Blue Flower

“Die hem nu wederhoudt”



Inleiding

In deze studie een onderwerp, over 2 Thess. 2 : 7, dat erg gevoelig blijkt te liggen, zeker ook onder hen die Gods Woord willen bewaren. In 2017 is deze studie reeds op de site “Bijbel en Geloof” geplaatst. Daarop zijn reacties van mensen binnengekomen. Maar ook op internet is te zien hoe dit onderwerp gevoelig ligt. Daarom is deze studie verder uitgewerkt en aangevuld met “nieuwe” Schriftbewijzen, onder andere naar aanleiding van deze reacties.

In de studie “De afval van het geloof” heb ik aangegeven dat ik op grond van 2 Thess. 2 : 3 geloof dat wij als Gemeente nog zullen weten wie de antichrist is, als één van de twee voorwaarden voordat “de dag van Christus”, “onze toevergadering tot Hem” zal plaatsvinden (2 Thess. 2 : 1, 2). In 2 Thess. 2 : 3 staat namelijk geschreven: “Dat u niemand verleide in enigerlei wijze; want die komt niet tenzij dat eerst de afval gekomen is, en dat geopenbaard is de mens der zonde, de zoon des verderfs”. Hier staan duidelijk twee voorwaarden, voordat de dag van Christus, die begint met de Opname van de Gemeente, kan komen. Maar… Vaak neemt men aan dat juist in 2 Thess. 2 : 7 en 8 geschreven staat dat eerst de Opname moet komen, en dat dan pas de antichrist zich zal openbaren. Hiervoor doet men dan echter wel aannames, of men past zelfs de Bijbeltekst aan. Maar de Heere vraagt ons juist om Zijn Woord te bewaren, er niet aan toe te voegen en er niet vanaf te doen (Deut. 4 : 2; Spr. 30 : 6; Openb. 22 : 18, 19). Daarom ben ik ervan overtuigd dat 2 Thess. 2 : 3 gewoon klopt, en dat er met de aannames iets verkeerd is. In deze studie willen we daar uitgebreid bij stilstaan. Niet omdat het zoveel woorden nodig heeft, want eigenlijk kunnen we de Bijbeltekst gewoon lezen zoals deze is. Maar wel omdat er zoveel over dit onderwerp wordt aangenomen, dat er veel woorden nodig zijn om de onzin van alle aannames aan te tonen.

En vooraf is het misschien goed om te zeggen: Ja, ik geloof in de Opname van de Gemeente. Deze staat niet voor niets beschreven in 1 Thess. 4 : 13 – 18. Daar wordt letterlijk gesproken over het feit dat degenen die in Christus (ontslapen) zijn “opgenomen worden”. Ook geloof ik op grond van 1 Thess. 1 : 10 en 5 : 9 dat de Gemeente niet is gesteld tot toorn en dus voor de Grote Verdrukking opgenomen gaat worden. Maar dat betekent dus niet dat wij niet zouden kunnen meekrijgen wie de antichrist is… Sterker nog… Gods Woord laat zien dat de Gemeente dat nog wel gaat meekrijgen. Niet omdat wij de antichrist verwachten, maar omdat het gewoon een profetie is, die nog in vervulling moet gaan. En hoe dat dan zit, leest u in deze studie.


De toekomst van onze Heere Jezus Christus

In 2 Thess. 2 : 1 hebben we gelezen: “EN wij bidden u, broeders, door de toekomst van onzen Heere Jezus Christus en onze toevergadering tot Hem”. De KJV1611 spreekt hier over “the coming of our Lord”. Slaat dit op de Tweede Komst, of op de Opname van de Gemeente? Wanneer we kijken naar de context dan zou u kunnen denken dat dit slaat op de Tweede Komst. Kijkt u maar in vers 8. Daar is de “verschijning Zijner toekomst” toch echt de Tweede Komst, omdat bij die Komst afgerekend wordt met het beest, de antichrist (Openb. 19 : 20). Maar… in 1 Thess. 4 : 15 wordt ook gesproken over de “toekomst des Heeren”, en in de KJV1611 over “the coming of the Lord”, terwijl het daar over de Gemeente gaat die opgenomen wordt (1 Thess. 4 : 17). Het gaat over hen die levend overblijven tot de komst des Heeren. Voor de Gemeente is dat natuurlijk niet de Tweede Komst, maar de Opname van de Gemeente. Eigenlijk spreekt Paulus de Thessalonicenzen hier aan op het feit dat de (toe)komst van de Heere Jezus, en die start voor de Gemeente met “onze toevergadering tot Hem” nog niet is begonnen. En in de rest van de verzen in 2 Thess. 2 ontwikkelt zich dat tot zelfs de Tweede Komst (zie bijv. vers 8), want ook dat is de dag van Christus, maar daar zullen we zo meer over zien.


De profetische dagen

In 2 Thess. 2 : 2 lezen we vervolgens: “Dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief als van ons geschreven, alsof de dag van Christus aanstaande ware”. Mensen moeten dus niet schrikken, door wat dan ook niet, alsof de dag van Christus er al aan zou komen. Dat is wat er geschreven staat. Het feit dat hier over de “dag van Christus” gesproken wordt, duidt erop dat we hier met de profetische dagen te maken hebben. We kennen de uitspraak van de Heere in 2 Petr. 3 : 8: “Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat één dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als één dag”. Als we dan denken aan de profetie die Hosea over Israël uitspreekt, dan weten we inderdaad dat een profetische dag bij de Heere staat voor duizend jaar. In Hosea 6 : 2 lezen we: “Hij zal ons na twee dagen levend maken; op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven”. Dit gaat over de twee dagen, de twee duizend jaar, die Israël in verstrooiing heeft geleefd, en dat zij na die twee dagen, op de derde dag, weer zal verrijzen. Nu, Israël is er weer, maar nog niet levend voor de Heere. Dat zal, gezien de tekenen der tijden, niet heel lang meer duren. Die derde dag zal dus ook duizend jaar duren. En daar hebben we dan het Duizendjarig Vrederijk van Openb. 20. In Openb. 20 : 6 lezen we bijvoorbeeld: “Zalig en heilig is hij die deel heeft in de eerste opstanding; over dezen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen heersen duizend jaren”. Dat zal dus gewoon letterlijk duizend jaar zijn, exact zoals aangegeven in een aantal verzen in Openb. 20!


De dag des Heeren

Uit het Oude Testament kennen we met name de titel “de dag des Heeren”. En als we in het Oude Testament gaan zoeken, dan komen we erachter dat deze dag begint met de Grote Verdrukking. In Jes. 2 : 6, 11, 12, 17 – 21 lezen we bijvoorbeeld: “Maar Gij hebt Uw volk, het huis Jakobs, verlaten; want zij zijn vervuld met goddeloosheid, meer dan het oosten, en zij zijn guichelaars, gelijk de Filistijnen, en aan de kinderen der vreemden tonen zij hun behagen. (…) De hoge ogen der mensen zullen vernederd worden, en de hoogheid der mannen zal nedergebogen worden; en de HEERE alleen zal in dien dag verheven zijn. Want de dag des HEEREN der heirscharen zal zijn tegen allen hovaardige en hoge, en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd worde; (…) En de hoogheid des mensen zal gebogen en de hoogheid der mannen zal vernederd worden; en de HEERE alleen zal in dien dag verheven zijn. En elkeen der afgoden zal ganselijk vergaan. Dan zullen zij in de spelonken der rotsstenen gaan, en in de holen der aarde, vanwege den schrik des HEEREN en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal om de aarde te verschrikken. In dien dag zal de mens zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden, welke zij zich gemaakt hadden om zich daarvoor neder te buigen, wegwerpen voor de mollen en de vledermuizen; Gaande in de reten der rotsen en in de kloven der steenrotsen, vanwege den schrik des HEEREN en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal om de aarde geweldiglijk te verschrikken”. In Jes. 2 : 6 hebben we gelezen dat de Heere Israël verlaten heeft. De Grote Verdrukking staat dan ook vaak bekend als “een tijd van benauwdheid voor Jakob”. Dat staat overigens ook zo in Gods Woord geschreven. In Jer. 30 : 7 lezen we: “O wee; want die dag is zo groot, dat zijns gelijke niet geweest is; en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob; nog zal hij daaruit verlost worden”.

Maar de Grote Verdrukking gaat beslist niet alleen Israël aan. De Grote Verdrukking is evenzogoed Gods toorn over de afgoderij van de heidenen en over de afval van het geloof in de Gemeente-bedeling. Gods toorn zal alle volken treffen. In Jes. 13 : 9 – 11 lezen we bijvoorbeeld: “Zie, de dag des HEEREN komt, gruwelijk, met verbolgenheid en hittigen toorn, om het land te stellen tot verwoesting, en deszelfs zondaars daaruit te verdelgen. Want de sterren des hemels en zijn gesternten zullen hun licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden wanneer zij opgaan zal, en de maan zal haar licht niet laten schijnen. Want Ik zal over de wereld de boosheid bezoeken en over de goddelozen hun ongerechtigheid, en Ik zal den hoogmoed der stouten doen ophouden en de hovaardij der tirannen zal Ik vernederen”. Kortom Gods toorn zal over de hele wereld gaan.

We zien in de profeten wel vaker dat de dag des Heeren begint met verschrikking, duisternis en ellende, en dat het vervolgens overgaat in de komst van de Heere, Die zal regeren. Hetzelfde vinden we bijvoorbeeld in Joël 1 en 2. Joël begint met de beschrijving van de dag des Heeren, die zal zijn als “een verwoesting” “van den Almachtige” (Joël 1 : 15). Maar het eindigt met de bekering van Israël, waarbij de Heere Jezus als “Leraar ter gerechtigheid” zal komen (Joël 2 : 18 – 32). En uiteindelijk zegt Joël 3 : 17 en 18 dan: “En gijlieden zult weten dat Ik de HEERE uw God ben, wonende op Sion, den berg Mijner heiligheid; en Jeruzalem zal een heiligheid zijn, en vreemden zullen niet meer door haar doorgaan. En het zal te dien dage geschieden dat de bergen van zoeten wijn zullen druipen, en de heuvelen van melk vlieten en alle stromen van Juda vol van water gaan; en er zal een fontein uit het huis des HEEREN uitgaan, en zal het dal van Sittim bewateren”. Dat is dus de dag des Heeren: de Grote Verdrukking en het Duizendjarig Vrederijk!



De dag van Christus

Maar in 2 Thess. 2 : 2 is sprake van “de dag van Christus”. Veelal zegt men echter dat dit niet klopt, en dat het om “de dag des Heeren” gaat [1]. In 2 Thess. 2 : 5 staat geschreven: “Gedenkt gij niet dat ik nog bij u zijnde, u deze dingen gezegd heb?”. Men verwijst dan naar 1 Thess. 5 : 2 waar Paulus schrijft over de “dag des Heeren”, en dus zou het in 2 Thess. 2 : 2 ook over de “dag des Heeren” moeten gaan. Maar deze verwijzing klopt niet, want Paulus schrijft in 2 Thess. 2 : 5: “...dat ik nog bij u zijnde…”. 1 Thess. is geschreven toen Paulus niet bij hen was. Daarom schreef hij ook een brief. Dus 2 Thess. 2 : 5 kan nooit een verwijzing zijn naar 1 Thess. 5 : 2. Daar komt bij dat Paulus in 2 Thess. 2 : 5 zegt dat hij: “...u deze dingen gezegd heb...”. Met andere woorden: het gaat niet over iets wat hij geschreven heeft (bijv. 1 Thess.), maar over iets wat hij gezegd heeft. En wat Paulus gezegd heeft, hoeft niet in 1 Thess. te staan. Sterker nog, waarschijnlijk heeft hij veel meer gesproken dan hij in de brief behandeld heeft. Paulus heeft in 1 Thess. 5 geschreven over de “dag des Heeren”. Waarom zou hij in 2 Thess. 2 niet kunnen schrijven over de “dag van Christus”? Men heeft dus geen Bijbels argument, om van de “dag van Christus” “de dag des Heeren” te maken. En eigenlijk hadden we dat al kunnen weten, want de Heere vraagt van ons om Zijn Woord niet te veranderen, om Zijn Woord niet te verdraaien (2 Petr. 3 : 16).

Toch zien we over het algemeen dat de theologen van de nieuwe vertalingen de Heere een handje willen helpen, en zij veranderen “de dag van Christus” dan ook in “de dag des Heeren”. De NBG-’51 heeft in dit vers staan: “dat gij niet spoedig uw bezinning verliest of in onrust verkeert, hetzij door een geestesuiting, hetzij door een prediking, hetzij door een brief, die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag des Heren reeds aanbrak”. Hetzelfde zien we in bijvoorbeeld de NBV of de Telos-vertaling (Herziene Voorhoeve-uitgave) gebeuren. Deze aanpassing is gedaan aan de hand van de Westcott en Hort Griekse tekst, oftewel een aanpassing op basis van de handschriften uit Alexandrië, waar men de Schrift heeft willen vermengen met heidense filosofie. Als voorbeeld van het effect van deze filosofisch aangepaste handschriften hebben we onder andere gezien hoe de Naam van de Heere Jezus Christus in de nieuwe vertalingen aangetast wordt. Eigenlijk is deze tekst, 2 Thess. 2 : 2,  een bewijs dat daar waar het Oude Testament spreekt over “de dag des Heeren”, het Nieuwe Testament spreekt over “de dag van Christus”. Eigenlijk wordt daarmee opnieuw aangetoond dat Jezus Christus God is. Hij is Dezelfde als de God van het Oude Testament.

Maar daar is niet alles mee gezegd… Zoals de Gemeente in het Oude Testament een verborgenheid was (Ef. 3 : 1 – 6), die geopenbaard is in de brieven aan de Gemeente, zo openbaart “de dag van Christus” extra details over “de dag des Heeren”. Daar waar de dag des Heeren de nadruk legt op de Grote Verdrukking gevolgd door het Koninkrijk, daar legt de dag van Christus de nadruk op de Opname van de Gemeente, de Rechterstoel van Christus, gevolgd door het Koninkrijk. Hebben we daar voorbeelden van in de Schrift? Jazeker, laten we er een aantal opzoeken. In 1 Kor. 1 : 7, 8 lezen we bijvoorbeeld: “Alzo dat het u aan geen gave ontbreekt, verwachtende de openbaring van onzen Heere Jezus Christus; Welke God u ook zal bevestigen tot het einde toe, om onstraffelijk te zijn in den dag van onzen Heere Jezus Christus”. Voor de Gemeente is dat de Opname, zoals we eerder in deze studie zagen dat de toekomst van de Heere Jezus voor de Gemeente begint met “onze toevergadering tot Hem” (1 Thess. 4 : 15 – 17; 2 Thess. 2 : 1). Niet iets wat met grote kracht en heerlijkheid gebeurt (Matth. 24 : 30), maar in een ogenblik (1 Kor. 15 : 51, 52). Zo lezen we in 2 Kor. 1 : 14 het volgende: “Gelijkerwijs gij ook ten dele ons erkend hebt, dat wij uw roem zijn, gelijk gij ook de onze zijt in den dag van den Heere Jezus”. Dit gaat dus over de beloning die Paulus ontvangt voor de Rechterstoel van Christus (1 Kor. 3 : 13 – 15; 2 Kor. 5 : 10), omdat mensen door zijn getuigenis zijn gaan geloven (zie ook Filip. 2 : 16). “De dag van Christus” laat in de brieven aan de Gemeente dus die aspecten van de toekomst van de Heere zien, die onder het Oude Verbond nog verborgen waren.

Strikt genomen zien we dat de Dag van Christus met de Opname dus iets eerder begint dan de Dag des Heeren met de Grote Verdrukking, maar er is grote overlap in deze profetische dagen.


Voorwaarden voor de Opname

En dan lezen we dat 2 Thess. 2 : 3 het volgende zegt: “Dat u niemand verleide in enigerlei wijze; want die komt niet tenzij dat eerst de afval gekomen is, en dat geopenbaard is de mens der zonde, de zoon des verderfs;” In dit vers worden dus twee voorwaarden gegeven voordat de “dag van Christus” kan plaatsvinden. De ene voorwaarde is wel duidelijk, daar hebben we in een andere studie uitgebreid bij stilgestaan, dat is de afval van het geloof [2]. Maar hier staat blijkbaar nog een voorwaarde, en dat is: “dat geopenbaard is de mens der zonde, de zoon des verderfs”. Zoals gezegd, heb ik in een andere studie staan dat ik op grond van deze tekst geloof dat wij dus zullen weten wie de antichrist is, voordat de Heere ons thuishaalt.

Maar hoe zit dat dan met 2 Thess. 2 : 7 en 8? Dat zijn twee best hele moeilijke verzen. Met name omdat daar al een soort “standaard” “Evangelische leer” omheen bestaat, waarvan ik de uitleg wel kende, maar de Schriftuurlijke onderbouwing niet, maar ook omdat ik wist dat er met name in “eigen kring” (de Bijbelgelovigen, hen die (net als wij) geloven dat de Heere Zijn Woord in de Reformatietekst bewaard heeft) een andere uitleg bestaat. Alleen die uitleg kon ik niet geheel volgen… In eerste instantie heb ik dat laten rusten. Totdat ik door een vraag geconfronteerd werd met het feit dat “mijn uitspraak” (ondanks dat het de letterlijke tekst volgt) over 2 Thess. 2 : 3 de context zou tegenspreken. Wat wil het geval? 2 Thess. 2 : 8 zegt: “En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, die de Heere verdelgen zal door de Geest Zijns monds, en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst”. Dat brengt ons meteen bij de “standaard uitleg” van 2 Thess. 2 : 7 (van vroeger uit bekend binnen veel Evangelische en Baptistische kringen), waarvan men beweert dat “...die hem nu wederhoudt, die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden” slaat op de Heilige Geest Die de antichrist weerhoudt, en Die met de Opname van de Gemeente van de aarde zal verdwijnen. En dan, is de gedachtegang, kan de antichrist zijn gang gaan. Als dit de Opname is, dan staat er in 2 Thess. 2 : 8 dus dat “alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden”… Maar dan klopt “mijn” conclusie in 2 Thess. 2 : 3 niet dat wij vóór de dag van Christus, die begint met de Opname, weten wie de antichrist zal zijn… Feit is dat we de eerste verzen (2 Thess. 2 : 1 – 3) gewoon gelezen hebben om tot die conclusie te komen, maar bij 2 Thess. 2 : 7 en 8 is er uitgelegd dat “hij” staat voor de Heilige Geest. En dat is een aanwijzing dat die uitleg niet klopt...

De vraag is dus: Hoe zit dat?!


De “standaard uitleg”

Allereerst de vraag: Gaat het bij “totdat hij uit het midden zal weggedaan worden” om de Heilige Geest, Die, als persoon (“hij”) in de Gemeente, weggaat, omdat de Gemeente opgenomen wordt? Dit is wel wat er veelal geleerd wordt. In de Telos-vertaling (de Herziene Voorhoeve-uitgave) heeft men dit bijvoorbeeld letterlijk in de vertaling gebracht. In Telos lezen we in 2 Thess. 2 : 7 het volgende: “Want de verborgenheid van de wetteloosheid werkt al. Alleen hij (Of ‘Hij’) die nu tegenhoudt, [blijft] totdat hij (Of ’Hij’) weggenomen wordt”. Men geeft in de voetnoot (in deze tekst tussen ronde haakjes geplaatst) de verwijzing aan dat het om een “Hij” met hoofdletter gaat, verwijzend naar de Heilige Geest. Naast het feit dat men de woorden “uit het midden” uit de tekst heeft weggelaten, zien we dat men aangeeft dat de hij/Hij die tegenhoudt, weggenomen wordt. Hiermee heeft men naar de Opname toe vertaald. Men gelooft dat de Heilige Geest weerhoudt, en dat Hij met de Gemeente opgenomen wordt. Maar hoe komt men daar dan aan?

In de “Scofield Studiebijbel” lezen we daar het volgende over:

“De weerhouder is een persoon – “hij”, en omdat de “verborgenheid” altijd een bovennatuurlijk element (Matth. 13 : 11, notitie) impliceert, kan deze Persoon niemand anders dan de Heilige Geest in de Gemeente zijn, die uit het midden weggenomen wordt (v. 7; 1 Thess. 4 : 16 – 17)” [3].

In de eerste plaats geven de genoemde Schriftplaatsen in het citaat geen duidelijkheid over het feit dat de persoon de Heilige Geest moet zijn. In eerste instantie niet een bewijs voor het veronderstelde feit dat de Heilige Geest de weerhouder is, en ook geen bewijs voor het veronderstelde feit dat de Heilige Geest met de Gemeente opgenomen wordt: Vers 7 wordt als bewijs aangehaald, maar is het gedeelte over de weerhouder zelf, zonder dat de Heilige Geest genoemd wordt. 1 Thess. 4 : 16 – 17 wordt als bewijstekst genoemd, maar gaat over de Opname, zonder de Heilige Geest of een weerhouder te noemen. En Matth. 13 : 11 wordt genoemd in verband met de aantekening over het bovennatuurlijke element. In de genoemde notitie bij dat vers wordt een verborgenheid door de “Scofield Studiebijbel” als volgt omschreven:

“een voorheen verborgen waarheid, nu goddelijk geopenbaard, maar waarin een bovennatuurlijk element ondanks de openbaring nog steeds aanwezig is” [4].

Maar hoe vaag is deze omschrijving. Eigenlijk zegt het dat de Heere dus niet alles openbaart… En dat kan op zich kloppen, want wij zien, zegt Gods Woord, nog steeds “door een spiegel in een duistere rede” (1 Kor. 13 : 12). Maar dat neemt niet weg dat Gods Woord vast is en niet van eigen uitlegging (2 Petr. 1 : 19, 20). Dat betekent dat wat de Heere wil dat wij weten, dat Hij ons dat openbaart… En daar is dan niets verborgens meer aan… Tenzij er bepaalde facetten zijn, waarvan Hij ons nog niet op de hoogte brengt. Maar dat is dan ook nog niet geopenbaard. Als voorbeeld haalt Scofield onder andere de verborgenheid van Israëls verblindheid aan (Rom. 11 : 25), of de verborgenheid van de Gemeente bestaande uit Jood en heiden (Ef. 3 : 1 – 11; Rom. 16 : 25; Ef. 6 : 19; Kol. 4 : 3) [5]. Maar wat is daar nog voor een bovennatuurlijk element verborgen aan? Bijna alle teksten spreken, met soortgelijke woorden, over “de verborgenheid (…) bekend te maken” (Ef. 6 : 19). Het is juist geen verborgenheid meer. Maar hier zien we hoe de Theologie gewend is om verborgenheden in de tekst te houden, want dan kan men er zelf iets van maken….


De Heilige Geest is Alomtegenwoordig

Er is dus eigenlijk geen enkel bewijs dat de Heilige Geest uit het midden weggedaan wordt met de Opname… Vervolgens kan men daar dan nog de vraag bij stellen: Is de Heilige Geest dan voor altijd aan de Gemeente verbonden…? In die zin: als de Gemeente weg is, is dan ook de Heilige Geest per definitie weg van de aarde? Is het niet zo dat de Heere God Alomtegenwoordig is? Hij is toch overal? De Heere God is zelfs in de hel. In Psalm 139 : 7 en 8 lezen we over Gods Alomtegenwoordigheid: “Waar zou ik heen gaan voor Uw Geest, en waar zou ik heen vlieden voor Uw aangezicht? Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar”. En dat is nogal wat… Maar dat de Heere God zelfs in de hel is, betekent geenszins dat de duivel daar niet kan zijn. Want de hel is juist gemaakt voor de duivel en zijn engelen (Matth. 25 : 41).

Weliswaar is het lichaam van de wederom geboren gelovige een tempel van de Heilige Geest, omdat de Heere in ons wil wonen, en door ons heen wil werken (1 Kor. 6 : 19), maar dat betekent niet dat de Heilige Geest buiten ons (de Gemeente) niet op aarde aanwezig kan zijn. Zoals Hij in het Oude Testament óók in mensen was (zie bijv. Ex. 31 : 3), alleen werden mensen toen niet verzegeld zoals in de Gemeente, zo zal Gods Geest ook in de Grote Verdrukking Zijn Werk doen. Een mooi voorbeeld daarvan vinden we in Openb. 11, waar we lezen over de twee getuigen Gods, Mozes en Elia, die in de Grote Verdrukking terug zullen komen naar de aarde. Zij zullen gedood worden (Openb. 11 : 7). En dan lezen we in Openb. 11 : 11 het volgende: “En na die drie dagen en een halven is een geest des levens uit God in hen gegaan, en zij stonden op hun voeten; en er is grote vrees gevallen op degenen die hen aanschouwden”. Hier lezen we hoe Gods Geest in de Grote Verdrukking op aarde aan het werk is… En ondanks dat krijgt de antichrist de gelegenheid zijn koninkrijk te stichten en zijn vernietigende werk te doen… Met andere woorden: dat de Heilige Geest weg moet zijn, voordat de antichrist zijn werk kan doen, is Bijbels gezien onjuist! Blijkbaar heeft men niet genoeg bewijsteksten voor de Opname van de Gemeente kunnen vinden, dat men deze tekst destijds als “bewijstekst” heeft genomen, echter wel ten koste van de rest van Gods Woord. En dat terwijl we vinden dat we “opgenomen” worden in 1 Thess. 4 : 17, dat we niet gesteld zijn tot toorn in 1 Thess. 1 : 10 en 5 : 9. Is dat geen bewijs genoeg dat de Gemeente niet door de Grote Verdrukking heen hoeft...?



De Gemeente is een “zij”...

Dan zijn er die zeggen: “Ja, maar de Heilige Geest is wel alomtegenwoordig, maar in de Gemeente gaat Hij van de aarde weg”. Maar die uitleg past ten enenmale niet in 2 Thess. 2 : 7: “Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk die hem nu wederhoudt, die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden”. Het gedeelte “totdat hij uit het midden zal weggedaan worden” kan niet op de Gemeente zelf slaan. Er is sprake van een “hij” en de Gemeente is namelijk altijd een “zij”. De Gemeente is of een reine maagd (2 Kor. 11 : 2), of wordt door de Heere vergeleken met een vrouw binnen het huwelijk (Ef. 5 : 23), of is de Vrouw des Lams (Openb. 19 : 7). De “hij” moet dan slaan op de Heilige Geest (wat men inderdaad wel beweert), maar de Heilige Geest wordt dan volgens 2 Thess. 2 : 7 “uit het midden” weggedaan. Dat kan niet op de Gemeente slaan, want zij is verzegeld met de Heilige Geest (Ef. 4 : 30). Dat betekent dat “uit het midden”, alleen kan slaan op Zijn aanwezigheid in deze wereld… En daarvan hebben we nu juist gezien dat Gods Geest alomtegenwoordig is, en ook in de Grote Verdrukking Zijn werk op aarde zal doen. Hij gaat dus helemaal niet “uit het midden” van deze wereld weg. Die “standaard” uitleg bij 2 Thess. 2 : 7, dat dit vers over de Opname van de Gemeente gaat, die kan gewoonweg niet.


“Hij is meerder Die in u is”

Zo geeft een andere hedendaagse prediker [6], populair vanwege zijn eindtijdsboodschap, als bewijs de tekst 1 Joh. 4 : 4, waar geschreven staat: “Kinderkens, gij zijt uit God, en hebt hen overwonnen; want Hij is meerder Die (Gr.: “ho(s)”) in u is, dan die in de wereld is”. In de StatenBijbel staat nogmaals in 2 Thess. 2 : 7 het volgende geschreven: “Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk die (Gr.: “ho(s)”) hem nu wederhoudt, die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden”. En dan gaat het nu even om “die hem nu wederhoudt”. De KJV1611 heeft daar staan: “hij die nu weerhoudt”. En dan wordt er gezegd dat “Hij die nu weerhoudt” Dezelfde is als “Hij is meerder Die in u is”.


Om de tuin geleid… door middel van “woordstudies” in de grondtaal

De bewuste prediker weet met een woordgrapje in diverse talen dan een hele zaal aan het lachen te brengen, maar geeft daarmee wel de indruk dat hij de zogenaamde Griekse grondtekst aan zijn zijde heeft voor wat hij beweert. Hij zinspeelt op het feit dat het woordje "hij" in diverse talen vrijwel gelijk is. In het Engels is het “he”. In het Nederlands “hij”. In het Hebreeuws “Hu” (uitspraak), en in het Grieks “ho(s)” (= Hij Die). En dan zegt hij: “Die “ho(s)” in 1 Joh. 4 : 4 is Dezelfde “ho(s)” als uit 2 Thess. 2 : 7. En als extra bewijs wordt dan Rom. 8 : 31 en 32 aangehaald, waar staat: “Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Die (Gr.: “ho(s)”) ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?” In deze tekst komt inderdaad het Griekse woordje “ho(s)” voor, met betrekking tot de Heere God. En aansluitend wordt er dan door de prediker gezegd: "Hij, he, hu, hos, is Dezelfde!" [7]. Maar die tekst in Rom. 8 : 31 en 32 heeft helemaal niets van doen met 2 Thess. 2 : 7! En sterker nog wanneer we 1 Joh. 4 : 4 in de context lezen, slechts één vers ervoor (1 Joh. 4 : 3), dan krijgen we: “En alle geest die (Gr.: “ho(s)”) niet belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de (Gr.: “ho(s)”) geest van den antichrist, welken (Gr.: “ho(s)”) geest gij gehoord hebt dat komen zal, en is nu alrede in de wereld. Kinderkens, gij zijt uit God, en hebt hen overwonnen; want Hij is meerder Die (Gr.: “ho(s)”) in u is, dan die (Gr.: “ho(s)”) in de wereld is”. Wat we zien is dat “hij” of “die” eigenlijk een verwijzend woord is, dat de ene keer op de Heere slaat, maar de andere keer ook zeer zeker op nota bene de antichrist kan slaan. En die laatste komt in deze situatie nota bene in meerderheid voor. En die prediker maar roepen: “Hij, he, hu, hos, is Dezelfde!” Zien we hier opnieuw hoe mensen er aan de hand van de zogenaamde grondtekst eigenlijk gewoon ingeluisd worden? Het bewijs dat “hij” op de Heilige Geest moet slaan, is ook hier totaal ongegrond.


Zijn wij de weerhouder?

Wanneer men op deze manier met Gods Woord omgaat, en mensen eigenlijk misleid, gaat men ook op een on-Bijbelse leer uitkomen. De bewuste prediker leert dan ook dat de weerhouder niet God Zelf is, maar God in de mensen die geloven en dus de Heilige Geest hebben.

Hij komt met voorbeelden van Noach en Abraham [8]. Abraham die bad tot God, zodat als er tenminste tien rechtvaardigen zouden zijn in Sodom, dat God de stad zou sparen. Het trieste van dit voorbeeld is, dat God Sodom helemaal niet spaarde. Blijkbaar waren er geen tien rechtvaardigen (Gen. 18 : 32). Wat Abraham daar deed, is volgens deze prediker: weerhouden. O ja? Abraham heeft helemaal niets weerhouden.

Een ander voorbeeld, die de bewuste prediker noemde, is Mozes. Mozes bad voor het volk Israël dat telkens weer mopperde bij de uittocht, en dan wordt er gezegd dat de Heere God Mozes verhoorde. Het voorbeeld betreft Ex. 33 [9]. Echter de conclusie van Ex. 32 : 35 is: “Aldus plaagde de Heere dit volk, omdat zij dat kalf gemaakt hadden, hetwelk Aäron gemaakt had”. De Heere plaagde het volk dus… En dan is in Ex. 33 te lezen dat de Heere Zich terugtrekt uit het leger van de Israëlieten (ook een straf), maar dat Hij Mozes wel Zijn leiding belooft. Ook wordt door de prediker niet verteld dat Mozes eerst zelf het gouden beeld vermaalde en het volk ervan liet drinken (Ex. 32 : 20), waarna hij de zonen van Levi drieduizend van het volk liet ombrengen (Ex. 32 : 28). Wanneer men de geschiedenis verder leest, bijv. in Num. 14, dan zien we dat het volk veertig jaar door de woestijn moet reizen, zodat alle opstandigen het beloofde land niet zullen zien (Num. 14 : 20 – 23, 33). In Num. 14 : 29 zegt de Heere tegen het volk: “Uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen; en al uw getelden, naar uw gehele getal, van twintig jaar oud en daarboven, gij die tegen Mij gemurmureerd hebt”. Alhoewel God luisterde naar het gebed van Mozes,  is het wel een beetje kortzichtig om te zeggen dat Mozes weerhield…


Het zout der aarde...

En dan komt de prediker zelfs tot de uitspraak dat: “mensen die geloven in God en Zijn Geest hebben, zijn in staat om het onmiddelijke oordeel van God op te schorten”. Maar ook zegt hij dat wij als gelovigen de weerhouder zijn omdat God in ons is. En daarom leert deze prediker dat de weerhouder weggehaald gaat worden [10]. Als voorbeeld dat de Gemeente de weerhouder zou zijn, wordt door de bewuste prediker aangehaald dat de gelovige in Gods Woord “het zout der aarde” genoemd wordt (Matth. 5 : 13). En als toelichting wordt dan gegeven dat het zout de ontbinding van een dood dier vertraagt, het zout in de gelovige zou het oordeel vertragen [11]. Maar is dat ook zo? Natuurlijk heeft zout een bederfwerende werking. En als je dat toepast op de gelovige en de wereld dan kan men zeggen dat zout er voor zorgt dat de zonde niet ongeremd zijn gang kan gaan. Dan voorkomt het dus dat de wereld nog rotter wordt. Echter het zijn niet wij die de mensen sparen, maar het is de Heere die dat doet. In Pred. 8 : 12 en 13 lezen we bijvoorbeeld: “Hoewel een zondaar honderdmaal kwaad doet en God hem de dagen verlengt, zo weet ik toch dat het dien zal welgaan die God vrezen, die voor Zijn aangezicht vrezen. Maar den goddeloze zal het niet welgaan en hij zal de dagen niet verlengen, hij zal zijn gelijk een schaduw, omdat hij voor Gods aangezicht niet vreest”. Het oordeel gaat komen, op Gods tijd. Wij houden dat niet tegen. De Bijbel laat namelijk zien dat alles Zijn bestemde tijd heeft. Maar daarop komen we verderop in deze studie nog terug.


Wij kunnen Gods ingrijpen niet tegenhouden

Wij mensen, als wederom geborenen, kunnen de ontwikkeling in de tijd niet tegenhouden. Ja, gebed vermag veel (Jak. 5 : 16). Wij mogen de Heere bidden dat mensen tot bekering mogen komen (1 Tim. 2 : 1, 4). Wij mogen bidden voor onze overheid, zodat wij een rustig leven hebben, zodat wij kunnen getuigen en mensen tot de kennis der waarheid kunnen komen (2 Tim. 2 : 2, 4). Wij mogen mensen de Bijbelse Boodschap vertellen, zodat zij de Naam van de Heere aanroepen en behouden worden (Rom. 10 : 13, 14, 17). Wij zijn namelijk gezanten van Christuswege (2 Kor. 5 : 20). Maar weerhouden doen wij niet. In de tekst waar staat dat de Heere mensen wil behouden, staat geschreven: “De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen” (2 Petr. 3 : 9). Maar zien we dat staan: “De Heere vertraagt de belofte niet, (…) maar is lankmoedig...”. Als het erom gaat dat de Heere nog niet is teruggekomen, dan is Hijzelf aanzet, en niet wij! De dingen die plaats gaan vinden zijn namelijk “vastelijk besloten” (Dan. 11 : 36). Wanneer de Heere de belofte niet vertraagt, zouden wij Hem dan kunnen weerhouden om de belofte tot uitvoer te brengen? Echt niet.

“Want het gezicht zal nog tot een bestemden tijd zijn; dan zal Hij het op het einde voortbrengen, en niet liegen; zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven” (Hab. 2 : 3).


Is “wederhouden” misschien verkeerd vertaald?

Vervolgens is er een andere broeder, die, in navolging van de Schriftkritiek, zegt: Als 2 Thess. 2 : 3 zegt dat eerst de afval gekomen moet zijn, en geopenbaard moet zijn wie “de mens der zonde, de zoon des verderfs” is, dan moet 2 Thess. 2 : 7 wel verkeerd vertaald zijn. Hij schrijft letterlijk: “Er moet in vers 7 iets niet kloppen”. En dus gaat hij naar de zogenaamde “grondtekst” en zegt dat het Griekse “Katechoo” niet “wederhouden” moet zijn, maar “vasthouden” [12]. Eigenlijk zegt deze broeder dan: "God heeft Zijn Woord in het Nederlands toch niet kunnen bewaren". En vervolgens komt hij met een oplossing. De verklaring die daarachter zit, maakt echter duidelijk dat de oplossing niet klopt.


Is de Satan de “vasthouder”?

De verklaring, die de broeder geeft, heeft te maken met de positie van de satan. Er wordt in deze tekst (2 Thess. 2 : 7) gesproken over “uit het midden zal weggedaan worden”. De broeder verwijst dan naar Job waar de satan als aanklager onder de engelen verschijnt (Job 1 : 6 en Job 2 : 1), en naar het moment dat de Bijbel beschrijft dat de duivel met zijn engelen uit de hemel geworpen wordt (Openb. 12 : 9). Het redeneren is dat de duivel hier zelf niet naar toe werkt, hij wil niet uit de hemel gestoten worden, hij houdt dus vast. Maar wanneer hij dan “uit het midden zal weggedaan worden” [van de hemel] dan zal de antichrist zich openbaren [13].

Nu lijkt deze verklaring heel mooi gevonden door Schrift met Schrift vergelijken, maar het resultaat is dat de broeder Gods Woord in 2 Thess. 2 : 7 aanpast… Dat betekent dat er in de verklaring van de broeder iets niet klopt. Het klopt namelijk niet dat de satan vast zou houden wat hij heeft… De Satan was nota bene de troonbedekkende Cherub, en dat betekent in feite dat er buiten God niemand hoger was dan de Satan. En toch kwam hij in opstand (Ezech. 28 : 14, 16). Hij is er continue op gericht om zijn positie te “verbeteren” en boven God te komen (Jes. 14 : 13). Hij houdt helemaal niet van zijn huidige positie. Ook nu zit hij niet stil, en werkt hij reeds op deze aarde aan alle voorbereidingen waardoor mensen hem straks zullen vereren. Het is juist, zoals we nog zullen zien, dat de Heere hem op dit moment nog steeds weerhoudt. Ja, er is een strijd gaande in de hemelse gewesten. Die strijd is er niet omdat de satan vasthoudt, maar omdat de Satan in opstand is en de Heere tijden en gelegenheden in Zijn hand heeft (ook daarop komen we in deze studie nog terug), en op een gegeven moment is de volgende fase aangebroken (Openb. 12 : 7 – 11). Kortom de Satan houdt niet vast. Die uitleg, dat hij dat wel zou doen, klopt gewoon niet.

Maar wat nu als de Heere weerhoudt (zie het vervolg van de studie), totdat de satan “uit het midden zal weggedaan worden” (2 Thess. 2 : 7)? En daarbij verwijzend naar Openb. 12 : 10… Dan hoeven we de Bijbeltekst niet eens aan te passen. Ook dat gaat niet op. Binnen Openb. 12 : 10 en de context verwijst “de verklager” naar "de draak, "de oude slang, de "duivel en satanas" (Openb. 12 : 9). Maar die "hij" in de context bij 2 Thess. 2 : 7 is "de mens der zonde" (2 Thess. 2 : 3, 4), oftewel: de antichrist. In 2 Thess. 2 : 7 gaat het dus niet over dezelfde situatie als in Openb. 12 : 10. We kunnen 2 Thess. 2 : 7 dus niet toepassen op Openb. 12 : 10, of andersom. Overigens, de satan wordt in de Grote Verdrukking weliswaar op aarde geworpen, maar hij wordt niet uit de hemel verworpen. Dat is in het verleden al gebeurd. Weliswaar kan hij, zoals blijkt uit bijv. het boek Job, bij de Heere komen om mensen aan te klagen, maar in principe is hij reeds uit de hemel gestoten (Ezech. 28 : 16). Daaruit blijkt opnieuw dat door het aanpassen van de Bijbel, zoals de broeder doet, een leer ontstaat die niet meer op de Bijbel gebaseerd is, die de Bijbel Zelfs tegenspreekt, en dat terwijl men de Bijbel wel citeert. Tot nu toe hebben we nog steeds geen bevredigende uitleg die recht doet aan het Woord van God.


De mens der zonde, de zoon des verderfs

Dan kunnen we ons de vraag stellen: hoe zien sommige auteurs uit “eigen kring”, Bijbelgelovigen, dit dan? Er zijn er die (helaas) gewoon o.a. Scofield volgen als het op 2 Thess. 2 : 7 en 8 aankomt [14], maar dit vers wordt door sommigen gelukkig anders uitgelegd, daarbij (meer) rechtdoend aan de context. Men wijst dan op het feit dat de Heilige Geest niet weggenomen wordt door de Opname van de Gemeente, omdat de Heilige Geest alomtegenwoordig is. Men geeft aan dat de “hij”, uit “totdat hij uit het midden zal weggedaan worden”, slaat op de “hij” uit “alzo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten” en “zichzelven vertonende, dat hij God is” en “opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd” (2 Thess. 2 : 3 – 6). In deze verzen slaat de “hij” dus op de “mens der zonde” uit 2 Thess. 2 : 3. Dus waarom zou die “hij” in 2 Thess. 2 : 7 dan opeens de Heilige Geest zijn [15]? Wat men aangeeft is dat “totdat hij uit het midden zal weggedaan worden” slaat op “de mens der zonde” die weg moet zijn, wil “de zoons des verderfs” geopenbaard kunnen worden.


De antichrist openbaart zich in twee stadia

Punt is, dat deze twee titels, de mens der zonde en de zoon des verderfs,  beide over de antichrist gaan, alleen het laat de antichrist in een verschillend stadium zien. De antichrist zal namelijk eerst ten tonele verschijnen met het brengen van vrede, en zal dat doen met vleierijen. In Dan. 11 : 21 lezen we: “Daarna zal er een verachte in zijn staat staan, denwelken men de koninklijke waardigheid niet zal geven; doch hij zal in stilheid [KJV1611 zegt: vredig] komen, en het koninkrijk door vleierijen bemachtigen”. De context (zie bijv. Dan. 11 : 36) maakt duidelijk dat het hier om de antichrist gaat. En diezelfde context laat zien dat de antichrist zichzelf ook niet direct in de tempel zal zetten, daar gaat even overheen. Kijk maar wat er allemaal gebeurt tussen Dan. 11 : 21 en Dan. 11 : 36. Pas op de helft van de zeventigste jaarweek (de Grote Verdrukking) zal hij zich in de tempel zetten (Dan. 9 : 27), en godslateringen spreken (Openb. 13 : 5; 2 Thess. 2 : 4). Dit sluit overigens aan bij wat de Heere over de eerste ruiter van Openb. 6 laat zien [16], maar ook bij het feit dat hij eerst een verbond met Israël zal sluiten, maar dat verbond later verbreekt (Dan. 9 : 27).

In Openb. 13 : 3 lezen we: “En ik zag een van zijn hoofden als tot den dood gewond, en zijn dodelijke wond werd genezen; en de gehele aarde verwonderde zich achter het beest”. In de profeten lezen we dan ook dat de antichrist aan zijn rechteroog blind zal zijn (Zach. 11 : 17). De antichrist, de “mens der zonde” wordt dus dodelijk getroffen, waarvan hij geneest, al dan niet opstaat uit de dood. Dat is ook het moment dat de satan op aarde geworpen is en Israël zal gaan vluchten en door de Heere bewaard gaat worden (Openb. 12 : 9, 12, 13). Dat is het moment dat de duivel zelf bezit neemt van de antichrist, en er letterlijk sprake is van de vleesgeworden satan, de zoon des verderfs [17]. De “zoon des verderfs” verwijst ook naar de koning van de afgrond, die als naam Abaddon of Apollyon heeft (Openb. 9 : 11), wat beiden “Verderver” betekent. Hetgeen tot uiting komt in het verderf dat deze persoon over de aarde gaat brengen.


De komma staat voor een tijdsperiode

Maar dat betekent dat de komma in het stukje “de mens der zonde, de zoon des verderfs” van 2 Thess. 2 : 3 staat voor een periode van 3,5 jaar. Kan dat? Is dat niet vreemd? Nee dat is helemaal niet vreemd, want in de Bijbel vinden we wel vaker dat een komma in een zin twee delen aan elkaar verbindt die in de geschiedenis verder uit elkaar liggen. Een voorbeeld: In Jes. 61 : 1 - 11 lezen we over de Heere Jezus. In eigen woorden: Over de Heere Jezus Die de Geest des Heeren draagt, Die een blijde boodschap brengt, Die zieken geneest, Die het Koninkrijk verkondigt (vers 1 en 2a), Die Sion troost en herstelt, en die Israël herbouwt (vers 2b - 11). Dit gaat over één Persoon, en toch knipt de Heere het Zelf net iets over het midden van vers 2 in tweeën. In Luk. 4 : 18 en 19 leest de Heere Jezus dit gedeelte voor, en wanneer Hij het eerste deel van vers 2 heeft voorgelezen, dan staat er in Luk. 4 : 20 en 21: "En als Hij het boek toegedaan en den dienaar wedergegeven had, zat Hij neder; en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem geslagen. En Hij begon tot hen te zeggen: Heden is deze Schrift in uw oren vervuld". Heel Jes. 61 gaat over één Persoon, toch knipt de Heere het in tweeën, zelfs "midden" in vers 2. De komma in vers 2 staat in dit geval voor ongeveer 2000 jaar geschiedenis.

Een zelfde situatie zien we in Jes. 40 : 1 - 5, waar vers 1 en 2 gaan over het eind van de Grote Verdrukking, vers 3 gaat over de eerste komst van de Heere Jezus en vers 4 en 5 gaan over het Duizendjarig Vrederijk.

Nog zo'n mooi voorbeeld, waarbij een komma in één enkel vers een verschil van jaren maakt, is Gen. 49 : 11. Dit vers is (een deel van) de zegen van Jakob aan zijn zoon Juda: "Hij bindt zijn jongen ezel aan den wijnstok en het veulen zijner ezelin aan den edelsten wijnstok; hij wast zijn kleed in den wijn en zijn mantel in wijndruivenbloed". Wanneer u in vers 8 - 10 kijkt, dan weet u dat het hier een profetie over de Heere Jezus betreft. Het eerste deel van vers 11 is een verwijzing naar Zach. 9 : 9 en Matth. 21 : 5, en dus naar de eerste komst van de Heere Jezus. Maar dan, het gedeelte na de ";" is een verwijzing naar de Heere Jezus Die terug komt om Zijn Koninkrijk op te richten en naar Zijn kleed "dat met bloed geverfd was" (Openb. 19 : 13). Ook hier zit dus weer zo'n tweeduizend jaar verborgen in een klein leesteken midden in een vers. Het is dus in het geheel niet vreemd dat twee zinsdelen gaan over een verschillende situatie in de geschiedenis, maar wel gaan over dezelfde persoon.


De komma staat ook voor een periode van drie jaar

De genoemde perioden in de voorbeelden betreffen allemaal wat grotere perioden. Maar in Hand. 9 : 19 – 26 vinden we een voorbeeld, waar de overgang van het ene vers naar het andere een periode van drie jaar is. In Hand. 9 lezen we over de bekering van Saulus. En we lezen dat hij na zijn bekering “predikte terstond Christus in de synagogen” (Hand. 9 : 20). De Joden wilden hem vervolgens proberen om te brengen (Hand. 9 : 23). Paulus ontkwam (Hand. 9 : 25), en vervolgens is het of hij direct naar Jeruzalem is gegaan, want in Hand. 9 : 26 lezen we: “Saulus nu te Jeruzalem gekomen zijnde, poogde zich bij de discipelen te voegen; maar zij vreesden hem allen, niet gelovende dat hij een discipel was”. Maar uit Gal. 1 : 15 – 18 blijkt dat Paulus eerst drie jaar naar Arabië geweest is. Waarom naar Arabië? omdat daar de berg des Heeren was, de Sinaï (zie bijv. Gal. 4 : 25). Maar in Gal. 1 : 15 – 18 lezen we: “Maar wanneer het Gode behaagd heeft, Die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn genade, Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Denzelven door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed, En ben niet wederomgegaan naar Jeruzalem tot degenen die voor mij apostelen waren; maar ik ging heen naar Arabië, en keerde weder naar Damascus. Daarna kwam ik na drie jaren weder te Jeruzalem om Petrus te bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien dagen”. Hier zien we hoe die drie jaar letterlijk genoemd wordt.


Eerst de “mens der zonde”, dan de “zoon des verderfs”

Het voorgaande kan dus heel goed ook voor 2 Thess. 2 : 3 gelden, waar we een ontwikkeling van de antichrist vinden: Het kan prima gezegd worden dat de "mens der zonde" en de "zoon des verderfs" geopenbaard worden aan het begin van de Grote Verdrukking, omdat het om dezelfde persoon gaat. En toch... laat die komma een periode van 3,5 jaar zien omdat de antichrist zich eerst openbaart als de "mens der zonde" en pas later als "de zoon des verderfs" “uit de verf zal komen”. Alleen op deze manier blijft de context intact. 2 Thess. 2 : 3 hoeven we niet aan te passen want voordat de dag van Christus aanbreekt moeten er twee voorwaarden vervuld worden. Maar ook blijven 2 Thess. 2 : 6 - 8 intact omdat er weldegelijk sprake is van een ontwikkeling: de mens der zonde moet eerst uit het midden van de Grote Verdrukking weg zijn (hij wordt dodelijk verwond en zal weer leven), voordat de "zoon des verderfs" (de ongerechtige) kan opstaan. Dit komt vervolgens volledig overeen met de andere Schriftgedeelten die laten zien welke ontwikkelingen zich allemaal afspelen op de helft van de Grote Verdrukking.


“Die hem nu wederhoudt”

Maar vaak wordt dan gezegd dat het de “mens der zonde” is die “de zoon des verderfs” weerhoudt [18][19]. Men leest de tekst 2 Thess. 2 : 7 dan als volgt: “Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk die [de mens der zonde] hem [de zoon des verderfs] nu wederhoudt, die [de mens der zonde] zal hem [de zoon des verderfs] wederhouden, totdat hij [de mens der zonde] uit het midden zal weggedaan worden”. En de vraag is of dat klopt. Waarom zou de satan zichzelf tegenhouden? Kan hij dat überhaupt?

Het is overigens wel begrijpelijk dat men tot die conclusie is gekomen. Waar in de StatenBijbel over “die hem nu wederhoudt” gesproken wordt, wordt in de KJV1611 gesproken over “hij die weerhoudt”. Daar is opnieuw dat woordje “hij”…, en in eerste instantie is het dan logisch om ook aan de “mens der zonde” te denken. Maar de StatenBijbel gebruikt dus net iets andere woorden, namelijk “die hem nu wederhoudt”. Het verwijswoordje “die” hoeft natuurlijk niet op dezelfde “hij” te slaan. En het verwijswoordje “die” wordt zelfs nader uitgelegd als zijnde “die hem nu wederhoudt”. Ik geloof dus dat het daar om een andere “Hij” gaat. Een “Hij” met hoofdletter, namelijk de Heere God.


Alles heeft een bestemde tijd

En waarom geloof ik dat? De mens der zonde en de zoon des verderfs worden geopenbaard “te zijner eigen tijd” (2 Thess. 2 : 6). Pred. 3 : 1 zegt: “ALLES heeft een bestemden tijd, en alle voornemen onder den hemel heeft zijn tijd”. En Pred. 3 : 11 zegt dan nog: “Hij heeft ieder ding schoon gemaakt op zijn tijd; ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat een mens het werk dat God gemaakt heeft, kan uitvinden, van het begin tot het einde toe”. Eigenlijk is daarmee het antwoord al gegeven, maar toch de vraag: wie bepaalt de tijd? Weliswaar mag de duivel de koninkrijken uitdelen, maar alleen omdat het hem gegeven is om dat te doen (Luk. 4 : 6). Denk aan de geschiedenis van Job: de satan kan in het leven van Job niet meer doen dan de Heere toestaat (Job. 2 : 6). En dan zien we, ook in de beschrijving van de Grote Verdrukking in bijvoorbeeld Daniël, iedere keer terugkomen dat er ook daarvoor een “bestemde tijd” is. In Dan. 8 : 19 lezen we bijvoorbeeld: “En hij zeide: Zie, ik zal u te kennen geven wat er geschieden zal ten einde dezer gramschap; want te bestemder tijd zal het einde zijn”. Zo lezen we in Dan. 11 : 35 dat er ook in de Grote Verdrukking leraren zullen zijn: “En van de leraars zullen er sommigen vallen, om hen te louteren en te reinigen en wit te maken, tot den tijd van het einde toe; want het zal nog zijn voor een bestemden tijd”. En dan volgt Dan. 11 : 36 met de beschrijving van de koning die zich verheft boven God. De Heere heeft ook hiervoor een tijd bestemd. Ondanks dat al die dingen van de eindtijd gaan gebeuren, en niets te maken hebben met Zijn (komende) Koninkrijk, gebeurt alles op de tijd van de Heere. En de reden voor dat alles is dat de Heere wil dat zoveel mogelijk mensen behouden worden. In 2 Petr. 3 : 9 lezen we: “De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen”. Het is de Heere Die bepaalt wanneer het hele eindtijdsscenario gaat beginnen.


De Heere weerhoudt!

Maar dat is dan ook de reden dat ik geloof dat er in 2 Thess. 2 : 7 sprake is van drie verschillende personen, namelijk: “Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk die [de Heere, of de Heilige Geest] hem [de zoon des verderfs] nu wederhoudt, die [de Heere] zal hem [de zoon des verderfs] wederhouden, totdat hij [de mens der zonde] uit het midden [van de Grote Verdrukking] zal weggedaan worden”.


De zoon des verderfs tenietgemaakt door de verschijning Zijner toekomst

En als dat gebeurd is, dan zegt 2 Thess. 2 : 8: “En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heere verdoen zal door den Geest Zijns monds, en tenietmaken door de verschijning Zijner toekomst”. Dit is een beschrijving van wat plaats gaat vinden aan het einde van de Grote Verdrukking.  In Openb. 19 : 15 lezen we over de Heere Jezus, Die terugkomt: “En uit Zijn mond ging een scherp zwaard, opdat Hij daarmede de heidenen slaan zou. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren roede; en Hij treedt den wijnpersbak van den wijn des toorns en der gramschap des almachtigen Gods”. Dat scherpe zwaard verwijst natuurlijk naar het zwaard des Geestes (Ef. 6 : 17). En dan lezen we dat de heidenen geslagen worden, maar kijk wat er in Openb. 19 : 20 over de antichrist geschreven staat: “En het beest werd gegrepen, en met hetzelve de valse profeet, die de tekenen in de tegenwoordigheid van hetzelve gedaan had, door welke hij verleid had die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in den poel des vuurs, die met sulfer brandt”. Dat is wat de zoon des verderfs, de vleesgeworden satan, te wachten staat. Niet de antichrist die zeven jaar eerder ten tonele verschijnt als de mens der zonde, want die zal dodelijk verwond raken. Hij zal genezen van zijn dodelijke wond, al dan niet opstaan uit de dood (Zach. 11 : 17; Openb. 13 : 3). Maar degene die dan opstaat, die zal door de Heere Zelf in de poel des vuurs geworpen worden. En die ontwikkeling lezen we dus rechtstreeks in 2 Thess. 2 : 7 en 8, als we de verwijswoorden maar naar de juiste persoon laten verwijzen. Nogmaals: “Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk Die [de Heere] hem [de zoon des verderfs] nu wederhoudt, Die [de Heere] zal hem [de zoon des verderfs] wederhouden, totdat hij [de mens der zonde] uit het midden [van de Grote Verdrukking] zal weggedaan worden. En alsdan zal de ongerechtige [de zoon des verderfs] geopenbaard worden, denwelken de Heere verdoen zal door den Geest Zijns monds, en tenietmaken door de verschijning Zijner toekomst”.


De antichrist al voor de Opname bekend?

Maar als dit waar is, en we 2 Thess. 2 : 3 gewoon lezen zoals het er staat, dan zal de Gemeente dus nog weten wie de antichrist is. Meestal wordt ons verteld dat wanneer de antichrist opkomt de Gemeente allang in de hemel is. Een bewijstekst die men hier ook wel voor gebruikt is Openb. 5 : 9. Daar lezen we over vier en twintig ouderlingen, die zich om de troon bevinden (Openb. 4 : 4), en die zingen: “En zij zongen een nieuw lied, zeggende: Gij zijt waardig het boek te nemen en zijn zegelen te openen; want Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht en taal en volk en natie”. Dit moet gaan over (een vertegenwoordiging van) de Gemeente in de hemel die opgenomen is. Maar in Openb. 6 : 2 lezen we pas: “En ik zag, en zie, een wit paard, en Die daarop zat, had een boog; en Hem is een kroon gegeven, en Hij ging uit overwinnende, en opdat Hij overwon”. Vaak wordt deze tekst gezien als de opkomst van de antichrist [20]. En dat zou dan pas na de Opname zijn, want de Gemeente is al in de hemel (Openb. 5 : 9). Maar let op: hier heeft de antichrist reeds een kroon op, en zoals we gezien hebben in Dan. 11 : 21 begint de antichrist niet direct als koning, maar hij zal aan de macht komen door vleierijen. In Dan. 11 : 21 lezen we: “Daarna zal er een verachte in zijn staat staan, denwelken men de koninklijke waardigheid niet zal geven; doch hij zal in stilheid komen en het koninkrijk door vleierijen bemachtigen”. Pas daarna… gaat plaatsvinden wat in Openb. 6 : 2 geschreven staat: “...en hij ging uit overwinnende, en opdat hij overwon”. Dat lezen we in Dan. 11 : 23 – 26. Zelfs dat doet hij eerst in stilheid, en ook voor die periode van “stilheid” is “een zekere tijd” gereserveerd, lezen we in Dan. 11 : 24. Maar we lezen dat het wel op een grote strijd uitloopt (Dan. 11 : 25, 26). Openb. 6 : 2 gaat dus helemaal niet over het allereerste begin van de antichrist. Ergens tussen het moment dat de antichrist gaat vleien en dat hij aan de macht komt en erop uittrekt “overwinnende, en opdat Hij overwon” zal de Gemeente opgenomen worden. Maar dat betekent dat de Gemeente, zij die onder haar de ogen open hebben, zal weten wie de antichrist is. En dat past precies bij 2 Thess. 2 : 3. Gods Woord klopt van A tot Z.


Laat u niet verschrikken!

En dat brengt ons terug bij de eerste verzen van 2 Thess. 2. In het 2e vers lezen we: “Dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief als van ons geschreven, alsof de dag van Christus aanstaande ware”. Nee, de Thessalonicensen waren niet bang dat de Opname al geweest was, en dat ze in de Grote Verdrukking zouden leven. Dat is wat we nog wel eens horen zeggen, maar dat waren ze absoluut niet. Zij zagen uit naar de Heere die hen zou verlossen van de toekomende toorn (1 Thess. 1 : 9, 10). Maar ook in die tijd was er een keizer die zich als God liet vereren, ook in die tijd was er Christenvervolging. De vervolging door Saulus, voordat hij tot bekering kwam, staat uitgebreid beschreven (Hand. 8 : 1 – 3). En ook de Romeinse keizers gingen er toe over. Blijkbaar verwachtte men dat de Opname spoedig zou plaatsvinden, en zag men dat aan allerlei dingen om zich heen. Uit 2 Thess. 2 : 2 blijkt dat men een brief ontvangen had, die de naam van Paulus vals droeg, waarin geschreven stond dat “de dag van Christus aanstaande ware”. Maar Paulus schrijft dus “dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand, of verschrikt” omdat er voor de Opname van de Gemeente nóg twee dingen moeten gebeuren (2 Thess. 2 : 3). Dat is wat we vandaag de dag ook zien gebeuren. Al heel wat jaren zien we en horen we signalen dat de Opname van de Gemeente nu toch echt wel moet gaan gebeuren. In video’s op youtube, of door diverse eindtijdpredikers. Hoort u het de Heere al door Paulus zeggen: “Dat gij niet haastelijk bewogen wordt… of verschrikt…”. Ja, we leven temidden van de afval van het geloof, maar er is nog één profetie voor de Gemeente niet vervuld, en dat is dat de mens der zonde nog niet geopenbaard is. Overigens, als wij nog zullen weten wie de antichrist is, dan zal er voor die tijd waarschijnlijk ook nog een poging komen om iets van een wereldwijde belasting op te leggen… Kijkt u maar in Daniël 11 : 20, het vers voordat de antichrist begint met vleierijen (Dan. 11 : 21). En dat zijn dingen die we nu (februari 2020) nog niet zien.

Maar als die antichrist eenmaal geopenbaard is, dan zal het snel gaan, want de Gemeente is niet gesteld tot toorn. Dan zal de Gemeente opgenomen worden. En als we naar de tekenen der tijden kijken, dan weten we dat dat geen meerdere tientallen jaren meer op zich laat wachten. Maar tot die tijd moeten wij ons niet haastelijk laten bewegen van verstand, of laten verschrikken door de dingen die gebeuren. Wij mogen vooralsnog de Heere danken voor de rijkdom en de vrijheid die we hier hebben, en bidden voor onze overheden, zodat we de vrijheid blijven houden om Gods Woord te vespreiden (2 Tim. 2 : 1 – 4). Want de Heere wil “...dat zij allen tot bekering komen” (2 Petr. 3 : 9).


[1]  Zie bijv.: ‘2 Thessalonians Chapter 2 PROVES That No Christian Will See The Antichrist’, Brian Denlinger, KJVM, 16-09-2018, bron: https://www.youtube.com/watch?v=UDCZZzJf7tY.
[2]  ‘De Afval van het geloof’, Arjan Huurnink, Bijbel en Geloof, Apeldoorn, 26-4-2015, bron: www.bijbelengeloof.com.
[3]  ‘The Scofield Study Bible’, Rev. C.I. Scofield, D.D., et al., Oxford University Press, New York, 1909, 1945, blz. 1272.
[4]  ‘The Scofield Study Bible’, Rev. C.I. Scofield, D.D., et al., Oxford University Press, New York, 1909, 1945, blz. 1014.
[5]  ‘The Scofield Study Bible’, Rev. C.I. Scofield, D.D., et al., Oxford University Press, New York, 1909, 1945, blz. 1014.
[6]  ‘The Restrainer - part 1’, Amir Tsarfati, bron: https://www.youtube.com/watch?v=n4rcKAWCOgU.
[7]  ‘The Restrainer - part 1’, Amir Tsarfati, bron: https://www.youtube.com/watch?v=n4rcKAWCOgU.
[8]  ‘The Restrainer - part 1’, Amir Tsarfati, bron: https://www.youtube.com/watch?v=n4rcKAWCOgU.
[9]  ‘The Restrainer - part 2’, Amir Tsarfati, bron: https://www.youtube.com/watch?v=QVPVTtu5MwQ.
[10] ‘The Restrainer - part 2’, Amir Tsarfati, bron: https://www.youtube.com/watch?v=QVPVTtu5MwQ.
[11] "The Restrainer - part 2", Amir Tsarfati, bron: https://www.youtube.com/watch?v=QVPVTtu5MwQ.
[12] ‘Ik Geloof... (Geloofsforum 31)’, Xandernieuws, Bijdrage Cees op 06-09-2018, 23:18 uur, bron: http://oud.xandernieuws.net/content/2013/01/Ik-Geloof-Geloofsforum-31.html.
[13] ‘Ik Geloof... (Geloofsforum 31)’, Xandernieuws, Bijdrage Cees op 04-09-2018, 00:23 uur, bron: http://oud.xandernieuws.net/content/2013/01/Ik-Geloof-Geloofsforum-31.html.
[14] Zie bijv.: ‘One Book Rightly Divided, the Key to Understanding the Bible’, Dr. Douglas D. Stauffer, McCowen Mills Publishers, Millbrook, AL, USA, 1999, blz. 188.
[15] ‘The Books of First and Second Thessalonians and Philemon’, Dr. Peter S. Ruckman, BB Bookstore, Pensacola, FL, USA, 2005, blz. 149.
[16] ‘The Bible Believer’s Guide To Dispensationalism’, David E. Walker, DayStarPublishing, Miamitown, Ohio, USA, 2005, blz. 297, 298.
[17] ‘The Book of Daniel’, Dr. Peter S. Ruckman, BB Bookstore, Pensacola, FL, USA, 2016, blz. 334.
[18] ‘The Bible Believer’s Guide To Dispensationalism’, David E. Walker, DayStarPublishing, Miamitown, Ohio, USA, 2005, blz. 296.
[19] ‘The Books of First and Second Thessalonians and Philemon’, Dr. Peter S. Ruckman, BB Bookstore, Pensacola, FL, USA, 2005, blz. 154.
[20] ‘2 Thessalonians Chapter 2 PROVES That No Christian Will See The Antichrist’, Brian Denlinger, KJVM, 16-09-2018, bron: https://www.youtube.com/watch?v=UDCZZzJf7tY.