “Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus”. Er is dus maar één Persoon Die ons bij God de Vader kan brengen, en dat is Jezus Christus. En dat getuigenis moet gebracht worden. 1 Tim. 2 : 6 zegt: “Die Zichzelven gegeven heeft tot een rantsoen voor allen, zijnde de getuigenis te zijner tijd”. Dát is de getuigenis die moet klinken. En dan zegt Paulus in 1 Tim. 2 : 7: “Waartoe ik gesteld ben een prediker en apostel...”. Nu zijn we wel niet allemaal een prediker, en apostelen zijn er vandaag de dag niet. Maar we hebben wel allemaal de oproep in Gods Woord om gezanten van Christus te zijn (2 Kor. 5 : 20). Wij mogen allemaal de mensen toeroepen: “...wij bidden van Christuswege: Laat u met God verzoenen”! Maar doen wij dat ook? Vaak vinden we het moeilijk om uitgelachen te worden. En we worden in een wereld opgevoed waarin je elkaar met rust laat, waarin je elkaar in elkaars waarden laat, want ik heb mijn waarheid, en hij heeft zijn waarheid. Van nature ben ik bijvoorbeeld een heel stil type, dus iemand actief benaderen, dat doe ik niet zo snel. Maar ik denk dat ik daar niet de enige in ben… Maar het “mijn waarheid” en “zijn waarheid” verhaal daar kunnen we niet zoveel mee, want Jezus Christus zegt: “...Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader dan door Mij” (Joh. 14 : 6). Er is maar één Weg om bij de Vader te komen. En dát is de Waarheid. En de Heere vraagt dat wij daarvan getuigen. En als wij getuigen, dan dringen we niemand iets op… Mensen moeten de Heere zelf aannemen, dat kunnen wij niet voor ze doen. Maar we kunnen wel Gods Woord doorgeven en vertellen dat de Heere Zijn Reddende hand naar ons mensen heeft uitgestoken… De vraag die ik mijzelf dus moet stellen, die een ieder van ons zichzelf moet stellen: Doen wij iets met die oproep? Gebruiken wij de rust en de stilheid die de Heere ons gegeven heeft, om een ander te bereiken met Zijn Boodschap? Leggen wij daar getuigenis van af? In 1 Tim. 6 : 11 en 12 lezen we: “Maar gij, o mens Gods, vlied deze dingen, en jaag na gerechtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, lijdzaamheid, zachtmoedigheid. Strijd den goeden strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen”.


Het gevaar van rijkdom en rust

Maar… is het een wonder dat we in onze zogenaamd “rustige en stille”, en rijke, Westerse wereld een tijd van “afval van geloof” beleven? Gods Woord wordt nauwelijks meer gehoord, en daar waar mensen proberen Gods Woord te laten horen, daar wordt men al gauw uitgelachen. Nee, de Heere waarschuwde er reeds in Zijn Woord voor. Want hoe rijker men is, hoe minder men verlangt naar het Woord van God. Men heeft alles, men heeft God niet nodig, denkt men. We zien het om ons heen gebeuren: mensen hebben meerdere auto’s voor de deur staan, sommigen hebben een extra vakantiehuis, misschien wel in het buitenland, mensen vliegen van de ene kant van de wereld naar de andere kant van de wereld, en dat een aantal malen per jaar. Ze leven van het ene feestje naar het andere feestje. En als er iets is, dan hebben ze geld om het probleem op te lossen. “Hoezo geloven in God? Dat is voor domme mensen. Wij helpen onszelf!” In 1 Tim. 6 : 9 en 10 lezen we: “Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang. Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelven met vele smarten doorstoken”. Hier zien we hoe de Heere het gevaar van rijkdom verwoordt. Het gaat hier niet alleen om ongelovigen, maar juist ook om mensen die geloven, en door de rijkdom van het geloof afdwalen, afvallen. De weg kwijt raken. Deze eindtijd is daar een duidelijk voorbeeld van, en het is niet voor niets dat de Heere Jezus heeft uitgesproken: “En wederom zeg Ik u: Het is lichter dat een kemel gaat door het oog van een naald, dan dat een rijke ingaat in het Koninkrijk Gods” (Matth. 19 : 24).


Rust en rijkdom in dienst van de Heere God

Mogen we dan niet rijk zijn? Ja hoor, kijk maar wat 1 Tim. 6 : 17 zegt: “Beveel den rijken in deze tegenwoordige wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hun hoop stellen op de ongestadigheid des rijkdoms, maar op den levenden God, Die ons alle dingen rijkelijk verleent om te genieten”. Men mag zelfs van de rijkdom genieten. Maar zegt 1 Tim. 6 : 18: “Dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, gaarne mededelende zijn en gemeenzaam”. Men mag ervan genieten, maar wordt opgeroepen om de rijkdom te gebruiken om “rijk” te “worden in goede werken”. En dan gaat het er niet om te laten zien hoe goed men zelf wel is of om behouden te worden. Nee, de brieven aan de Gemeente laten zien dat de Heere werken heeft voorbereid voor de gelovige om daarin te wandelen. In Ef. 2 : 10 staat geschreven: “Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen”. Dus laten we ons hart niet op onze rijkdom zetten. Want de rijkdom is ongestadig, het is onzeker. Vandaag lopen de zaken goed, volgende maand kan het bedrijf failliet gaan. Daarom moeten we vertrouwen op de Heere God, Die leeft, en mogen we onze rijkdom, maar ook de rust en stilte waarin wij leven, op de één of andere manier in dienst stellen van de Heere God, zodat Zijn Woord in deze wereld gehoord mag worden. Want dan pas zullen die werken voor de rechterstoel van Christus blijven bestaan en loon opleveren, zoals ook 1 Tim. 6 : 19 aangeeft, door te spreken over het wegleggen van een schat (vgl. KJV). Zo mogen wij van alles genieten, zolang het de Heere groot maakt. 1 Kor. 6 : 20 zegt: “Want gij zijt duur gekocht; zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn”. Dat is in ieder geval wel de reden waarom de Heere de apostel Paulus, nota bene, in een tijd van vervolging de mensen liet oproepen om te bidden voor de overheid, zodat er rust en stilte zou zijn.


Tegenstand

Maar wanneer u ervoor kiest om de rust en stilte inderdaad in te zetten voor de Heere, door op de één of andere manier van Hem te getuigen, dan kunt u er vanuit gaan dat u op tegenstand zult stuiten. U kunt bijvoorbeeld worden uitgelachen. En is het vreemd dat dat gebeurt? Nee, eigenlijk niet. In Joh. 15 : 19 – 21 zegt de Heere Jezus: “Indien gij van de wereld waart, zo zou de wereld het hare liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld. Gedenkt het woord dat Ik u gezegd heb: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren. Maar al deze dingen zullen zij u doen om Mijns Naams wil, omdat zij Hem niet kennen Die Mij gezonden heeft”. Het is dus niet zo vreemd als de gelovige ontdekt dat er geen klik is met de wereld. Het is zelfs niet zo vreemd als de gelovige wordt uitgelachen. De wereld haat kinderen van God. Dat is wat de Bijbel zegt.


Weest voorbereid

En zo gebeurt het zelfs in deze tegenwoordige wereld, dat als mensen vasthouden aan Bijbelse principes, dat zij ontslagen worden, omdat de Bijbelse principes niet meer getolereerd worden in deze wereld. Wij zijn dit in ons zogenaamde Christelijke Nederland eigenlijk niet gewend. Maar Gods Woord is dusdanig de rug toe gekeerd, zelfs onder zogenaamde Christenen, dat er een haat aan het ontstaan is tegen mensen die zich echt aan Gods Woord willen vasthouden. Het is al een tijdje te merken dat men in bepaalde media mensen die, zoals men zegt, “fundamentalistisch” Christen zijn, over één kam scheert met fundamentalistische Moslims. De Heere zegt in Zijn Woord dat we er niet van moeten schrikken als deze dingen gebeuren. In Filip. 1 : 27 – 30 lezen we: “Alleenlijk wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus, opdat hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uw zaken moge horen, dat gij staat in één geest, met één gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof des Evangelies; En dat gij in geen ding verschrikt wordt van degenen die tegenstaan; hetwelk hun wel een bewijs is des verderfs, maar u der zaligheid, en dat van God. Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden”. Wij moeten dus niet schrikken als mensen tegenstaan. We moeten er eigenlijk op voorbereid zijn dat dit gebeurt.


Alles in het werk gesteld om het getuigenis te doven

En zo gebeurt het, dat als een Bijbelgelovige iets zegt over Gods Woord, dat de Bijbelgelovige niet begrepen wordt. Ja, men wil de Bijbelgelovige monddood maken. Waarom? Omdat de Bijbelgelovige niet meegaat in het getwijfel van het naam-Christendom, maar vasthoudt aan Gods Woord. We hebben het over Christenvervolging gehad. Weet u dat de Rooms-katholieke Kerk mensen, die van de Heere en Zijn Woord getuigden, nota bene tijdens hun executie, letterlijk monddood maakte? Waarom? Omdat Christenen vaak tijdens een executie, dat vaak in het openbaar gebeurde, nog getuigden van hun Heere en Heiland. En dat wilde men stoppen. In de vorige studie is het getuigenis van Anneken Hendriks aangehaald. Haar werd de mond gevuld met buskruit. Zo zijn er getuigenissen bekend waarin mensen een tongklem ingeschroeft kregen, zodat zij tijdens de executie niet konden getuigen van hun Heere [4]. Zie ook de afbeelding hieronder [5]. Ze mochten niet verder getuigen…

John Bret krijgt de tongklem ingeschroeft - 1576. Bron: ‘The Bloody Theater or Martyrs Mirror of the Denfenseless Christians’, Thieleman J. van Braght, Herald Press, Scottdale/Waterloo, Pennsylvania/Ontario, USA, 1886, 1999, blz. 1038.

Maar hoe wordt er geprobeerd om ons monddood te maken dan? Het gebeurt dat mensen met u praten over Gods Woord, en dat ze dan opeens beginnen met zinnen als: “Maar van WIE heb je dat dan?” Alsof het ertoe doet wie er iets gezegd heeft… Als de Bijbel de bron is… Wij mogen overigens mensen volgen IN CHRISTUS, net zoals wij opgeroepen worden om de apostel Paulus te volgen IN CHRISTUS (1 Kor. 11 : 1). Dat maakt ons geen mensenvolgers, zolang wij maar weten dat wat er gezegd wordt inderdaad te staven is aan Gods Woord. Zo is in één van de getuigenissen in “Martyrs Mirror” te lezen dat een dergelijke reden ook de Christenen in de Middeleeuwen voor de voeten geworpen werd. Hier een citaat waarin “Jacob de Keersgieter” in Brugge (1569) verhoord werd:

“Is dat waar? En noem jij onze moeder, de heilige Roomse kerk, de hoer van Babylon? En noem jij jouw helse, duivelse secte van de Anabaptisten de leden of de ware kerk van Christus? Eh! Hoor deze fijne jongen eens. Wie heeft jou dat geleerd? Die vervloekte Menno Simons zeker” [6].

Let op het antwoord dat Jacob de Keersgieter gaf:

“Sorry, maar u spreekt zeer zondig. Het was niet nodig dat Menno Simons ons geleerd heeft dat de Roomse kerk de hoer van Babylon is, aangezien Johannes ons hiervan genoeg leert in Openbaring, in de hoofdstukken 14, 16, 17 en 18” [7].

Dit komen we ook vandaag de dag tegen. Een Bijbelgelovige wordt soms soms belachelijk gemaakt omdat hij of zij een mensen-volger zou zijn. Besef dan dat de meeste theologen in principe napraters zijn, omdat zij in hun opleiding nagenoeg allemaal gevormd zijn door de Schriftkritiek, en de leer die daar omheen ontstaan is. En wat is het dan mooi als de Bijbelgelovige zich gesteund mag weten door het Woord van God Zelf!

Een ander voorbeeld maakte ik via de mail mee. Een professor liet zich voorstaan op zoveel titels te hebben op basis van de studie van het Oude Testament en de Hebreeuwse taal. En eigenlijk werd het min of meer letterlijk gezegd: “Ik heb mijn titels gebruikt, zodat jij je wat voorzichtiger gaat uitdrukken...”. Maar als we Gods Woord kennen, dan hoeven we ons de mond niet te laten snoeren… Zo begon deze professor op een gegeven moment over de Midrasj en dat de Joden zouden weten dat er zoveel lagen in de Hebreeuwse tekst zitten, waardoor wij niet zouden kunnen spreken over het bezitten van Gods Woord. Maar hoe mooi is het dan om aan te kunnen geven dat de Joden dat wel kunnen zeggen, maar dat de vertaling van de Hebreeuwse tekst, zoals de Heere die in bijvoorbeeld de StatenBijbel en de King James 1611 bewaard heeft, letterlijk uitkomt. De Heere Jezus is bijvoorbeeld, om maar één van de vele Oudtestamentische profetieën te nemen, letterlijk in Bethlehem geboren (Micha 5 : 1). Dat is letterlijk in vervulling gegaan. En zo zijn er vele voorbeelden meer. Er zitten helemaal niet zoveel lagen in de Bijbeltekst, maar de Joden hebben een systeem van redeneren opgezet waardoor zij de Messias verworpen hebben, en nog steeds niet aangenomen hebben. Hun uitleg (bijv. de Midrasj) leidt dus niet tot de juiste Bijbeluitleg. De Bijbel zegt dat de Joden eens achter de waarheid zullen komen, en dan zullen zij zich bekeren. Hoe triest is het dat mensen, zoals die professor, die zeggen heel veel te weten, eigenlijk niets weten, maar dat zij de Bijbelgelovige het liefst zouden willen laten zwijgen...


Loon en kroon

En zo zijn er misschien nog wel meer situaties te bedenken als voorbeeld. Misschien dat u nog wel andere voorbeelden kent. Maar wanneer u dan, onder gelach, onder indoctrinatie, of onder ontslag o.i.d. standhoudt, dan zal de Heere u belonen met de kroon des levens in de eeuwigheid. Dat is wat Gods Woord laat zien.



[1]  ‘Een stil en gerust leven?’ M.F. van Leeuwen, De Banier, 25-11-2011, bron: www.digibron.nl.
[2]  ‘Matthew Henry’s Commentaar op de Bijbel’, Online Bijbel DeLuxe 2001. Importantia Publishing, 2000, toelichting bij 1 Tim. 2 : 1.
[3]  ‘Bijbel met uitleg’, Uitgeverij De Banier, Apeldoorn, 2015, blz. 1853, 1854 .
[4]  ‘The Bloody Theater or Martyrs Mirror of the Denfenseless Christians’, Thieleman J. van Braght, Herald Press, Scottdale/Waterloo, Pennsylvania/Ontario, USA, 1886, 1999, blz. 980. (De eerste Nederlandse uitgave was reeds in 1660).
[5]  ‘The Bloody Theater or Martyrs Mirror of the Denfenseless Christians’, Thieleman J. van Braght, Herald Press, Scottdale/Waterloo, Pennsylvania/Ontario, USA, 1886, 1999, blz. 1038. (De eerste Nederlandse uitgave was reeds in 1660).
[6]  ‘The Bloody Theater or Martyrs Mirror of the Denfenseless Christians’, Thieleman J. van Braght, Herald Press, Scottdale/Waterloo, Pennsylvania/Ontario, USA, 1886, 1999, blz. 775. (De eerste Nederlandse uitgave was reeds in 1660).
[7]  ‘The Bloody Theater or Martyrs Mirror of the Denfenseless Christians’, Thieleman J. van Braght, Herald Press, Scottdale/Waterloo, Pennsylvania/Ontario, USA, 1886, 1999, blz. 775. (De eerste Nederlandse uitgave was reeds in 1660).