Blue Flower

“Die hem nu weerhoudt”



Inleiding

In de studie “De afval van het geloof” wordt op basis van 2 Thess. 2 : 3 aangegeven dat wij als Gemeente nog zullen weten wie de antichrist is, als één van de twee voorwaarden voordat “de dag van Christus”, “onze toevergadering tot Hem” zal plaatsvinden (2 Thess. 2 : 1, 2). Maar… 2 Thess. 2 : 7 en 8 laten toch zien dat de Gemeente weg is voordat de antichrist geopenbaard wordt? Hoe zit dat? In deze studie willen we nader ingaan op 2 Thess. 2 : 1 – 12.


De toekomst van onze Heere Jezus Christus

In 2 Thess. 2 : 1 lezen we: “En wij bidden u, broeders, door de toekomst van onze Heere Jezus Christus, en onze toevergadering tot Hem”. De KJV1611 spreekt hier over “the coming of our Lord”. Slaat dit op de Tweede Komst, of op de Opname van de Gemeente? Wanneer we kijken naar de context dan zou u kunnen denken dat dit slaat op de Tweede Komst. Kijkt u maar in vers 8. Daar is de “verschijning Zijner toekomst” toch echt de Tweede Komst, omdat bij die Komst afgerekend wordt met het beest, de antichrist (Openb. 19 : 20). Maar… in 1 Thess. 4 : 15 wordt ook gesproken over de “toekomst des Heeren”, en in de KJV1611 over “the coming of the Lord”, terwijl het daar over de Gemeente gaat die opgenomen wordt (1 Thess. 4 : 17). Het gaat over hen die levend overblijven tot de komst des Heeren. Voor de Gemeente is dat natuurlijk niet de Tweede Komst, maar de Opname van de Gemeente! Eigenlijk spreekt Paulus de Thessalonicenzen hier aan op het feit dat de (toe)komst van de Heere Jezus, en die start voor de Gemeente met “onze toevergadering tot Hem” nog niet is begonnen. En in de rest van de verzen in 2 Thess. 2 ontwikkelt zich dat tot zelfs de Tweede Komst (zie bijv. vers 8), want ook dát is de Dag van Christus, maar daar zullen we zo meer over zien.


De profetische dagen

In 2 Thess. 2 : 2 lezen we vervolgens: “Dat gij niet haastig bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief, als van ons geschreven, alsof de dag van Christus aanstaande was”. Mensen moeten dus niet schrikken, door wat dan ook niet, alsof de dag van Christus al aangebroken zou zijn. Het feit dat hier over de dag van Christus gesproken wordt, duidt erop dat we hier met de profetische dagen te maken hebben. We kennen de uitspraak van de Heere in 2 Petr. 3 : 8: “Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat één dag bij de Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als één dag”. Als we dan denken aan de profetie die Hosea over Israël uitspreekt, dan weten we inderdaad dat een profetische dag bij de Heere staat voor duizend jaar. In Hosea 6 : 2 lezen we: “Hij zal ons na twee dagen levend maken; op de derde dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven”. Dit gaat over de twee dagen, de twee duizend jaar, die Israël in verstrooiing heeft geleefd, en dat zij na die twee dagen, op de derde dag, weer zal verrijzen. Nu, Israël is er weer, maar nog niet levend voor de Heere. Dat zal, gezien de tekenen der tijden, niet heel lang meer duren. Die derde dag zal dus ook duizend jaar duren. En daar hebben we dan het Duizendjarig Vrederijk van Openb. 20. In Openb. 20 : 6 lezen we bijvoorbeeld: “Zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over deze heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen heersen duizend jaren”. Dat zal dus gewoon letterlijk duizend jaar zijn, exact zoals aangegeven in een aantal verzen in Openb. 20!


De Dag des Heeren

Uit het Oude Testament kennen we met name de titel “de dag des Heeren”. En als we in het Oude Testament gaan zoeken, dan komen we erachter dat deze dag begint met de Grote Verdrukking. In Jes. 2 : 6, 11, 12, 17 – 21 lezen we bijvoorbeeld: “Maar Gij hebt Uw volk, het huis van Jakob, verlaten, want zij zijn vervuld met goddeloosheid, meer dan het oosten, en zij zijn wichelaars gelijk de Filistijnen, en aan de kinderen der vreemden tonen zij hun behagen. (…) De hoge ogen der mensen zullen vernederd worden, en de hoogheid der mannen zal neergebogen worden; en de HEERE alleen zal in die dag verheven zijn. Want de dag van de HEERE der heerscharen zal zijn tegen elke hovaardige en hoge, en tegen elke verhevene, opdat hij vernederd worde; (…) En de hoogheid der mensen zal gebogen, en de hoogheid der mannen zal vernederd worden; en de HEERE alleen zal in die dag verheven zijn. En elkeen der afgoden zal volkomen vergaan. Dan zullen zij in de spelonken der rotsstenen gaan, en in de holen der aarde, vanwege de schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid van Zijn majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde te verschrikken. In die dag zal de mens zijn zilveren afgoden, en zijn gouden afgoden, welke zij zich gemaakt hadden, om zich daarvoor neer te buigen, wegwerpen voor de mollen en de vleermuizen; Gaande in de spleten der rotsen, en in de kloven der steenrotsen, vanwege de schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid van Zijn majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde geweldig te verschrikken.” In Jes. 2 : 6 hebben we gelezen dat de Heere Israël verlaten heeft. De Grote Verdrukking staat dan ook vaak bekend als “een tijd van benauwdheid voor Jakob”. Dat staat overigens ook zo in Gods Woord geschreven. In Jer. 30 : 7 lezen we: “O wee! want die dag is zo groot, dat zijns gelijke niet geweest is; en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob; nog zal hij daaruit verlost worden”. Maar de Grote Verdrukking gaat beslist niet alleen Israël aan. De Grote Verdrukking is evenzogoed Gods toorn over de afgoderij van de heidenen en over de afval van het geloof in de Gemeente-bedeling! Gods toorn zal alle volken treffen. In Jes. 13 : 9 – 11 lezen we bijvoorbeeld: “Ziet, de dag des HEEREN komt, gruwelijk, met verbolgenheid en hittige toorn, om het land te stellen tot verwoesting, en zijn zondaars daaruit te verdelgen. Want de sterren van de hemel en zijn gesternten zullen haar licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden, wanneer zij zal opgaan, en de maan zal haar licht niet laten schijnen. Want Ik zal over de wereld de boosheid bezoeken, en over de goddelozen hun ongerechtigheid; en Ik zal de hoogmoed der trotsen doen ophouden, en de hovaardij der tirannen zal Ik vernederen”. Kortom Gods toorn zal over de hele wereld gaan. We zien in de profeten wel vaker dat de dag des Heeren begint met verschrikking, duisternis en ellende, en dat het vervolgens overgaat in de komst van de Heere, Die zal regeren. Hetzelfde vinden we bijvoorbeeld in Joël 1 en 2. Joël begint met de beschrijving van de dag des Heeren, die zal zijn als “een verwoesting van de Almachtige” (Joël 1 : 15). Maar het eindigt met de bekering van Israël, waarbij de Heere Jezus als “Leraar ter gerechtigheid” zal komen (Joël 2 : 18 – 32). En uiteindelijk zegt Joël 3 : 17 en 18 dan: “En gij zult weten, dat Ik de Heere, uw God ben, wonende op Sion, de berg Mijner heiligheid; en Jeruzalem zal een heiligheid zijn, en vreemden zullen er niet meer door heen gaan. En het zal te dien dage geschieden dat de bergen van zoete wijn zullen druipen, en de heuvels van melk vlieten, en alle stromen van Juda vol van water gaan; en er zal een fontein uit het huis des Heeren uitgaan, en zal het dal van Sittim bevloeien”. Dat is dus de dag des Heeren: de Grote Verdrukking en het Duizendjarig Vrederijk!


De Dag van Christus

Maar in 2 Thess. 2 : 2 is sprake van “de dag van Christus”! Over het algemeen zien we dat de theologen van de nieuwe vertalingen de Heere een handje willen helpen, en zij veranderen “de dag van Christus” dan ook in “de dag des Heeren”. De NBG-’51 heeft in dit vers staan: “dat gij niet spoedig uw bezinning verliest of in onrust verkeert, hetzij door een geestesuiting, hetzij door een prediking, hetzij door een brief, die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag des Heren reeds aanbrak”. Hetzelfde zien we in bijvoorbeeld de NBV gebeuren. Deze aanpassing is gedaan aan de hand van de Westcott en Hort Griekse tekst, oftewel een aanpassing op basis van de handschriften uit Alexandrië, waar men de Schrift heeft willen vermengen met heidense filosofie. Als voorbeeld van het effect van deze filosofisch aangepaste handschriften hebben we onder andere gezien hoe de Naam van de Heere Jezus Christus in de nieuwe vertalingen aangetast wordt. Eigenlijk is deze tekst, 2 Thess. 2 : 2,  een bewijs dat daar waar het Oude Testament spreekt over “de dag des Heeren”, het Nieuwe Testament spreekt over “de dag van Christus”. Eigenlijk wordt daarmee opnieuw aangetoond dat Jezus Christus God is! Hij is Dezelfde als de God van het Oude Testament!

Maar daar is niet alles mee gezegd… Zoals de Gemeente in het Oude Testament een verborgenheid was (Ef. 3 : 1 – 6), die geopenbaard is in de brieven aan de Gemeente, zo openbaart “de dag van Christus” extra details over “de dag des Heeren”! Daar waar de dag des Heeren de nadruk legt op de Grote Verdrukking gevolgd door het Koninkrijk, daar legt de dag van Christus de nadruk op de Opname van de Gemeente, de Rechterstoel van Christus, gevolgd door het Koninkrijk. Hebben we daar voorbeelden van in de Schrift? Jazeker, laten we er een aantal opzoeken. In 1 Kor. 1 : 7, 8 lezen we bijvoorbeeld: “Alzo dat het u aan geen gave ontbreekt, verwachtende de openbaring van onze Heere Jezus Christus. Welke God u ook zal bevestigen tot het einde toe, om onbestraffelijk te zijn in de dag van onze Heere Jezus Christus”. Voor de Gemeente is dat de Opname, zoals we eerder in deze studie zagen dat de toekomst van de Heere Jezus voor de Gemeente begint met “onze toevergadering tot Hem” (1 Thess. 4 : 15 – 17; 2 Thess. 2 : 1), niet iets wat met grote kracht en heerlijkheid gebeurt (Matth. 24 : 30), maar in een ogenblik (1 Kor. 15 : 51, 52). Zo lezen we in 2 Kor. 1 : 14 het volgende: “Gelijk gij ook ten dele ons erkend hebt, dat wij uw roem zijn, gelijk gij ook de onze zijt, in de dag van de Heere Jezus”. Dit gaat dus over de beloning die Paulus ontvangt voor de Rechterstoel van Christus (1 Kor. 3 : 13 – 15; 2 Kor. 5 : 10), omdat mensen door zijn getuigenis zijn gaan geloven (zie ook Filip. 2 : 16). “De dag van Christus” laat in de brieven aan de Gemeente dus die aspecten van de toekomst van de Heere zien, die onder het Oude Verbond nog verborgen waren!


Voorwaarden voor de Opname

En dan lezen we dat 2 Thess. 2 : 3 het volgende zegt: “Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs;” In dit vers worden dus twee voorwaarden gegeven voordat de “dag van Christus” kan plaatsvinden. De ene voorwaarde is wel duidelijk, daar hebben we in een andere studie uitgebreid bij stilgestaan, dat is de afval van het geloof. Maar hier staat blijkbaar nog een voorwaarde, en dat is: “dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs”. Zoals gezegd, in de studie "De afval van het geloof" wordt op basis van deze tekst gezegd dat wij dus zullen weten wie de antichrist is, voordat de Heere ons thuishaalt. Maar hoe zit dat dan met 2 Thess. 2 : 6 en 7? Dat zijn twee best hele moeilijke verzen. Met name omdat daar al een soort standaard “Evangelische leer” omheen bestaat, waarvan ik de uitleg wel kende, maar de Schriftuurlijke onderbouwing niet. Maar ook omdat ik wist dat er met name in “eigen kring” (de Bijbelgelovigen, hen die (net als wij) geloven dat de Heere Zijn Woord in de Reformatietekst bewaard heeft) een andere uitleg bestaat. Alleen die uitleg kon ik niet geheel volgen… In eerste instantie heb ik dat laten rusten. Totdat ik door een vraag geconfronteerd werd met het feit dat “mijn uitspraak” (ondanks dat het de letterlijke tekst volgt) over 2 Thess. 2 : 3 de context zou tegenspreken. Wat wil het geval? 2 Thess. 2 : 8 zegt: “En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, die de Heere verdelgen zal door de Geest Zijns monds, en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst”. Dat brengt ons meteen bij de “standaard uitleg” van 2 Thess. 2 : 7 (van vroeger uit bekend binnen veel Evangelische en Baptistische kringen), waarvan men beweert dat “Die hem nu weerhoudt, Die zal hem weerhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden” slaat op de Heilige Geest die de antichrist weerhoudt, en Die met de Opname van de Gemeente van de aarde zal verdwijnen. En dan, is de gedachtegang, kan de antichrist zijn gang gaan. Als dit de Opname is, dan staat er in 2 Thess. 2 : 8 dus dat “alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden”… Maar dan klopt de conclusie in 2 Thess. 2 : 3 niet dat wij vóór de dag van Christus, die begint met de Opname, weten wie de antichrist zal zijn…

De vraag is dus: Hoe zit dat?!


De “standaard uitleg”

Allereerst de vraag: Gaat het bij “totdat hij uit het midden zal weggedaan worden” om de Heilige Geest, Die, als Persoon (“hij”) in de Gemeente, weggaat, omdat de Gemeente opgenomen wordt? Dit is wel wat er veelal geleerd wordt. In de “Scofield Studiebijbel” lezen we daarover:

“De weerhouder is een persoon – “hij”, en omdat de “verborgenheid” altijd een bovennatuurlijk element (Matth. 13 : 11, notitie) impliceert, kan deze Persoon niemand anders dan de Heilige Geest in de Gemeente zijn, die uit het midden weggenomen wordt (v. 7; 1 Thess. 4 : 16 – 17)” [1].

In de eerste plaats geven de genoemde Schriftplaatsen in het citaat geen duidelijkheid over het feit dat de persoon de Heilige Geest moet zijn. In eerste instantie niet een bewijs voor het veronderstelde feit dat de Heilige Geest de weerhouder is, en ook geen bewijs voor het veronderstelde feit dat de Heilige Geest met de Gemeente opgenomen wordt: Vers 7 is het gedeelte over de weerhouder zelf, zonder dat de Heilige Geest genoemd wordt. 1 Thess. 4 : 16 – 17 gaat over de Opname, maar noemt de Heilige Geest of een weerhouder niet. En Matth. 13 : 11 wordt genoemd in verband met de aantekening over het bovennatuurlijke element. In de genoemde notitie bij dat vers wordt een verborgenheid door de “Scofield Studiebijbel” als volgt omschreven:

“een voorheen verborgen waarheid, nu goddelijk geopenbaard, maar waarin een bovennatuurlijk element ondanks de openbaring nog steeds aanwezig is” [2].

Maar hoe vaag is deze omschrijving. Eigenlijk zegt het dat de Heere dus niet alles openbaart… En dat kan op zich kloppen, want wij zien, zegt Gods Woord, nog steeds “door een spiegel in een duistere rede” (1 Kor. 13 : 12). Maar dat neemt niet weg dat Gods Woord vast is en niet van eigen uitlegging (2 Petr. 1 : 19, 20). Dat betekent dat wat de Heere wil dat wij weten, dat Hij ons dat geopenbaard heeft… En daar is dan niets verborgens meer aan… Tenzij er bepaalde facetten zijn, waarvan Hij ons nog niet op de hoogte brengt. Maar dat is dan ook nog niet geopenbaard! Als voorbeeld haalt Scofield onder andere de verborgenheid van Israëls verblindheid aan (Rom. 11 : 25), of de verborgenheid van de Gemeente bestaande uit Jood en heiden (Ef. 3 : 1 – 11; Rom. 16 : 25; Ef. 6 : 19; Kol. 4 : 3) [3]. Maar wat is daar nog voor een bovennatuurlijk element verborgen aan? Bijna alle teksten spreken met soortgelijke woorden over “de verborgenheid (…) bekend te maken” (Ef. 6 : 19). Het is juist geen verborgenheid meer! Maar hier zien we hoe de Theologie gewend is om verborgenheden in de tekst te houden, want dan kan men er zelf iets van maken….


De Heilige Geest is alomtegenwoordig!

Er is dus eigenlijk geen enkel bewijs dat de Heilige Geest uit het midden weggedaan wordt met de Opname… Vervolgens kan men daar dan nog de vraag bij stellen: Is de Heilige Geest dan voor altijd aan de Gemeente verbonden…? In die zin: als de Gemeente weg is, is dan ook de Heilige Geest per definitie weg van de aarde? Is het niet zo dat de Heere God alomtegenwoordig is? Hij is toch overal? De Heere God is zelfs in de hel! In Psalm 139 : 7 en 8 lezen we over Gods alomtegenwoordigheid: “Waar zou ik heengaan voor Uw Geest, en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht? Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar”. En dat is nogal wat… Maar dat de Heere God zelfs in de hel is, betekent geenszins dat de duivel daar niet kan zijn! Want de hel is juist gemaakt voor de duivel en zijn engelen (Matth. 25 : 41). Weliswaar is het lichaam van de wederom geboren gelovige een tempel van de Heilige Geest, omdat de Heere in ons wil wonen, en door ons heen wil werken (1 Kor. 6 : 19), maar dat betekent niet dat de Heilige Geest buiten ons (de Gemeente) niet op aarde aanwezig kan zijn. Zoals Hij in het Oude Testament óók in mensen was (zie bijv. Ex. 31 : 3), alleen werden mensen toen niet verzegeld zoals in de Gemeente, zo zal Gods Geest ook in de Grote Verdrukking Zijn Werk doen! Een mooi voorbeeld daarvan vinden we in Openb. 11, waar we lezen over de twee getuigen Gods, Mozes en Elia, die in de Grote Verdrukking terug zullen komen naar de aarde. Zij zullen gedood worden (Openb. 11 : 7). En dan lezen we in Openb. 11 : 11 het volgende: “En na die drie en een halve dag, is een geest des levens uit God in hen gegaan en zij stonden op hun voeten; en er is grote vrees gevallen op degenen, die hen aanschouwden”. Hier lezen we hoe Gods Geest in de Grote Verdrukking op aarde aan het werk is… En ondanks dat krijgt de antichrist de gelegenheid zijn koninkrijk te stichten en zijn vernietigende werk te doen… Met andere woorden: dat de Heilige Geest weg moet zijn, voordat de antichrist zijn werk kan doen, is Bijbels gezien onjuist! Blijkbaar heeft men niet genoeg bewijsteksten voor de Opname van de Gemeente kunnen vinden, dat men deze tekst destijds als “bewijstekst” heeft genomen, echter wel ten koste van de rest van Gods Woord! En dat terwijl we vinden dat we “opgenomen” worden in 1 Thess. 4 : 17, dat we niet gesteld zijn tot toorn in 1 Thess. 1 : 10 en 5 : 9. Is dat geen bewijs genoeg dat de Gemeente niet door de Grote Verdrukking heen hoeft...?

Dan zijn er die zeggen: “Ja, maar de Heilige Geest is wel alomtegenwoordig, maar in de Gemeente gaat Hij van de aarde weg”. Maar die uitleg past ten enenmale niet in 2 Thess. 2 : 7: “Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt reeds gewerkt; alleen, Die hem nu weerhoudt, Die zal hem weerhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden”. Het gedeelte “totdat hij uit het midden zal weggedaan worden” kan niet op de Gemeente zelf slaan. Er is sprake van een “hij” en de Gemeente is namelijk altijd een zij. De Gemeente is of een reine maagd (2 Kor. 11 : 2), of wordt door de Heere vergeleken met een vrouw binnen het huwelijk (Ef. 5 : 23), of is de Vrouw des Lams (Openb. 19 : 7). De “hij” moet dan slaan op de Heilige Geest (wat men ook beweert), maar de Heilige Geest wordt volgens 2 Thess. 2 : 7 “uit het midden” weggedaan. Dat kan niet op de Gemeente slaan, want zij is verzegeld met de Heilige Geest (Ef. 4 : 30). Dat betekent dat “uit het midden”, alleen kan slaan op Zijn aanwezigheid in deze wereld… En daarvan hebben we nu juist gezien dat Gods Geest alomtegenwoordig is, en ook in de Grote Verdrukking Zijn werk op aarde zal doen. Hij gaat dus helemaal niet “uit het midden” van deze wereld weg. Nogmaals: er zijn genoeg teksten die de Opname van de Gemeente aantonen, maar niet 2 Thess. 2 : 7.


De mens der zonde, de zoon des verderfs

Maar hoe zien sommige auteurs uit “eigen kring”, Bijbelgelovigen, dit dan? Er zijn er die helaas gewoon o.a. Scofield volgen als het op 2 Thess. 2 : 6 en 7 aankomt [4]. Maar dit vers wordt door sommigen gelukkig anders uitgelegd, daarbij (meer) rechtdoend aan de context. Men wijst dan op het feit de Heilige Geest niet weggenomen wordt door de Opname van de Gemeente, omdat de Heilige Geest alomtegenwoordig is. Men geeft aan dat de “hij”, uit “totdat hij uit het midden zal weggedaan worden”, slaat op de “hij” uit “alzo dat hij in de tempel Gods als een God zal zitten” en “zichzelf vertonende, dat hij God is” en “opdat hij geopenbaard worde op zijn eigen tijd” (2 Thess. 2 : 3 – 6). Daar slaat de “hij” dus op de “mens der zonde” uit 2 Thess. 2 : 3. Dus waarom zou die “hij” in 2 Thess. 2 : 7 dan opeens de Heilige Geest zijn [5]? Wat men aangeeft is dat “totdat hij uit het midden zal weggedaan worden” slaat op “de mens der zonde” die weg moet zijn, wil “de zoons des verderfs” geopenbaard kunnen worden!

Punt is, dat deze twee titels, de mens der zonde en de zoon des verderfs,  beide over de antichrist gaan, alleen het laat de antichrist in een verschillend stadium zien. De antichrist zal namelijk eerst ten tonele verschijnen met het brengen van vrede, en zal dat doen met vleierijen. In Dan. 11 : 21 lezen we: “Daarna zal er een verachte in zijn staat staan, wie men de koninklijke waardigheid niet zal geven; doch hij zal in stilheid [KJV1611 zegt: vredig] komen, en het koninkrijk door vleierijen bemachtigen”. De context (zie bijv. Dan. 11 : 36) maakt duidelijk dat het hier om de antichrist gaat. En diezelfde context laat zien dat de antichrist zichzelf ook niet direct in de tempel zal zetten, daar gaat even overheen. Kijk maar wat er allemaal gebeurt tussen Dan. 11 : 21 en Dan. 11 : 36. Pas op de helft van de zeventigste jaarweek (de Grote Verdrukking) zal hij zich in de tempel zetten (Dan. 9 : 27), en godslateringen spreken (Openb. 13 : 5; 2 Thess. 2 : 4). Dit sluit overigens aan bij wat de Heere over de eerste ruiter van Openb. 6 laat zien [6], maar ook bij het feit dat hij eerst een verbond met Israël zal sluiten, maar dat verbond later verbreekt (Dan. 9 : 27).

In Openb. 13 : 3 lezen we: “En ik zag één van zijn hoofden als tot de dood gewond, en zijn dodelijke wond werd genezen; en de gehele aarde verwonderde zich achter het beest”. In de profeten lezen we dan ook dat de antichrist aan zijn rechteroog blind zal zijn (Zach. 11 : 17). De antichrist, de “mens der zonde” wordt dus dodelijk getroffen, waarvan hij geneest, al dan niet opstaat uit de dood. Dat is ook het moment dat de satan op aarde geworpen is en Israël zal gaan vluchten en door de Heere bewaard gaat worden (Openb. 12 : 9, 12, 13). Dat is het moment dat de duivel zelf bezit neemt van de antichrist, en er letterlijk sprake is van de vleesgeworden satan, de zoon des verderfs [7]. De “zoon des verderfs” verwijst ook naar de koning van de afgrond, die als naam Abaddon of Apollyon heeft (Openb. 9 : 11), hetgeen beiden “Verderver” betekent! Hetgeen tot uiting komt in het verderf dat deze persoon over de aarde gaat brengen.


De komma staat voor een tijdsperiode

Maar dat betekent dat de komma in het stukje “de mens der zonde, de zoon des verderfs” van 2 Thess. 2 : 3 staat voor een periode van 3,5 jaar! Kan dat? Is dat niet vreemd? Nee dat is helemaal niet vreemd, want in de Bijbel vinden we wel vaker dat een komma in een zin twee delen aan elkaar verbindt die in de geschiedenis verder uit elkaar liggen. Een voorbeeld: In Jes. 61 : 1 - 11 lezen we over de Heere Jezus. In eigen woorden: Over de Heere Jezus Die de Geest des Heeren draagt, Die een blijde boodschap brengt, Die zieken geneest, Die het Koninkrijk verkondigt (vers 1 en 2a), Die Sion troost en herstelt, en die Israël herbouwt (vers 2b - 11). Dit gaat over één Persoon, en toch knipt de Heere het Zelf net iets over het midden van vers 2 in tweeën. In Luk. 4 : 18 en 19 leest de Heere Jezus dit gedeelte voor, en wanneer Hij het eerste deel van vers 2 heeft voorgelezen, dan staat er in Luk. 4 : 20: "En toen Hij het boek toegedaan had, zat Hij neer; en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem geslagen. En Hij begon tot hen te zeggen: Heden is deze Schrift in uw oren vervuld". Heel Jes. 61 gaat over één Persoon, toch knipt de Heere het in tweeën, zelfs "midden" in vers 2. De komma in vers 2 staat in dit geval voor ongeveer 2000 jaar geschiedenis!

Een zelfde situatie zien we in Jes. 40 : 1 - 5, waar vers 1 en 2 gaan over het eind van de Grote Verdrukking, vers 3 gaat over de eerste komst van de Heere Jezus en vers 4 en 5 gaan over het Duizendjarig Vrederijk.

Nog zo'n mooi voorbeeld, waarbij een komma in één enkel vers een verschil van jaren maakt, is Gen. 49 : 11. Dit vers is (een deel van) de zegen van Jakob aan zijn zoon Juda: "Hij bindt zijn jonge ezel aan de wijnstok, en het veulen van zijn ezelin aan de edelste wijnstok; hij wast zijn kleed in de wijn, en zijn mantel in wijndruivenbloed". Wanneer u in vers 8 - 10 kijkt, dan weet u dat het hier een profetie over de Heere Jezus betreft. Het eerste deel van vers 11 is een verwijzing naar Zach. 9 : 9 en Matth. 21 : 5, en dus naar de eerste komst van de Heere Jezus. Maar dan, het gedeelte na de ";" is een verwijzing naar de Heere Jezus Die terug komt om Zijn Koninkrijk op te richten en Zijn kleed "dat met bloed gekleurd was" (Openb. 19 : 13). Ook hier zit dus weer zo'n tweeduizend jaar verborgen in een klein leesteken midden in een vers. Het is dus in het geheel niet vreemd dat twee zinsdelen gaan over een verschillende situatie in de geschiedenis, maar wel gaan over dezelfde persoon.

Dit kan dus heel goed ook voor 2 Thess. 2 : 3, waar we een ontwikkeling van de antichrist vinden: Het kan prima gezegd worden dat de "mens der zonde" en de "zoon des verderfs" geopenbaard worden aan het begin van de Grote Verdrukking, omdat het om dezelfde persoon gaat. En toch... laat die komma een periode van 3,5 jaar zien omdat de antichrist zich eerst openbaart als de "mens der zonde" en pas later als "de zoon des verderfs" “uit de verf zal komen”. Alleen op deze manier blijft de context intact. 2 Thess. 2 : 3 hoeven we niet aan te passen want voordat de dag van Christus aanbreekt moeten er twee voorwaarden vervuld worden. Maar ook blijven 2 Thess. 2 : 6 - 8 intact omdat er weldegelijk sprake is van een ontwikkeling: de mens der zonde moet eerst uit het midden weg zijn (hij wordt dodelijk verwond en zal weer leven), voordat de "zoon des verderfs" (de ongerechtige) kan opstaan. Dit komt vervolgens volledig overeen met de andere Schriftgedeelten die laten zien welke ontwikkelingen zich allemaal afspelen op de helft van de Grote Verdrukking. Tot zover kan ik het helemaal volgen.


Die hem nu weerhoudt

Alleen de “mens der zonde” wordt dan vaak ook betrokken op de “Die” in “Die hem nu weerhoudt” [8]. En dan is eigenlijk de conclusie dat de “mens der zonde” de “zoon des verderfs” weerhoudt [9]. In 2 Thess. 2 : 7 krijgt men dan: “Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt reeds gewerkt; alleen, Die [de mens der zonde] hem [de zoon des verderfs] nu weerhoudt, Die [de mens der zonde] zal hem [de zoon des verderfs] weerhouden, totdat hij [de mens der zonde] uit het midden zal weggedaan worden”. En dat is hetgeen waar ik moeite mee heb. Waarom zou de duivel zichzelf weerhouden? Ja, de mens der zonde wordt opgevolgd door de zoon des verderfs. Deze is dezelfde persoon, alleen in een later stadium, nadat hij is opgestaan uit de dood. Maar waarom zou de satan zichzelf tegenhouden?


Alles heeft een bestemde tijd

De mens der zonde en de zoon des verderfs worden geopenbaard “op zijn eigen tijd” (1 Thess. 2 : 6). Pred. 3 : 1 zegt: “Alles heeft een bestemde tijd, en alle voornemen onder de hemel heeft zijn tijd”. En Pred. 3 : 11 zegt dan nog: “Hij heeft ieder ding schoon gemaakt op zijn tijd; ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat een mens het werk, dat God gemaakt heeft, kan uitvinden, van het begin tot het einde toe”. Eigenlijk is daarmee het antwoord al gegeven, maar toch de vraag: wie bepaalt de tijd? Weliswaar mag de duivel de koninkrijken uitdelen, maar alleen omdat het hem gegeven is om dat te doen (Luk. 4 : 6)! Denk aan de geschiedenis van Job: de satan kan in het leven van Job niet meer doen dan de Heere toestaat (Job. 2 : 6). En dan zien we, ook in de beschrijving van de Grote Verdrukking in bijvoorbeeld Daniël, iedere keer terugkomen dat er ook daarvoor een “bestemde tijd” is. In Dan. 8 : 19 lezen we bijvoorbeeld: “En hij zeide: Zie, ik zal u te kennen geven, wat er geschieden zal aan het einde van deze gramschap, want ter bestemder tijd zal het einde zijn”. Zo lezen we in Dan. 11 : 35 dat er ook in de Grote Verdrukking leraren zullen zijn: “En van de leraars zullen er sommigen vallen, om hen te louteren en te reinigen, en wit te maken, tot de tijd van het einde toe; want het zal nog zijn voor een bestemde tijd”. En dan volgt Dan. 11 : 36 met de beschrijving van de koning die zich verheft boven God. De Heere heeft ook hiervoor een tijd bestemd! Ondanks dat al die dingen van de eindtijd gaan gebeuren, en niets te maken hebben met Zijn (komende) Koninkrijk, gebeurt alles op de tijd van de Heere! En de reden voor dat alles is dat de Heere wil dat zoveel mogelijk mensen behouden worden. In 2 Petr. 3 : 9 lezen we: “De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen”. Het is de Heere Die bepaalt wanneer het hele eindtijdsscenario gaat beginnen!

Maar dát is dan ook de reden dat er in 2 Thess. 2 : 7 sprake moet zijn van drie verschillende personen, namelijk: “Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt reeds gewerkt; alleen, Die [de Heere, of de Heilige Geest] hem [de zoon des verderfs] nu weerhoudt, Die [de Heere] zal hem [de zoon des verderfs] weerhouden, totdat hij [de mens der zonde] uit het midden zal weggedaan worden”.

En als dat gebeurd is, dan zegt 2 Thess. 2 : 8: “En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, die de Heere verdelgen zal door de Geest Zijns monds, en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst”. Dan zal de ongerechtige, de duivel in de antichrist, de zoon des verderfs, geopenbaard worden!


Tot slot...

En zo zien we, dat we, zonder de Bijbeltekst aan te hoeven passen, deze verzen heel gewoon kunnen lezen zoals ze er staan! Alhoewel de Gemeente niet door de Grote Verdrukking gaat omdat zij niet is gesteld tot toorn (1 Thess. 5 : 9), alhoewel de Gemeente opgeroepen wordt om de Heere te verwachten (1 Thess. 1 : 10; 1 Kor. 1 : 7; Filip. 3 : 20; Titus 2 : 13), en niet de antichrist(!), geloof ik op grond van Gods Woord dat wij zullen weten wie de antichrist is. En dat niet in zijn volledige openbaring, omdat hij zal beginnen met vleierijen als “de mens der zonde”. Maar als de Gemeente weg is zal hij zich ontpoppen als “de zoon des verderfs” tijdens de Grote Verdrukking.

Zijn eind, daarvan hebben we zojuist gelezen (2 Thess. 2 : 8). Want uiteindelijk zal onze Heere overwinnen en regeren. En wij met Hem!


[1]  ‘The Scofield Study Bible’, Rev. C.I. Scofield, D.D., et al., Oxford University Press, New York, 1909, 1945, blz. 1272.
[2]  ‘The Scofield Study Bible’, Rev. C.I. Scofield, D.D., et al., Oxford University Press, New York, 1909, 1945, blz. 1014.
[3]  ‘The Scofield Study Bible’, Rev. C.I. Scofield, D.D., et al., Oxford University Press, New York, 1909, 1945, blz. 1014.
[4]  Zie bijv.: ‘One Book Rightly Divided, the Key to Understanding the Bible’, Dr. Douglas D. Stauffer, McCowen Mills Publishers, Millbrook, AL, USA, 1999, blz. 188.
[5]  ‘The Books of First and Second Thessalonians and Philemon’, Dr. Peter S. Ruckman, BB Bookstore, Pensacola, FL, USA, 2005, blz. 149.
[6]  ‘The Bible Believer’s Guide To Dispensationalism’, David E. Walker, DayStarPublishing, Miamitown, Ohio, USA, 2005, blz. 297, 298.
[7]  ‘The Book of Daniel’, Dr. Peter S. Ruckman, BB Bookstore, Pensacola, FL, USA, 2016, blz. 334.
[8]  ‘The Bible Believer’s Guide To Dispensationalism’, David E. Walker, DayStarPublishing, Miamitown, Ohio, USA, 2005, blz. 296.
[9]  ‘The Books of First and Second Thessalonians and Philemon’, Dr. Peter S. Ruckman, BB Bookstore, Pensacola, FL, USA, 2005, blz. 154.